Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-05-07
ECLI:NL:RBMNE:2025:2257
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,618 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11486319 \ AC EXPL 25-128
Vonnis van 7 mei 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
1. [gedaagde sub 1] , in persoon alsook voorheen in functie van bestuurder en thans bewaarder der boeken en bescheiden van de ontbonden rechtspersoon [onderneming] B.V. en ook bestuurder van gedaagde sub 2,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties;
de conclusie van antwoord met producties;
aanvullende stukken van [eiser] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 7 april 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat daar is besproken. Daarna is bepaald dat het vonnis op 7 mei 2025 wordt gewezen.
2De kern van het geschil
2.1.
In 2009 heeft [gedaagde sub 1] een dagvaarding voor [eiser] opgesteld in een procedure tegen de gemeente [.] over een dwangbevel dat tegen [eiser] is verleend naar aanleiding van een door [eiser] zonder vergunning gebouwde aanbouw. [gedaagde sub 1] heeft daarin de verkeerde entiteit gedagvaard, waardoor [eiser] niet-ontvankelijk is verklaard en het dwangbevel in stand bleef. Het dwangbevel hield in dat [eiser] op straffe van een dwangsom de aanbouw moest verwijderen, omdat die illegaal was. [eiser] meent dat dat tot waardevermindering van zijn huis heeft geleid. Ook stelt [eiser] dat [gedaagde sub 1] hem onvertegenwoordigd heeft gelaten en daarom in strijd met artikel 24 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand heeft gehandeld. [eiser] vordert nu vergoeding van die waardevermindering en de gemaakte proceskosten in de procedure tegen de gemeente. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en legt hieronder uit waarom.
Beoordeling
[eiser] heeft een overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagde sub 1]
3.1.
[eiser] heeft het volgende gevorderd: vergoeding van de waardedaling van € 16.500,00 – subsidiair: € 13.000,00 - van het huis en de kosten van het proces tegen de gemeente: € 706,00 voor de proceskostenveroordeling, € 250,00 voor het honorarium van [gedaagde sub 1] , € 63,50 voor griffierechten, € 83,95 aan deurwaarderskosten en € 47,00 voor de eigen bijdrage voor de gefinancierde rechtsbijstand, alle vermeerderd met wettelijke rente. Verder vordert hij vergoeding van de incassokosten en de proceskosten in deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] heeft de bovenstaande bedragen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevorderd. [gedaagde sub 1] is bestuurder van [gedaagde sub 2] en heeft aangevoerd dat [eiser] en [gedaagde sub 2] geen contractspartijen van elkaar zijn.
3.3.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] en [gedaagde sub 2] geen overeenkomst hebben gesloten. [gedaagde sub 1] was ten tijde van de vertegenwoordiging van [eiser] werkzaam bij [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ) [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 2] als aandeelhouder van [onderneming] ook aansprakelijk is, maar dat heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. [gedaagde sub 2] was geen contractspartij bij de overeenkomst van opdracht, want [gedaagde sub 2] staat niet genoemd in de opdrachtbevestiging en uit het dossier volgt ook niet dat [gedaagde sub 2] op enige andere wijze een rol gespeeld heeft in de contacten tussen [eiser] en [onderneming] of [gedaagde sub 1] . Van aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] door vereenzelviging met [onderneming] is ook geen sprake. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd waarom [gedaagde sub 2] op enige manier bij deze opdracht betrokken was.
3.4.
Wel staat vast dat [eiser] en [gedaagde sub 1] een overeenkomst van opdracht met elkaar hebben gesloten. De overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] blijkt volgens [eiser] onder andere uit een brief van 24 december 2008 waarin [gedaagde sub 1] de opdracht van [eiser] om een verzetsdagvaarding op te stellen in de procedure tegen de gemeente, bevestigt. [gedaagde sub 1] heeft niet onderbouwd betwist dat hij zelf partij was bij de overeenkomst.
