Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-16
ECLI:NL:RBMNE:2025:1654
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,722 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/566198 / HA ZA 23-729
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. S. Yildirim te Utrecht,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. B. Mor-Yazir te Utrecht.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
22 november 2023: de dagvaarding met producties 1 tot en met 7,
8 februari 2024: de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5,
25 maart 2025: de mondelinge behandeling, gehouden in aanwezigheid van partijen en
hun advocaten. Tevens was aanwezig dhr. E. Battaloglu, tolk, voor de man.
Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [1996] te [plaats 1] (Turkije) met elkaar gehuwd. Zij hebben twee meerderjarige dochters.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van [2022] is tussen partijen, op hun gemeenschappelijke verzoek daartoe, de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [2022] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.
2.3.
Partijen hebben op 28 oktober 2022 een echtscheidingsconvenant ondertekend.
Het convenant maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking en is voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
Dit convenant, verder ook wel te noemen het Nederlandse covenant, is opgesteld door de toenmalige gezamenlijke advocaat van partijen. In artikel 3 van het convenant is de verdeling van de huwelijksgemeenschap opgenomen. Kort gezegd komt de verdeling op het volgende neer:
aan de vrouw worden toegedeeld de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] , met de daaraan gekoppelde hypotheek en het saldo op een bankrekening;
aan de man worden toegedeeld een stuk grond in de stad [plaats 1] , Turkije, een vijftal grafrechten en het saldo op een andere bankrekening.
Verder is in het convenant het volgende opgenomen:
- aan de dochters van partijen worden ‘toegedeeld’ een appartement in Turkije, een bouwproject van een woning in Turkije en de auto: Toyota ( [kenteken] );
de man is ter zake van de auto met € 5.000,- gecompenseerd;
de man is uit hoofde van de verdeling wegens overbedeling € 280,- aan de vrouw verschuldigd.
2.5.
In Turkije heeft de man een procedure gestart om de Nederlandse echtscheiding te erkennen. Partijen hebben ten behoeve hiervan op 27 december 2022 nogmaals een echtscheidingsconvenant ondertekend. Dit convenant, verder ook wel te noemen: het Turkse convenant, is in het Turks opgesteld door de Turkse advocaat van de man en regelt de verdeling van de onroerende goederen in Turkije en de grafrechten.
Geschil
3.1.
De man vordert het volgende:
Primair: het op 28 oktober 2022 gesloten echtscheidingsconvenant te vernietigen;
Subsidiair: voor recht te verklaren dat dit echtscheidingsconvenant door dwaling, bedrog, misbruik van omstandigheden of onrechtmatige daad tot stand is gekomen en dat het echtscheidingsconvenant daarom dient te worden vernietigd;
Meer subsidiair: voor recht te verklaren dat dit echtscheidingsconvenant door de rechtbank wordt ontbonden;
Voor recht te verklaren dat partijen met dit echtscheidingsconvenant geen verdeling van de huwelijksgemeenschap hebben gerealiseerd;
De vrouw te veroordelen om over te gaan tot verdeling; met een dwangom;
De vrouw te veroordelen om mee te werken aan de verkoop/overdracht van alle roerende en onroerende zaken van partijen;
De vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De vrouw voert verweer. Zij vraagt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, dan wel zijn vorderingen af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De man had ten tijde van het huwelijk uitsluitend de Turkse nationaliteit. De vrouw had zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. De man is op 16 maart 1997 naar Nederland gekomen om zich te voegen bij zijn in Nederland wonende vrouw. Partijen, die gehuwd zijn op [1996] , hadden dus geen gemeenschappelijke eerste huwelijksdomicilie. Omdat de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van het huwelijk de Turkse was en zowel Nederland als Turkije zogenoemde nationaliteitslanden zijn, werd op hun huwelijksgoederenregime, volgens het naar Nederlands internationaal privaat recht geldende Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978, het Turkse recht van toepassing. Nadat partijen beiden 10 jaar in Nederland woonden, dus in 2007, werd op hun huwelijksvermogensregime het Nederlandse recht van toepassing.
Hiermee ontstond een algehele gemeenschap van goederen, volgens oud recht, zij het dat op de activa en passiva die partijen voordien bezaten het Turkse recht van toepassing bleef (wagonstelsel). Partijen zijn het erover eens dat de zaken die genoemd worden in de beide convenanten na 2007 zijn verkregen en dus in de wettelijke gemeenschap van goederen vielen. Partijen zijn het er overigens ook over eens dat deze goederen volgens Turks recht van hen gemeenschappelijk waren.
4.2.
