Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:237
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,999 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/576713 / HA ZA 24-306
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. I.D.C.J. van Driel,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. B.D. Hengstmengel.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 7 juni 2024, met producties 1 tot en met 6;
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 11;
de brief van 5 november 2024 van [eiseres] , met producties 7 tot en met 10;
de brief van 13 november 2024 van [gedaagde] , met producties 12 tot en met 14;
de brief van 18 november 2024 van [eiseres] , met producties 11 en 12;
de mondelinge behandeling van 26 november 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
de spreekaantekeningen van [eiseres] ;
de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] bestond een deelovereenkomst van opdracht. Daarin was afgesproken dat [eiseres] in opdracht van [gedaagde] als ICT-consultant werkzaamheden verrichtte bij [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ), een klant/opdrachtgever van [gedaagde] . De deelovereenkomst liep tot en met 31 december 2023. Op 4 juli 2023 heeft [bedrijf] aan [eiseres] laten weten dat zij niet meer nodig is als ICT-consultant. [eiseres] vindt dat [gedaagde] haar alsnog de inkomsten moet betalen die [eiseres] zou hebben verdiend als zij tot het einde van de deelovereenkomst had kunnen werken bij [bedrijf] . [gedaagde] vindt dat zij niets hoeft te betalen, omdat zij met [eiseres] afspraken heeft gemaakt over het (eerder) eindigen van de deelovereenkomst. De rechtbank geeft [gedaagde] gelijk en wijst de vordering af.
Beoordeling
De vordering en het daartegen gevoerde verweer
3.1.
[eiseres] vordert betaling van schadevergoeding. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] zich niet gehouden aan de afspraken uit de deelovereenkomst. Volgens de deelovereenkomst had [gedaagde] [eiseres] tot en met 31 december 2023 voor minimaal 40 uur per week moeten inzetten bij [bedrijf] tegen een uurtarief van € 95,00. Vanaf 5 juli 2023 heeft [gedaagde] [eiseres] niet meer ingezet bij [bedrijf] . [eiseres] vindt dat zij daardoor schade heeft geleden, namelijk de misgelopen inkomsten in de periode van 5 juli 2023 tot en met 31 december 2023. Dat bedrag heeft [eiseres] berekend op € 115.869,60. [eiseres] heeft haar vordering in deze procedure beperkt tot € 95.000,00.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Volgens haar blijkt uit e-mailberichten van 5 juli 2023 dat zij samen met [eiseres] is overeengekomen dat de deelovereenkomst per 5 juli 2023 is geëindigd en dat [eiseres] haar uren tot en met 4 juli 2023 vergoed zou krijgen. [eiseres] is het niet eens met de uitleg die [gedaagde] aan deze e-mailberichten geeft. De rechtbank vindt dat [gedaagde] gelijk heeft.
Geen tekortkoming in de nakoming, omdat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd
3.3.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden.
3.4.
De rechtbank oordeelt op basis van de door partijen overgelegde e-mailberichten dat tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst tot beëindiging van de deelovereenkomst tot stand is gekomen. Nadat [eiseres] van [bedrijf] heeft vernomen dat zij niet meer nodig was, verstuurde zij op 5 juli 2023 deze e-mail aan [gedaagde] :
“Gisteren aan het einde van de middag heb ik te horen gekregen dat het project te lang gaat duren (nog minimaal 1,5 jaar). Ze gaan het team terugschalen en ik ben voorlopig niet meer nodig.
Er lag natuurlijk wel een jaar contract. Met [oud-collega] gold er een opzegtermijn voor [ [bedrijf] ] van een maand. Is het akkoord wanneer ik dan juli en augustus nog factureer en een beetje openstaande onkosten.
Alle spullen heb ik ingeleverd, het is alleen nog even de financiële afhandeling.”
3.5.