[gedaagde sub 1] is tekortgeschoten in de nakoming van overeenkomst van opdracht
3.5.
[gedaagde sub 1] heeft in de uitoefening van zijn beroep als advocaat in de procedure tussen [eiser] en de gemeente het college van burgemeester en wethouders gedagvaard, terwijl dat de gemeente moest zijn. [gedaagde sub 1] heeft erkend dat hij hierdoor tekort is geschoten en toegegeven dat hij een fout heeft gemaakt.
Geen schending artikel 24 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand
3.6.
De vertegenwoordiging door [gedaagde sub 1] is na het opstellen van de dagvaarding en voor de zitting in die procedure beëindigd. [eiser] meent dat [gedaagde sub 1] hem daardoor in strijd met artikel 24 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand (WRB) onvertegenwoordigd heeft gelaten.
3.7.
De schending van artikel 24 lid 4 WRB door [gedaagde sub 1] is niet vast komen te staan. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde sub 1] als rechtsbijstandverlener toevoeging heeft geweigerd en dat hij geen rechtsbijstand zou kunnen krijgen. [gedaagde sub 1] heeft [eiser] in een deel van de procedure vertegenwoordigd, maar die procesvertegenwoordiging is volgens [gedaagde sub 1] geëindigd door onenigheid in de communicatie en betalingsachterstanden van de eigen bijdrage. Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat de procesvertegenwoordiging van [gedaagde sub 1] duurde tot 9 september 2009 en dat [eiser] nadien in de procedure werd vertegenwoordigd door een andere advocaat. [eiser] heeft in deze omstandigheden onvoldoende onderbouwd waarom sprake is van de situatie waartegen artikel 24 lid 4 WRB bedoeld is. Het is dus niet vast komen te staan dat [gedaagde sub 1] op dit punt tekort is geschoten tegenover [eiser] .
Geen causaal verband tussen tekortkoming [gedaagde sub 1] en waardevermindering woning
3.8.
De kantonrechter moet beoordelen of de fout die [gedaagde sub 1] heeft gemaakt ertoe leidt dat [gedaagde sub 1] schade moet vergoeden aan [eiser] . De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. De tekortkoming door [gedaagde sub 1] heeft namelijk niet geleid tot de waardevermindering van de woning van [eiser] als gevolg van de illegale aanbouw, zoals [eiser] stelt. De procedure tegen de gemeente zou namelijk niet hebben geleid tot het legaliseren van de aanbouw. Ook niet als [gedaagde sub 1] wel de juiste entiteit zou hebben gedagvaard.
3.9.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiser] al in 2006 bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde dwangsommen vanwege de illegale aanbouw. Dat doet [gedaagde sub 1] nogmaals namens hem in 2007. Tijdens de procedure tegen de gemeente in de periode 2009-2010 lijkt de gemeente dus al langere tijd te zijn overgegaan tot handhaving door in te zetten op verwijdering van de illegale aanbouw. Dat de procedure niet meer tot legalisatie van de aanbouw zou leiden, blijkt ook uit een overgelegd dwangbevel van de gemeente uit 2008. Daarin schrijft de gemeente dat [eiser] in strijd handelt met de Woningwet doordat de aanbouw zonder vergunning is gebouwd. De gemeente schrijft ook dat de aanbouw niet meer gelegaliseerd kan worden. De gemeente had eerder al verzocht om de aanbouw aan te passen, maar daar heeft [eiser] geen gehoor aan gegeven. De eerder door [eiser] ingediende bezwaren hadden ook niet tot een ander standpunt geleid.
3.10.
Ook in de door [gedaagde sub 1] namens [eiser] opgestelde dagvaarding van 9 januari 2009 wordt het standpunt van de gemeente verwoord. Daarin staat dat de gemeente van oordeel is dat de aanbouw niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, niet vergunningsvrij gebouwd mocht worden en niet onder de legalisatie valt. In de dagvaarding staat ook dat [eiser] om een legalisatie-onderzoek heeft verzocht maar dat de gemeente heeft aangegeven dat het bestemmingsplan geen vrijstellingsmogelijkheid biedt.
