Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-15
ECLI:NL:RBMNE:2025:2231
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,804 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5081
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster,
(gemachtigde: mr. A. Güngörmez),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 14 februari 2024 tegen de lichte toets compensatie kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft op 3 december 2024 alsnog een besluit genomen op het bezwaar van verzoekster.
Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft op 20 maart 2025 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen, maar wenst de toepassing van wegingsfactor 0,25.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. De verwijzing van verweerder naar de lijn wat betreft de wegingsfactor in de uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2023:4482 gaat niet meer op, de rechtbank heeft die lijn verlaten. Toegekend wordt € 453,50.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5081
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster,
(gemachtigde: mr. A. Güngörmez),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 14 februari 2024 tegen de lichte toets compensatie kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft op 3 december 2024 alsnog een besluit genomen op het bezwaar van verzoekster.
Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft op 20 maart 2025 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen, maar wenst de toepassing van wegingsfactor 0,25.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. De verwijzing van verweerder naar de lijn wat betreft de wegingsfactor in de uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2023:4482 gaat niet meer op, de rechtbank heeft die lijn verlaten. Toegekend wordt € 453,50.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.