Anders dan [eiseres] stelt, volgt hieruit niet dat zij onder protest haar spullen heeft ingeleverd. [eiseres] neemt juist het initiatief tot het afspreken van een financiële afwikkeling. Als reactie heeft [gedaagde] in een e-mail - kort gezegd - te kennen gegeven dat facturaties niet meer kunnen, omdat de overeenkomst per ommegaande is opgezegd. [eiseres] verzoekt vervolgens [gedaagde] na te gaan of er geen opzegtermijn van één maand geldt en merkt op dat per ommegaande zou betekenen dat alleen gisteren (4 juli 2023) nog gefactureerd kan worden. [gedaagde] bevestigt vervolgens dat alleen de goedgekeurde uren tot en met 4 juli 2023 gefactureerd kunnen worden. Vervolgens reageert [eiseres] hierop als volgt:
“Begrepen, ik heb de laatste factuurtjes doorgezet.
Dank voor de samenwerking, het was in het begin wat hectisch maar uiteindelijk hadden we weinig last meer van elkaar
Hou je goed en succes met het bedrijf in de toekomst.”
3.6.
[eiseres] heeft met dit e-mailbericht het aanbod van [gedaagde] - tot directe beëindiging van de (deel)overeenkomst en facturatie uitsluitend tot en met 4 juli 2023 – aanvaard. Dit volgt uit de woorden ‘begrepen’, ‘dank voor de samenwerking’ en ‘succes met het bedrijf in de toekomst’. Op zitting heeft [eiseres] toegelicht dat zij met deze e-mail niet heeft bedoeld dat zij akkoord was met de beëindiging van de overeenkomst of de beëindiging van de overeenkomst onder déze voorwaarden. Maar niet gebleken is dat [eiseres] zich op een zodanige wijze heeft uitgelaten, door bijvoorbeeld een voorbehoud te maken, dat [gedaagde] heeft moeten begrijpen dat [eiseres] zich tegen onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst verzette of nog aanspraak wilde maken op aanvullende vergoedingen. Een dergelijke uitleg is ook tegenstrijdig met de woorden ‘succes het bedrijf in de toekomst’ in het e-mailbericht van 5 juli 2023. Deze woorden impliceren namelijk een afscheid en een definitieve afronding van de samenwerking.
3.7.
De wisseling van e-mailberichten op 5 juli 2023 moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook zo worden uitgelegd dat partijen zijn overeengekomen dat de deelovereenkomst van opdracht per direct (5 juli 2023) eindigde en dat [gedaagde] alleen betaling aan [eiseres] tot en met 4 juli 2023 verschuldigd was. Dat betekent dat de afspraken uit de deelovereenkomst per 5 juli 2023 niet meer golden en [gedaagde] dus ook niet tekort is geschoten in de nakoming van deze afspraken. Er bestaat dan ook geen grondslag voor toewijzing van schadevergoeding.
Geen ander grondslag voor toewijzing van de vordering van [eiseres]
3.8.
[eiseres] heeft haar vordering ook op andere grondslagen gebaseerd, namelijk betaling van (volledig) loon bij opzegging van de overeenkomst en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid bij opzegging van de overeenkomst. Omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat partijen samen zijn overeengekomen dat de (deel)overeenkomst per 5 juli 2023 is geëindigd en [eiseres] alleen betaald kreeg tot en met 4 juli 2023, kunnen ook deze grondslagen niet tot een toewijzing van de vordering van [eiseres] leiden. Dat betekent ook dat de overige verweren van [gedaagde] onbesproken kunnen blijven.
Conclusie
3.9.
De conclusie van de rechtbank is dan ook dat er geen grondslag bestaat voor toewijzing van de vorderingen (waaronder de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten) van [eiseres] . De vorderingen worden daarom afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.10.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.495,00
3.11.
De rechtbank zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door [gedaagde] is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 5.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart 4.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
5315
[eiseres] doet een beroep op artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 6:217 BW.
Hoge Raad 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352.
E-mailbericht van 5 juli 2023, productie 3 aan de zijde van [gedaagde] .
E-mailbericht van 5 juli 2023, productie 12 aan de zijde van [eiseres] .
E-mailbericht van 5 juli 2023, productie 4 aan de zijde van [gedaagde] .
E-mailbericht van 5 juli 2023, productie 5 aan de zijde van [gedaagde] .
E-mailbericht van 5 juli 2023, productie 6 aan de zijde van [gedaagde] .