3.11.
[eiser] heeft onvoldoende onderbouwd waarom de procedure ondanks het bovenstaande toch tot het gewenste resultaat van legalisering had kunnen leiden. [eiser] heeft gesteld dat de gemeente toestemming zou hebben gegeven voor de aanbouw. Maar hij heeft geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt. [eiser] heeft niet meer aangegeven dan dat in die procedure, als die eenmaal zou lopen, getuigen gehoord zouden kunnen worden. Maar hij heeft niet concreet aangegeven wie er dan gehoord zouden kunnen worden en wat zij dan zouden kunnen verklaren en waarom dit het standpunt van de gemeente met betrekking tot zijn aanbouw zou hebben veranderd.
3.12.
Daarbij komt dat [gedaagde sub 1] tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij bij de gemeente heeft nagevraagd of er toestemming is gegeven en dat hij toen te horen kreeg dat er geen toestemming zou zijn gegeven. [gedaagde sub 1] heeft ook aangegeven dat de procedure tegen de gemeente is gestart om tijdswinst te behalen, zodat [eiser] de aanbouw kon aanpassen binnen de eisen van het bestemmingsplan. Dat maakt ook verklaarbaar waarom de procedure toch is gestart, hoewel legalisatie niet meer een van de te behalen resultaten was.
3.13.
Hierboven is uitgelegd dat de door [gedaagde sub 1] namens [eiser] gestarte procedure niet zou hebben geleid tot legalisering van de aanbouw van [eiser] . De waardedaling van de woning als gevolg van het moeten verwijderen van zijn illegale aanbouw zou er dus altijd zijn geweest, ongeacht de fout van [gedaagde sub 1] om de verkeerde entiteit te dagvaarden.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 70,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.
63076
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11486319 \ AC EXPL 25-128
Vonnis van 7 mei 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
1. [gedaagde sub 1] , in persoon alsook voorheen in functie van bestuurder en thans bewaarder der boeken en bescheiden van de ontbonden rechtspersoon [onderneming] B.V. en ook bestuurder van gedaagde sub 2,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties;
de conclusie van antwoord met producties;
aanvullende stukken van [eiser] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 7 april 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat daar is besproken. Daarna is bepaald dat het vonnis op 7 mei 2025 wordt gewezen.
2De kern van het geschil
2.1.
In 2009 heeft [gedaagde sub 1] een dagvaarding voor [eiser] opgesteld in een procedure tegen de gemeente [.] over een dwangbevel dat tegen [eiser] is verleend naar aanleiding van een door [eiser] zonder vergunning gebouwde aanbouw. [gedaagde sub 1] heeft daarin de verkeerde entiteit gedagvaard, waardoor [eiser] niet-ontvankelijk is verklaard en het dwangbevel in stand bleef. Het dwangbevel hield in dat [eiser] op straffe van een dwangsom de aanbouw moest verwijderen, omdat die illegaal was. [eiser] meent dat dat tot waardevermindering van zijn huis heeft geleid. Ook stelt [eiser] dat [gedaagde sub 1] hem onvertegenwoordigd heeft gelaten en daarom in strijd met artikel 24 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand heeft gehandeld. [eiser] vordert nu vergoeding van die waardevermindering en de gemaakte proceskosten in de procedure tegen de gemeente. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en legt hieronder uit waarom.
Beoordeling
[eiser] heeft een overeenkomst van opdracht gesloten met [gedaagde sub 1]
3.1.