De man heeft als grondslag voor zijn vorderingen primair gesteld dat hij er tijdens de procedure in Turkije achter is gekomen dat de vrouw in september 2022, dus vóór het op 28 oktober 2022 gesloten Nederlandse convenant, heimelijk de in dat convenant genoemde onroerende zaken die zich in Turkije bevinden, heeft verkocht/overgedragen aan de dochters van partijen. De man heeft gesteld dat deze onroerende zaken daarmee geen deel meer uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap toen het convenant werd getekend, dat dit convenant aldus onder invloed van een wilsgebrek of door een onrechtmatige daad tot stand is gekomen en daarom moet worden vernietigd. Als hij dat allemaal eerder had geweten, was hij nooit akkoord gegaan met wat er in het echtscheidingsconvenant is opgenomen, aldus de man. De man stelt verder dat hij het stuk grond in [plaats 1] wat hem is toebedeeld nooit heeft gekregen.
4.3.
De vrouw heeft de overdracht van de desbetreffende onroerende zaken aan de dochters van partijen in september 2022 bevestigd. Zij stelt echter dat dit met medeweten van de man is gebeurd. Verder heeft zij gewezen op het door partijen ten behoeve van de procedure in Turkije op 27 december 2022 ondertekende echtscheidingsconvenant, verder ook wel te noemen: het Turkse convenant. Dit convenant bevat een verdeling met een zelfde strekking als het Nederlandse convenant ten aanzien van de onroerende zaken in Turkije. Ook volgens dit convenant zal de man het stuk grond in [plaats 1] krijgen, om welke reden daarin expliciet is opgenomen dat de beide dochters dit aan hun vader zullen overdragen. Verder komen de overige onroerende zaken in Turkije aan de dochters toe volgens dit Turkse convenant.
4.4.
De stelling van de man dat hij voorafgaand aan de sluiting van het Nederlandse convenant niet wist dat de desbetreffende onroerende zaken al in september 2022 aan de beide dochters van partijen waren overgedragen is in het licht van de betwisting daarvan door de vrouw niet vast komen staan. Integendeel, er bestaat geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de man hier niet van op de hoogte was. In het door hem ongeveer zes weken later, op 27 december 2022 getekende Turkse convenant staat heel expliciet de overdracht in september 2022 van de onroerende zaken aan de dochters vermeld ‘met een vrijwillig en gezamenlijk besluit van de partijen’. Dit convenant is, zoals de vrouw onbetwist heeft gesteld, door de Turkse advocaat van de man opgesteld. De man wist dus van de overdracht, ook al op 28 oktober 2022. Dat de man het Turkse convenant zoals hij stelt in vertrouwen heeft getekend, zonder het te lezen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Overigens betekent dat nog niet dat de man niet bekend was met de inhoud. Zijn eigen advocaat heeft het convenant opgesteld. Naar aangenomen mag worden heeft die advocaat dat heeft gedaan in overleg met en op aanwijzen van de man.
4.5.
De man heeft verder nog gesteld dat het Turkse convenant slechts een uitnodiging betrof tot overleg, dat hij volgens zijn Turkse advocaat met een gerust hart kon tekenen omdat het zonder diens handtekening toch geen rechtskracht zou hebben. Dat het slechts ging een uitnodiging tot overleg betrof blijkt nergens uit. De man en de vrouw hebben het Turkse convenant beiden ondertekend. Daarom staat vast dat hun beider wil op dat moment gericht was op een zelfde verdeling van de in Turkije gelegen onroerende zaken als zij in het Nederlandse convenant op 28 oktober 2022 waren overeengekomen. Overigens staat slechts de rechtsgeldigheid van het Nederlandse convenant in deze procedure ter discussie, niet de rechtsgeldigheid van het Turkse convenant.
4.6.
Gelet op het vorenstaande is van bedrog of onrechtmatigheid bij de totstandkoming van het Nederlandse convenant geen sprake geweest.
4.7.
Dat het Nederlandse echtscheidingsconvenant leidt tot benadeling van de man voor tenminste een kwart en tot ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw, hetgeen de man heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de betwisting door de vrouw, evenmin vast komen te staan. Indien de man hiermee had willen betogen dat aan zijn zijde sprake is geweest van dwaling over de waarde van de te verdelen boedelbestanddelen had het op zijn weg gelegen concreet aan te geven en te onderbouwen van welke waarde hij bij de verdeling is uitgegaan en wat de daadwerkelijke waarde achteraf beschouwd is geweest. De man heeft daar niet aan voldaan. Hij heeft enkel ter zitting pas aangevoerd dat hij € 5.000,- heeft gekregen voor de auto, terwijl die volgens hem € 18.000,- waard was en dat de overwaarde van de voormalige echtelijke woning groter was dan de waarde van het aan hem toegedeelde stuk grond in Turkije. De vrouw heeft dit laatste betwist. Volgens haar is er een evenwichtige verdeling tot stand gekomen. De man heeft geen nadere onderbouwing gegeven en ook geen enkel bewijsstuk in de procedure ingebracht over de waarde van de boedelbestanddelen.
