Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-25
ECLI:NL:RBMNE:2025:1658
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,922 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/880
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 29 januari 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 19 februari 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op het Woo-verzoek is verstreken. Eiser heeft zijn verzoek ingediend op 23 september 2024. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Bij brief van 27 september 2024 heeft verweerder het verzoek bevestigd en verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Op 2 oktober 2024 heeft verweerder eiser verzocht om zijn Woo-verzoek te preciseren. Het Woo-verzoek is door eiser gepreciseerd op 16 oktober 2024. In verband met de opschorting in afwachting van de precisering, is de starttermijn voor de behandeling van het Woo-verzoek 20 november 2024 geworden. Verweerder had naar eigen zeggen uiterlijk op 3 januari 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 3 januari 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder heeft in zijn verweerschrift verzocht om een langere beslistermijn en dan wel tot en met 16 juni 2025. In het verweerschrift staat dat de reden dat er nog geen besluit is genomen, is gelegen in het zeer omvangrijke verzoek. Het verzoek beslaat vrijwel alle interne en externe communicatie met betrekking tot het wetsvoorstel aanpak dierenmishandeling en dierwaarlozing over een periode van zes jaar. De inventarisatie van de documenten die binnen de reikwijdte vallen, heeft veel tijd gekost. Deze inventarisatie is inmiddels afgerond en er zijn meer dan duizend documenten geïnventariseerd. Verweerder erkent dat het verzoek niet binnen de gestelde termijn van zes weken is afgehandeld en verwacht dat het verzoek, gelet op de beschikbare capaciteit van de betrokken medewerkers, uiterlijk 16 juni 2025 is afgerond.
6. Gelet op wat verweerder heeft aangevoerd, is naar oordeel van de rechtbank sprake van een bijzonder geval en ziet de rechtbank aanleiding om verweerder een langere beslistermijn toe te kennen. De rechtbank draagt verweerder op uiterlijk 16 juni 2025 een beslissing te nemen op het verzoek van eiser.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
9. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 16 juni 2025 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- dat eiser heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/880
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 29 januari 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 19 februari 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op het Woo-verzoek is verstreken. Eiser heeft zijn verzoek ingediend op 23 september 2024. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Bij brief van 27 september 2024 heeft verweerder het verzoek bevestigd en verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Op 2 oktober 2024 heeft verweerder eiser verzocht om zijn Woo-verzoek te preciseren. Het Woo-verzoek is door eiser gepreciseerd op 16 oktober 2024. In verband met de opschorting in afwachting van de precisering, is de starttermijn voor de behandeling van het Woo-verzoek 20 november 2024 geworden. Verweerder had naar eigen zeggen uiterlijk op 3 januari 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 3 januari 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder heeft in zijn verweerschrift verzocht om een langere beslistermijn en dan wel tot en met 16 juni 2025. In het verweerschrift staat dat de reden dat er nog geen besluit is genomen, is gelegen in het zeer omvangrijke verzoek. Het verzoek beslaat vrijwel alle interne en externe communicatie met betrekking tot het wetsvoorstel aanpak dierenmishandeling en dierwaarlozing over een periode van zes jaar. De inventarisatie van de documenten die binnen de reikwijdte vallen, heeft veel tijd gekost. Deze inventarisatie is inmiddels afgerond en er zijn meer dan duizend documenten geïnventariseerd. Verweerder erkent dat het verzoek niet binnen de gestelde termijn van zes weken is afgehandeld en verwacht dat het verzoek, gelet op de beschikbare capaciteit van de betrokken medewerkers, uiterlijk 16 juni 2025 is afgerond.
6. Gelet op wat verweerder heeft aangevoerd, is naar oordeel van de rechtbank sprake van een bijzonder geval en ziet de rechtbank aanleiding om verweerder een langere beslistermijn toe te kennen. De rechtbank draagt verweerder op uiterlijk 16 juni 2025 een beslissing te nemen op het verzoek van eiser.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
9. Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 16 juni 2025 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- dat eiser heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.