[eiser] heeft het volgende gevorderd: vergoeding van de waardedaling van € 16.500,00 – subsidiair: € 13.000,00 - van het huis en de kosten van het proces tegen de gemeente: € 706,00 voor de proceskostenveroordeling, € 250,00 voor het honorarium van [gedaagde sub 1] , € 63,50 voor griffierechten, € 83,95 aan deurwaarderskosten en € 47,00 voor de eigen bijdrage voor de gefinancierde rechtsbijstand, alle vermeerderd met wettelijke rente. Verder vordert hij vergoeding van de incassokosten en de proceskosten in deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] heeft de bovenstaande bedragen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevorderd. [gedaagde sub 1] is bestuurder van [gedaagde sub 2] en heeft aangevoerd dat [eiser] en [gedaagde sub 2] geen contractspartijen van elkaar zijn.
3.3.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] en [gedaagde sub 2] geen overeenkomst hebben gesloten. [gedaagde sub 1] was ten tijde van de vertegenwoordiging van [eiser] werkzaam bij [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ) [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 2] als aandeelhouder van [onderneming] ook aansprakelijk is, maar dat heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. [gedaagde sub 2] was geen contractspartij bij de overeenkomst van opdracht, want [gedaagde sub 2] staat niet genoemd in de opdrachtbevestiging en uit het dossier volgt ook niet dat [gedaagde sub 2] op enige andere wijze een rol gespeeld heeft in de contacten tussen [eiser] en [onderneming] of [gedaagde sub 1] . Van aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] door vereenzelviging met [onderneming] is ook geen sprake. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd waarom [gedaagde sub 2] op enige manier bij deze opdracht betrokken was.
3.4.
Wel staat vast dat [eiser] en [gedaagde sub 1] een overeenkomst van opdracht met elkaar hebben gesloten. De overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] blijkt volgens [eiser] onder andere uit een brief van 24 december 2008 waarin [gedaagde sub 1] de opdracht van [eiser] om een verzetsdagvaarding op te stellen in de procedure tegen de gemeente, bevestigt. [gedaagde sub 1] heeft niet onderbouwd betwist dat hij zelf partij was bij de overeenkomst.
[gedaagde sub 1] is tekortgeschoten in de nakoming van overeenkomst van opdracht
3.5.
[gedaagde sub 1] heeft in de uitoefening van zijn beroep als advocaat in de procedure tussen [eiser] en de gemeente het college van burgemeester en wethouders gedagvaard, terwijl dat de gemeente moest zijn. [gedaagde sub 1] heeft erkend dat hij hierdoor tekort is geschoten en toegegeven dat hij een fout heeft gemaakt.
Geen schending artikel 24 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand
3.6.
De vertegenwoordiging door [gedaagde sub 1] is na het opstellen van de dagvaarding en voor de zitting in die procedure beëindigd. [eiser] meent dat [gedaagde sub 1] hem daardoor in strijd met artikel 24 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand (WRB) onvertegenwoordigd heeft gelaten.
3.7.
De schending van artikel 24 lid 4 WRB door [gedaagde sub 1] is niet vast komen te staan. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde sub 1] als rechtsbijstandverlener toevoeging heeft geweigerd en dat hij geen rechtsbijstand zou kunnen krijgen. [gedaagde sub 1] heeft [eiser] in een deel van de procedure vertegenwoordigd, maar die procesvertegenwoordiging is volgens [gedaagde sub 1] geëindigd door onenigheid in de communicatie en betalingsachterstanden van de eigen bijdrage. Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat de procesvertegenwoordiging van [gedaagde sub 1] duurde tot 9 september 2009 en dat [eiser] nadien in de procedure werd vertegenwoordigd door een andere advocaat. [eiser] heeft in deze omstandigheden onvoldoende onderbouwd waarom sprake is van de situatie waartegen artikel 24 lid 4 WRB bedoeld is. Het is dus niet vast komen te staan dat [gedaagde sub 1] op dit punt tekort is geschoten tegenover [eiser] .
Geen causaal verband tussen tekortkoming [gedaagde sub 1] en waardevermindering woning
3.8.