4.8.
Voor zover de benadeling gelegen zou zijn in de ‘toedeling’ aan de dochters van enkele in Turkije gelegen onroerende zaken is van belang dat de vrouw heeft gesteld dat de overdracht van een deel van het vermogen aan de dochters de wens en de bedoeling was van partijen. De man heeft dit ter zitting ook erkend. Uit hetgeen hij daarover heeft verklaard volgt dat hij nu vindt hij dat de dochters dit niet meer verdienen omdat zij geen contact meer met hem willen. Voor zover een eventuele benadeling van de man voor meer dan een kwart gelegen zou zijn in de ‘toedeling’ aan de dochters van onroerende zaken in Turkije heeft hij dit uitdrukkelijk aanvaard en is slechts sprake van spijt achteraf. Het Nederlandse convenant is met juridische bijstand van de advocaat van partijen opgesteld, zodat aangenomen mag worden dat de man behoorlijk over zijn rechten is geinformeerd. Tot slot zij vermeld dat partijen in het convenant zijn overeengekomen dat, mocht toch sprake zijn van overbedeling van de vrouw deze overbedeling plaatsvindt uit hoofde van een dringende reden van moraal en fatsoen van de zijde van de man, inhoudende dat hij ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw en de kinderen behoorlijk gehuisvest zijn.
4.9.
Uit de rechtoverwegingen 4.7. en 4.8 volgt dat ook het beroep op dwaling van de man faalt.
4.10.
Hetzelfde geldt voor het beroep op misbruik van omstandigheden. De man heeft daartoe niet meer aangevoerd dan dat de vrouw in het huwelijk een dominante rol speelde en niet van hem wilde scheiden als hij niet met de verdeling zou instemmen.
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst het door de man gevorderde af,
5.2.
veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 3.858,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, rechter, in tegenwoordigheid van M.E. van den Akker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/566198 / HA ZA 23-729
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. S. Yildirim te Utrecht,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. B. Mor-Yazir te Utrecht.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
22 november 2023: de dagvaarding met producties 1 tot en met 7,
8 februari 2024: de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5,
25 maart 2025: de mondelinge behandeling, gehouden in aanwezigheid van partijen en
hun advocaten. Tevens was aanwezig dhr. E. Battaloglu, tolk, voor de man.
Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [1996] te [plaats 1] (Turkije) met elkaar gehuwd. Zij hebben twee meerderjarige dochters.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van [2022] is tussen partijen, op hun gemeenschappelijke verzoek daartoe, de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [2022] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.
2.3.
Partijen hebben op 28 oktober 2022 een echtscheidingsconvenant ondertekend.
Het convenant maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking en is voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
Dit convenant, verder ook wel te noemen het Nederlandse covenant, is opgesteld door de toenmalige gezamenlijke advocaat van partijen. In artikel 3 van het convenant is de verdeling van de huwelijksgemeenschap opgenomen. Kort gezegd komt de verdeling op het volgende neer:
aan de vrouw worden toegedeeld de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] , met de daaraan gekoppelde hypotheek en het saldo op een bankrekening;
aan de man worden toegedeeld een stuk grond in de stad [plaats 1] , Turkije, een vijftal grafrechten en het saldo op een andere bankrekening.
Verder is in het convenant het volgende opgenomen:
- aan de dochters van partijen worden ‘toegedeeld’ een appartement in Turkije, een bouwproject van een woning in Turkije en de auto: Toyota ( [kenteken] );
de man is ter zake van de auto met € 5.000,- gecompenseerd;
de man is uit hoofde van de verdeling wegens overbedeling € 280,- aan de vrouw verschuldigd.
2.5.
In Turkije heeft de man een procedure gestart om de Nederlandse echtscheiding te erkennen. Partijen hebben ten behoeve hiervan op 27 december 2022 nogmaals een echtscheidingsconvenant ondertekend. Dit convenant, verder ook wel te noemen: het Turkse convenant, is in het Turks opgesteld door de Turkse advocaat van de man en regelt de verdeling van de onroerende goederen in Turkije en de grafrechten.
Geschil
3.1.
