Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-22
ECLI:NL:RBMNE:2025:1831
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,837 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4625
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de tegemoetkoming die hij op grond van de zogeheten kindregeling in de Wet hersteloperatie (Wht) heeft ontvangen.
1.1.
Bij besluit van 25 januari 2023 is aan eiser ambtshalve een tegemoetkoming van € 10.000,- toegekend op grond van de kindregeling. Met het bestreden besluit van 21 mei 2024 op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de tegemoetkoming van € 10.000,- die op basis van de kindregeling aan eiser is toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond en de rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. In deze zaak is niet in geschil dat eiser voldoet aan de vereisten om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, en dat hij omdat hij ten minste achttien jaar was op 1 juli 2023, de tegemoetkoming op grond van artikel 2.12 van de Wht voor hem € 10.000,- bedraagt.
5. In deze zaak is wel in geschil of Dienst Toeslagen op goede gronden de tegemoetkoming voor eiser heeft vastgesteld op dit bedrag van € 10.000,-.
6. Eiser voert aan dat de hardheidsclausule moet worden toegepast, omdat de tegemoetkoming niet de schade dekt die hij heeft geleden als gevolg van de toeslagenaffaire. Daarnaast voert hij aan dat hij geen zelfstandige rechtsbescherming heeft en afhankelijk is van een ouder die bij de Commissie Werkelijke Schade een verzoek indient om zijn schade vergoed te krijgen. Daarbij merkt eiser op dat zaken van de gedupeerde ouders en hun kinderen niet parallel lopen. Verder voert hij aan dat hij recht heeft op schadevergoeding. Hij verzoekt om immateriële schadevergoeding van € 130,- per dag vanaf het moment dat de kinderopvangtoeslag voor de eerste keer naar beneden is gesteld totdat volledig herstel is gekomen. Ook verzoekt hij om schadevergoeding vanwege discriminatie die de rechtbank moet vaststellen. Verder verzoekt eiser om verstrekking van zijn persoonlijke dossier en het dossier van zijn ouder. Daarnaast is eiser van mening dat de bezwaarfase inhoudsloos is geworden en Dienst Toeslagen vooringenomen handelt, omdat Dienst Toeslagen bij het standpunt blijft dat er niet kan worden afgeweken van de bedragen van de tegemoetkoming. Ook heeft er in de bezwaarfase geen algehele heroverweging plaatsgevonden. Om die reden heeft eiser geen gebruik gemaakt van zijn hoorrecht.
7. De rechtbank stelt voorop dat zij eerder in vergelijkbare zaken heeft geoordeeld dat er niet van de vaste bedragen uit de kindregeling kan worden afgeweken. Deze uitspraken komen samengevat erop neer dat er sprake is van dwingend recht waarbij de wetgever rekening heeft gehouden met een situatie van kinderen van gedupeerde ouders, en uitdrukkelijk de keuze heeft gemaakt om bij de kindregeling niet de daadwerkelijke (immateriële) schade te betrekken. De hardheidsclausule biedt ook geen mogelijkheid om af te wijken van de hoogte van de tegemoetkoming. In deze uitspraken is verder geoordeeld dat het ook een uitdrukkelijke keuze van de wetgever is om ouders en kinderen dezelfde mogelijkheden van schadevergoeding te geven, maar de aanvraag via de ouders te laten lopen. De verzoeken om (immateriële) schadevergoeding werden afgewezen omdat niet is gebleken van onrechtmatig genomen besluiten in die procedures. Ook is meermaals geoordeeld dat de persoonlijke dossiers van de ouders niet hoeven worden te overgelegd door Dienst Toeslagen.
8. Verder merkt de rechtbank op dat de gronden van eiser gelijkluidend zijn aan de aangevoerde gronden in voorgenoemde zaken. De gemachtigde van eiser is ook de gemachtigde in die andere zaken geweest. Er is geen toelichting gegeven en er zijn geen argumenten aangevoerd waarom er in deze zaken anders geoordeeld zou moeten worden. Ook weet de rechtbank weinig van eisers persoonlijke situatie. In het beroepschrift is alleen een opsomming opgenomen van algemeen geformuleerde omstandigheden over kinderen van gedupeerde ouders, welke opsomming in veel dossiers van deze gemachtigde voorkomt. Aangezien eiser zich heeft afgemeld voor de zitting, heeft de rechtbank bovendien ook tijdens de zitting niets gehoord over eisers ervaringen en situatie. Ook hieruit kan de rechtbank daarom niet opmaken dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat er toch andere conclusies getrokken moeten worden dan in de eerdere uitspraken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om over de aangevoerde beroepsgronden in deze zaak anders te oordelen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Dienst Toeslagen terecht een tegemoetkoming van € 10.000,- aan eiser heeft toegekend.
10. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
11. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het schadevergoedingsverzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr.A.L.K. Dagmar, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2025.
griffier
De rechter is verhinderd te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 31 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:230, 15 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:101, 25 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6483, 21 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7501 en 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7363.