Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:23
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,838 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8159
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(gemachtigde: mr. A. Ok).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het verkeersbesluit van 29 november 2024, waarbij onder andere wordt besloten dat voor een deel van de [straat] te [plaats] de zogeheten spitsafsluiting wordt uitgebreid naar een 24-uursafsluiting.
2. Verzoeker heeft tegen het verkeersbesluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemprocedure niet. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
5. Verzoeker heeft aangevoerd dat het college in de week van 13 januari 2025 de bebording gaat aanpassen voor de 24-uursafsluiting. Dat betekent dat verzoeker geen gebruik meer kan maken van de [straat] . Verzoeker komt niet in aanmerking voor een ontheffing omdat hij geen auto heeft. Daarom is sprake is van spoedeisend belang volgens verzoeker.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van spoedeisend belang. Niet aannemelijk is dat er sprake is van zo’n grote mate van spoed dat verzoeker de beslissing op bezwaar niet kan afwachten. Allereerst blijkt niet dat sprake is van onomkeerbare gevolgen als het besluit wordt uitgevoerd. De borden die worden geplaatst in de week van 13 januari 2025, kunnen weer worden weggehaald als het bestreden besluit in de bezwaarprocedure onjuist blijkt te zijn of anderszins wordt aangepast. Uit het verzoek blijkt verder niet van een dringend individueel belang. Verzoeker heeft zelf geen auto en daarom in beginsel geen ontheffing nodig. Hij stelt wel gebruik te maken van deelauto’s, huurauto’s en leenauto’s, maar niet hoe vaak of dat sprake is van urgente omstandigheden. Een spoedeisend belang leidt de voorzieningenrechter uit het verzoekschrift niet af. Daar komt bij dat in het bestreden besluit is opgenomen dat in het kader van de ontheffingsregeling overwogen kan worden ook andere groepen zoals bijvoorbeeld deelauto’s in de ontheffingsregeling op te nemen. Verzoeker heeft over de mogelijkheden van ontheffing van andere dan eigen auto’s ook gecorrespondeerd, waarbij is aangegeven dat op basis van een overeenkomst van deelautogebruik twee ontheffingen verstrekt kunnen worden en dat dit ook voor commerciële huurauto’s kan worden aangevraagd. Verzoeker heeft er geen vertrouwen in dat dit voor hem tot een bevredigende oplossing leidt, maar ook hierin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang gelegen.
Evident onrechtmatig
7. Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit, met de daarin opgenomen ontheffingsmogelijkheden geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
8. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
Conclusie
9. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
3 januari 2025.
De griffier is verhinderd om deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8159
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(gemachtigde: mr. A. Ok).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het verkeersbesluit van 29 november 2024, waarbij onder andere wordt besloten dat voor een deel van de [straat] te [plaats] de zogeheten spitsafsluiting wordt uitgebreid naar een 24-uursafsluiting.
2. Verzoeker heeft tegen het verkeersbesluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemprocedure niet. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
5. Verzoeker heeft aangevoerd dat het college in de week van 13 januari 2025 de bebording gaat aanpassen voor de 24-uursafsluiting. Dat betekent dat verzoeker geen gebruik meer kan maken van de [straat] . Verzoeker komt niet in aanmerking voor een ontheffing omdat hij geen auto heeft. Daarom is sprake is van spoedeisend belang volgens verzoeker.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van spoedeisend belang. Niet aannemelijk is dat er sprake is van zo’n grote mate van spoed dat verzoeker de beslissing op bezwaar niet kan afwachten. Allereerst blijkt niet dat sprake is van onomkeerbare gevolgen als het besluit wordt uitgevoerd. De borden die worden geplaatst in de week van 13 januari 2025, kunnen weer worden weggehaald als het bestreden besluit in de bezwaarprocedure onjuist blijkt te zijn of anderszins wordt aangepast. Uit het verzoek blijkt verder niet van een dringend individueel belang. Verzoeker heeft zelf geen auto en daarom in beginsel geen ontheffing nodig. Hij stelt wel gebruik te maken van deelauto’s, huurauto’s en leenauto’s, maar niet hoe vaak of dat sprake is van urgente omstandigheden. Een spoedeisend belang leidt de voorzieningenrechter uit het verzoekschrift niet af. Daar komt bij dat in het bestreden besluit is opgenomen dat in het kader van de ontheffingsregeling overwogen kan worden ook andere groepen zoals bijvoorbeeld deelauto’s in de ontheffingsregeling op te nemen. Verzoeker heeft over de mogelijkheden van ontheffing van andere dan eigen auto’s ook gecorrespondeerd, waarbij is aangegeven dat op basis van een overeenkomst van deelautogebruik twee ontheffingen verstrekt kunnen worden en dat dit ook voor commerciële huurauto’s kan worden aangevraagd. Verzoeker heeft er geen vertrouwen in dat dit voor hem tot een bevredigende oplossing leidt, maar ook hierin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang gelegen.
Evident onrechtmatig
7. Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit, met de daarin opgenomen ontheffingsmogelijkheden geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
8. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
Conclusie
9. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
3 januari 2025.
De griffier is verhinderd om deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.