De man vordert het volgende:
Primair: het op 28 oktober 2022 gesloten echtscheidingsconvenant te vernietigen;
Subsidiair: voor recht te verklaren dat dit echtscheidingsconvenant door dwaling, bedrog, misbruik van omstandigheden of onrechtmatige daad tot stand is gekomen en dat het echtscheidingsconvenant daarom dient te worden vernietigd;
Meer subsidiair: voor recht te verklaren dat dit echtscheidingsconvenant door de rechtbank wordt ontbonden;
Voor recht te verklaren dat partijen met dit echtscheidingsconvenant geen verdeling van de huwelijksgemeenschap hebben gerealiseerd;
De vrouw te veroordelen om over te gaan tot verdeling; met een dwangom;
De vrouw te veroordelen om mee te werken aan de verkoop/overdracht van alle roerende en onroerende zaken van partijen;
De vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De vrouw voert verweer. Zij vraagt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, dan wel zijn vorderingen af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De man had ten tijde van het huwelijk uitsluitend de Turkse nationaliteit. De vrouw had zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. De man is op 16 maart 1997 naar Nederland gekomen om zich te voegen bij zijn in Nederland wonende vrouw. Partijen, die gehuwd zijn op [1996] , hadden dus geen gemeenschappelijke eerste huwelijksdomicilie. Omdat de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van het huwelijk de Turkse was en zowel Nederland als Turkije zogenoemde nationaliteitslanden zijn, werd op hun huwelijksgoederenregime, volgens het naar Nederlands internationaal privaat recht geldende Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978, het Turkse recht van toepassing. Nadat partijen beiden 10 jaar in Nederland woonden, dus in 2007, werd op hun huwelijksvermogensregime het Nederlandse recht van toepassing.
Hiermee ontstond een algehele gemeenschap van goederen, volgens oud recht, zij het dat op de activa en passiva die partijen voordien bezaten het Turkse recht van toepassing bleef (wagonstelsel). Partijen zijn het erover eens dat de zaken die genoemd worden in de beide convenanten na 2007 zijn verkregen en dus in de wettelijke gemeenschap van goederen vielen. Partijen zijn het er overigens ook over eens dat deze goederen volgens Turks recht van hen gemeenschappelijk waren.
4.2.
De man heeft als grondslag voor zijn vorderingen primair gesteld dat hij er tijdens de procedure in Turkije achter is gekomen dat de vrouw in september 2022, dus vóór het op 28 oktober 2022 gesloten Nederlandse convenant, heimelijk de in dat convenant genoemde onroerende zaken die zich in Turkije bevinden, heeft verkocht/overgedragen aan de dochters van partijen. De man heeft gesteld dat deze onroerende zaken daarmee geen deel meer uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap toen het convenant werd getekend, dat dit convenant aldus onder invloed van een wilsgebrek of door een onrechtmatige daad tot stand is gekomen en daarom moet worden vernietigd. Als hij dat allemaal eerder had geweten, was hij nooit akkoord gegaan met wat er in het echtscheidingsconvenant is opgenomen, aldus de man. De man stelt verder dat hij het stuk grond in [plaats 1] wat hem is toebedeeld nooit heeft gekregen.
4.3.
De vrouw heeft de overdracht van de desbetreffende onroerende zaken aan de dochters van partijen in september 2022 bevestigd. Zij stelt echter dat dit met medeweten van de man is gebeurd. Verder heeft zij gewezen op het door partijen ten behoeve van de procedure in Turkije op 27 december 2022 ondertekende echtscheidingsconvenant, verder ook wel te noemen: het Turkse convenant. Dit convenant bevat een verdeling met een zelfde strekking als het Nederlandse convenant ten aanzien van de onroerende zaken in Turkije. Ook volgens dit convenant zal de man het stuk grond in [plaats 1] krijgen, om welke reden daarin expliciet is opgenomen dat de beide dochters dit aan hun vader zullen overdragen. Verder komen de overige onroerende zaken in Turkije aan de dochters toe volgens dit Turkse convenant.
4.4.
