Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-24
ECLI:NL:RBMNE:2025:1948
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,328 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2176
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2025 in de zaak tussen
Buurtstichting Mooi 's-Graveland, gevestigd in Wijdemeren, verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder.
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
1. Stichting Monumentenbezit
(gemachtigde: mr. M. Niermeijer)
2. de raad van de gemeente Wijdemeren
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de verleende omgevingsvergunning voor het renoveren van de tuin bij Buitenplaats Trompenburgh in ‘s Graveland.
2. Met het besluit van 13 februari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend aan Stichting Monumentenbezit (hierna: vergunninghoudster). Vergunninghoudster werkt sinds 2020 aan de restauratie van de buitenplaats met het doel deze beperkt open te stellen voor publiek. Onderdeel daarvan is de renovatie van de tuin die zoveel mogelijk wordt teruggebracht naar de situatie van de 17e eeuw. Daarvoor zullen onder meer 123 bomen worden gekapt. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
4. Verzoekster wil met het verzoek voorkomen dat de 123 bomen worden gekapt, omdat de kap onomkeerbaar is en schade toebrengt aan de natuur, het landschap en de leefomgeving. Als gevolg van het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening is de omgevingsvergunning niet in werking getreden en verzoekster wil dat de omgevingsvergunning geschorst blijft totdat op het beroep is beslist.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
6. Vergunninghoudster heeft laten weten niet bereid te zijn te wachten met het uitvoeren van de werkzaamheden tot dat op het beroep is beslist. Zij heeft in een e-mail van 31 maart 2025 meegedeeld dat de werkzaamheden vanwege het broedseizoen niet eerder dan 15 juli kunnen starten, maar dat de werkzaamheden vermoedelijk pas in september 2025 zullen aanvangen omdat 15 juli kort voor de bouwvak is. Verzoekster heeft hierin geen aanleiding gezien om het verzoek in te trekken. Vervolgens heeft de griffier telefonisch navraag gedaan bij vergunninghoudster of de berichtgeving over de planning opgevat kan worden als een toezegging dat tot september 2025 geen gebruik wordt gemaakt van de omgevingsvergunning. Naar aanleiding van dat gesprek heeft vergunninghoudster laten weten dat het proces van het selecteren van de uitvoerend aannemer verder is dan eerder werd gedacht en dat direct na 15 juli zal worden gestart met de werkzaamheden.
7. Omdat vergunninghoudster pas over ongeveer drie maanden zal overgaan tot het kappen van de bomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van haar verzoek. Dit wordt anders als de startdatum van de werkzaamheden nadert. Verzoekster kan tegen die tijd een nieuw verzoek om voorlopige voorziening indienen.
Conclusie
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2025.
(de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen)
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt uit artikel 6, tweede en derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2176
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2025 in de zaak tussen
Buurtstichting Mooi 's-Graveland, gevestigd in Wijdemeren, verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder.
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
1. Stichting Monumentenbezit
(gemachtigde: mr. M. Niermeijer)
2. de raad van de gemeente Wijdemeren
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de verleende omgevingsvergunning voor het renoveren van de tuin bij Buitenplaats Trompenburgh in ‘s Graveland.
2. Met het besluit van 13 februari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend aan Stichting Monumentenbezit (hierna: vergunninghoudster). Vergunninghoudster werkt sinds 2020 aan de restauratie van de buitenplaats met het doel deze beperkt open te stellen voor publiek. Onderdeel daarvan is de renovatie van de tuin die zoveel mogelijk wordt teruggebracht naar de situatie van de 17e eeuw. Daarvoor zullen onder meer 123 bomen worden gekapt. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
4. Verzoekster wil met het verzoek voorkomen dat de 123 bomen worden gekapt, omdat de kap onomkeerbaar is en schade toebrengt aan de natuur, het landschap en de leefomgeving. Als gevolg van het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening is de omgevingsvergunning niet in werking getreden en verzoekster wil dat de omgevingsvergunning geschorst blijft totdat op het beroep is beslist.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
6. Vergunninghoudster heeft laten weten niet bereid te zijn te wachten met het uitvoeren van de werkzaamheden tot dat op het beroep is beslist. Zij heeft in een e-mail van 31 maart 2025 meegedeeld dat de werkzaamheden vanwege het broedseizoen niet eerder dan 15 juli kunnen starten, maar dat de werkzaamheden vermoedelijk pas in september 2025 zullen aanvangen omdat 15 juli kort voor de bouwvak is. Verzoekster heeft hierin geen aanleiding gezien om het verzoek in te trekken. Vervolgens heeft de griffier telefonisch navraag gedaan bij vergunninghoudster of de berichtgeving over de planning opgevat kan worden als een toezegging dat tot september 2025 geen gebruik wordt gemaakt van de omgevingsvergunning. Naar aanleiding van dat gesprek heeft vergunninghoudster laten weten dat het proces van het selecteren van de uitvoerend aannemer verder is dan eerder werd gedacht en dat direct na 15 juli zal worden gestart met de werkzaamheden.
7. Omdat vergunninghoudster pas over ongeveer drie maanden zal overgaan tot het kappen van de bomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van haar verzoek. Dit wordt anders als de startdatum van de werkzaamheden nadert. Verzoekster kan tegen die tijd een nieuw verzoek om voorlopige voorziening indienen.
Conclusie
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2025.
(de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen)
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt uit artikel 6, tweede en derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.