Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-21
ECLI:NL:RBMNE:2025:1835
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,404 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6815
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] (Groot-Brittannië), eiseres,
(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 1 november 2024 (door de rechtbank ontvangen op 4 november 2024) heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 16 januari 2023 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Bij uitspraak van 18 maart 2024 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen om op uiterlijk 13 mei 2024 een vooraankondiging te doen en een besluit bekend te maken binnen twee weken na ontvangst van de zienswijze dan wel binnen twee weken na het ongebruikt verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging. Op 11 november 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 maart 2024 een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
2. Bovengenoemde termijn liep tot en met 13 mei 2024. Verweerder geeft in het verweerschrift van 11 november 2024 aan dat op 13 mei 2024 een definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag is genomen. Omdat er tijdig is beslist, meent verweerder dat het beroep niet-ontvankelijk is. Verweerder geeft daarbij aan dat het besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, omdat het niet aan de gemachtigde van eiseres is gestuurd. Derhalve is verweerder van mening eiseres recht heeft op terugbetaling van het griffierecht en vergoeding van haar proceskosten.
3. Omdat eiseres met het beroep niet tijdig beslissen niet kan bereiken wat zij beoogde, een besluit was immers op het moment van de indiening van het beroep al genomen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Rechterlijke dwangsom
4. Eisers heeft de rechtbank verzocht de volgens haar naar aanleiding van de uitspraak
van 18 maart 2024 verbeurde rechterlijke dwangsom vast te stellen en verweerder op te dragen deze binnen een bepaalde termijn te betalen.
5. Partijen hebben zich in of na het indienen van het verweerschrift niet op een nader standpunt gesteld in dit kader. De rechtbank overweegt dat zij binnen haar bevoegdheden in dit beroep geen mogelijkheden heeft zich uit te laten over een al dan niet verbeurde gerechtelijke dwangsom. Artikel 8:55 c van de Awb geeft de rechter namelijk enkel de verplichting om zich desgevraagd uit te laten over de in afdeling 4.1.3 van de Awb genoemde (bestuurlijke) dwangsom. Eisers zal zich tot verweerder moeten wenden met haar verzoek.
Proceskosten en griffierecht
5. Ondanks dat het beroep niet-ontvankelijk is, ziet de rechtbank aanleiding tot vergoeding van de proceskosten. Zoals verweerder terecht stelt in haar verweerschrift, is de beschikking op een onjuiste wijze bekendgemaakt. Daarom is het beroep op zichzelf terecht ingesteld en krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
6. De rechtbank ziet om bovengenoemde reden tevens aanleiding om verweerder op te dragen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.