De stelling van de man dat hij voorafgaand aan de sluiting van het Nederlandse convenant niet wist dat de desbetreffende onroerende zaken al in september 2022 aan de beide dochters van partijen waren overgedragen is in het licht van de betwisting daarvan door de vrouw niet vast komen staan. Integendeel, er bestaat geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de man hier niet van op de hoogte was. In het door hem ongeveer zes weken later, op 27 december 2022 getekende Turkse convenant staat heel expliciet de overdracht in september 2022 van de onroerende zaken aan de dochters vermeld ‘met een vrijwillig en gezamenlijk besluit van de partijen’. Dit convenant is, zoals de vrouw onbetwist heeft gesteld, door de Turkse advocaat van de man opgesteld. De man wist dus van de overdracht, ook al op 28 oktober 2022. Dat de man het Turkse convenant zoals hij stelt in vertrouwen heeft getekend, zonder het te lezen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Overigens betekent dat nog niet dat de man niet bekend was met de inhoud. Zijn eigen advocaat heeft het convenant opgesteld. Naar aangenomen mag worden heeft die advocaat dat heeft gedaan in overleg met en op aanwijzen van de man.
4.5.
De man heeft verder nog gesteld dat het Turkse convenant slechts een uitnodiging betrof tot overleg, dat hij volgens zijn Turkse advocaat met een gerust hart kon tekenen omdat het zonder diens handtekening toch geen rechtskracht zou hebben. Dat het slechts ging een uitnodiging tot overleg betrof blijkt nergens uit. De man en de vrouw hebben het Turkse convenant beiden ondertekend. Daarom staat vast dat hun beider wil op dat moment gericht was op een zelfde verdeling van de in Turkije gelegen onroerende zaken als zij in het Nederlandse convenant op 28 oktober 2022 waren overeengekomen. Overigens staat slechts de rechtsgeldigheid van het Nederlandse convenant in deze procedure ter discussie, niet de rechtsgeldigheid van het Turkse convenant.
4.6.
Gelet op het vorenstaande is van bedrog of onrechtmatigheid bij de totstandkoming van het Nederlandse convenant geen sprake geweest.
4.7.
Dat het Nederlandse echtscheidingsconvenant leidt tot benadeling van de man voor tenminste een kwart en tot ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw, hetgeen de man heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de betwisting door de vrouw, evenmin vast komen te staan. Indien de man hiermee had willen betogen dat aan zijn zijde sprake is geweest van dwaling over de waarde van de te verdelen boedelbestanddelen had het op zijn weg gelegen concreet aan te geven en te onderbouwen van welke waarde hij bij de verdeling is uitgegaan en wat de daadwerkelijke waarde achteraf beschouwd is geweest. De man heeft daar niet aan voldaan. Hij heeft enkel ter zitting pas aangevoerd dat hij € 5.000,- heeft gekregen voor de auto, terwijl die volgens hem € 18.000,- waard was en dat de overwaarde van de voormalige echtelijke woning groter was dan de waarde van het aan hem toegedeelde stuk grond in Turkije. De vrouw heeft dit laatste betwist. Volgens haar is er een evenwichtige verdeling tot stand gekomen. De man heeft geen nadere onderbouwing gegeven en ook geen enkel bewijsstuk in de procedure ingebracht over de waarde van de boedelbestanddelen.
4.8.
Voor zover de benadeling gelegen zou zijn in de ‘toedeling’ aan de dochters van enkele in Turkije gelegen onroerende zaken is van belang dat de vrouw heeft gesteld dat de overdracht van een deel van het vermogen aan de dochters de wens en de bedoeling was van partijen. De man heeft dit ter zitting ook erkend. Uit hetgeen hij daarover heeft verklaard volgt dat hij nu vindt hij dat de dochters dit niet meer verdienen omdat zij geen contact meer met hem willen. Voor zover een eventuele benadeling van de man voor meer dan een kwart gelegen zou zijn in de ‘toedeling’ aan de dochters van onroerende zaken in Turkije heeft hij dit uitdrukkelijk aanvaard en is slechts sprake van spijt achteraf. Het Nederlandse convenant is met juridische bijstand van de advocaat van partijen opgesteld, zodat aangenomen mag worden dat de man behoorlijk over zijn rechten is geinformeerd. Tot slot zij vermeld dat partijen in het convenant zijn overeengekomen dat, mocht toch sprake zijn van overbedeling van de vrouw deze overbedeling plaatsvindt uit hoofde van een dringende reden van moraal en fatsoen van de zijde van de man, inhoudende dat hij ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw en de kinderen behoorlijk gehuisvest zijn.
4.9.
Uit de rechtoverwegingen 4.7. en 4.8 volgt dat ook het beroep op dwaling van de man faalt.
4.10.
Hetzelfde geldt voor het beroep op misbruik van omstandigheden. De man heeft daartoe niet meer aangevoerd dan dat de vrouw in het huwelijk een dominante rol speelde en niet van hem wilde scheiden als hij niet met de verdeling zou instemmen.
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst het door de man gevorderde af,
5.2.
veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 3.858,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, rechter, in tegenwoordigheid van M.E. van den Akker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.