De kantonrechter moet beoordelen of de fout die [gedaagde sub 1] heeft gemaakt ertoe leidt dat [gedaagde sub 1] schade moet vergoeden aan [eiser] . De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. De tekortkoming door [gedaagde sub 1] heeft namelijk niet geleid tot de waardevermindering van de woning van [eiser] als gevolg van de illegale aanbouw, zoals [eiser] stelt. De procedure tegen de gemeente zou namelijk niet hebben geleid tot het legaliseren van de aanbouw. Ook niet als [gedaagde sub 1] wel de juiste entiteit zou hebben gedagvaard.
3.9.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiser] al in 2006 bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde dwangsommen vanwege de illegale aanbouw. Dat doet [gedaagde sub 1] nogmaals namens hem in 2007. Tijdens de procedure tegen de gemeente in de periode 2009-2010 lijkt de gemeente dus al langere tijd te zijn overgegaan tot handhaving door in te zetten op verwijdering van de illegale aanbouw. Dat de procedure niet meer tot legalisatie van de aanbouw zou leiden, blijkt ook uit een overgelegd dwangbevel van de gemeente uit 2008. Daarin schrijft de gemeente dat [eiser] in strijd handelt met de Woningwet doordat de aanbouw zonder vergunning is gebouwd. De gemeente schrijft ook dat de aanbouw niet meer gelegaliseerd kan worden. De gemeente had eerder al verzocht om de aanbouw aan te passen, maar daar heeft [eiser] geen gehoor aan gegeven. De eerder door [eiser] ingediende bezwaren hadden ook niet tot een ander standpunt geleid.
3.10.
Ook in de door [gedaagde sub 1] namens [eiser] opgestelde dagvaarding van 9 januari 2009 wordt het standpunt van de gemeente verwoord. Daarin staat dat de gemeente van oordeel is dat de aanbouw niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, niet vergunningsvrij gebouwd mocht worden en niet onder de legalisatie valt. In de dagvaarding staat ook dat [eiser] om een legalisatie-onderzoek heeft verzocht maar dat de gemeente heeft aangegeven dat het bestemmingsplan geen vrijstellingsmogelijkheid biedt.
3.11.
[eiser] heeft onvoldoende onderbouwd waarom de procedure ondanks het bovenstaande toch tot het gewenste resultaat van legalisering had kunnen leiden. [eiser] heeft gesteld dat de gemeente toestemming zou hebben gegeven voor de aanbouw. Maar hij heeft geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt. [eiser] heeft niet meer aangegeven dan dat in die procedure, als die eenmaal zou lopen, getuigen gehoord zouden kunnen worden. Maar hij heeft niet concreet aangegeven wie er dan gehoord zouden kunnen worden en wat zij dan zouden kunnen verklaren en waarom dit het standpunt van de gemeente met betrekking tot zijn aanbouw zou hebben veranderd.
3.12.
Daarbij komt dat [gedaagde sub 1] tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij bij de gemeente heeft nagevraagd of er toestemming is gegeven en dat hij toen te horen kreeg dat er geen toestemming zou zijn gegeven. [gedaagde sub 1] heeft ook aangegeven dat de procedure tegen de gemeente is gestart om tijdswinst te behalen, zodat [eiser] de aanbouw kon aanpassen binnen de eisen van het bestemmingsplan. Dat maakt ook verklaarbaar waarom de procedure toch is gestart, hoewel legalisatie niet meer een van de te behalen resultaten was.
3.13.
Hierboven is uitgelegd dat de door [gedaagde sub 1] namens [eiser] gestarte procedure niet zou hebben geleid tot legalisering van de aanbouw van [eiser] . De waardedaling van de woning als gevolg van het moeten verwijderen van zijn illegale aanbouw zou er dus altijd zijn geweest, ongeacht de fout van [gedaagde sub 1] om de verkeerde entiteit te dagvaarden.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 70,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.
63076