Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-21
ECLI:NL:RBMNE:2025:1422
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,814 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.253102.23 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 maart 2025
in de strafzaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De rechtszaak tegen [verdachte] heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden op de zitting van 7 maart 2025. Op 7 maart 2025 is de zaak inhoudelijk behandeld. [verdachte] was bij de inhoudelijke behandeling aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak.
De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van [verdachte] zelf, zijn advocaat mr. N.J.H. Lina, gevestigd in Groningen, en de officier van justitie mr. N. Schipper.
2TENLASTELEGGING
De officier van justitie verdenkt [verdachte] ervan dat hij betrokken is geweest bij twee strafbare feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage is opgenomen in dit vonnis.
Kort gezegd verdenkt de officier van justitie [verdachte] ervan dat hij:
Feit 1:
Primair: op 1 oktober 2023 in Utrecht samen met anderen door (bedreiging met) geweld [slachtoffer] heeft afgeperst door:
meermalen met een hamer tegen het raam te slaan en;
een wapen aan die [slachtoffer] te tonen en daarmee te schieten.
Subsidiair: op 1 oktober 2023 in Utrecht samen met anderen door (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer] een geldbedrag en meerdere sloffen sigaretten van [bedrijf 1] heeft gestolen door:
meermalen met een hamer tegen het raam te slaan en;
een wapen aan die [slachtoffer] te tonen en daarmee te schieten.
Feit 2: op 1 oktober 2023 in Utrecht een verboden alarm-/startpistool voorhanden heeft gehad.
3VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen [verdachte] , moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag [verdachte] vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1, primair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd.
4.3
Beoordeling
Bewijsmiddelen
[verdachte] heeft tijdens de zitting toegegeven dat hij de feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal daarom niet opschrijven wat er in de bewijsstukken staat, maar alleen opsommen welke bewijsstukken zij voor de bewezenverklaring gebruikt. De rechtbank verwijst met voetnoten naar de plaats waar de bewijsstukken in het dossier te vinden zijn.
De bewijsmiddelen zijn:
de bekennende verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 7 maart 2025;
een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] ;
- een proces-verbaal van bevindingen over het aantreffen van het alarmpistool en de link naar de overval op het tankstation;
- een proces-verbaal van bevindingen over de categorisering van het alarmpistool.
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.
Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
De rechtbank acht bewezen dat door de gedragingen van medeverdachten in het tankstation het slachtoffer zich gedwongen heeft gevoeld om de spullen af te geven, zodat sprake is van afpersing en niet van diefstal met bedreiging met geweld. De rechtbank vindt dan ook voor feit 1 het primair tenlastegelegde bewezen.
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :
Feit 1, primair
op 1 oktober 2023 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en meerdere sloffen sigaretten, die geheel aan [bedrijf 1] toebehoorden door:- meermalen met een hamer tegen het raam te slaan waarachter die [slachtoffer] zat en - een wapen, aan die [slachtoffer] te tonen en daarmee te schieten;
Feit 2
op 1 oktober 2023 te Utrecht een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarm-/startpistool voorhanden heeft gehad;
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Als een verdachte zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is zijn gedrag niet in strijd met het recht. Het is niet gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond bestond voor de door [verdachte] gepleegde feiten. De door [verdachte] gepleegde feiten zijn dus strafbaar.
De wet noemt de door [verdachte] gepleegde feiten:
Feit 1, primair: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en
Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
7STRAFBAARHEID VAN [verdachte]
Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Als een verdachte zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond is zijn gedrag niet verwijtbaar. Het is niet gebleken dat verdachte een beroep kan doen op zo’n schulduitsluitingsgrond. [verdachte] is dus strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming;
- een taakstraf in de vorm van een leerstraf van 20 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, bestaande uit Tools4U;
- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanvullende werkstraf dient te worden opgelegd en het te houden bij een voorwaardelijke jeugddetentie en de leerstraf bestaande uit Tools4U. Zij heeft hierbij gewezen op de rolverdeling, het feit dat [verdachte] geen geweld heeft gepleegd en daarmee ook niet heeft gedreigd. Ook kwam het idee niet van hem, wees ze op de open houding van [verdachte] en het feit dat hij spijt heeft betuigd. Tot slot noemde de raadsvrouw dat het lang heeft geduurd voordat de zaak op zitting is gekomen en dat [verdachte] al een tijdje heeft vastgezeten. De raadsvrouw heeft aan de rechtbank verzocht om in het vonnis op te nemen dat deze veroordeling het verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag (VOG) niet in de weg hoeft te staan.
8.3
Beoordeling
De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst
van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder [verdachte] die feiten heeft gepleegd en de
persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij deze straf
heeft bepaald.
Ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen plegen van een overval op een [bedrijf 2] in Utrecht. [verdachte] heeft op de uitkijk gestaan terwijl de medeverdachten in het zwart gekleed het tankstation binnengegaan zijn. [verdachte] heeft van één van de medeverdachten tijdens de overval het alarmpistool overgenomen. Met dat alarmpistool is daarvóór door één van de medeverdachten binnen in het tankstation geschoten. Ook is het alarmpistool gericht op de kassamedewerker. De andere medeverdachte heeft met een hamer tegen de kassaruit geslagen. De kassamedewerker heeft aan de medeverdachten een geldbedrag en meerdere sloffen sigaretten afgestaan.
De rechtbank overweegt dat deze daad zeer beangstigend moet zijn geweest voor het
slachtoffer.
De ervaring leert dat slachtoffers van ernstige gebeurtenissen zoals een
overval met wapens nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van wat
hen is overkomen. Zo blijkt ook uit de aangifte van het slachtoffer. Hij sliep slecht na de overval. De rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij lichtzinnig is omgegaan met deze vervelende gevolgen voor het slachtoffer. Hij dacht alleen aan het plan om samen met de medeverdachten snel aan geld te komen. [verdachte] heeft weliswaar zelf niet gedreigd met geweld, maar door op de uitkijk te staan en gezien zijn handelingen voorafgaand aan het feit en na afloop daarvan heeft hij de medeverdachten wel geholpen de overval te plegen.
De persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat hij niet eerder bij de strafrechter is geweest.
Over [verdachte] is door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) een rapport opgesteld op 4 maart 2025. Uit het rapport blijkt dat [verdachte] moeite heeft met het nakomen van afspraken: hij komt vaak te laat, zegt afspraken af en is niet altijd eerlijk over zijn situatie. Het dynamisch risicoprofiel van [verdachte] scoort ‘midden’. Hoewel er op dit moment geen signalen zijn dat [verdachte] opnieuw een strafbaar feit gaat plegen, neemt de Raad zijn eigen zorgen over een terugval serieus. Het weegt namelijk zwaar op [verdachte] dat de problemen bij het verkrijgen van een VOG zijn kansen op de arbeidsmarkt mogelijk verkleinen. Ook is sinds het delict weinig van de grond gekomen ten aanzien van bijvoorbeeld dagbesteding, school en/of werk. Om te voorkomen dat [verdachte] opnieuw in aanraking komt met politie en justitie adviseert de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie onder de algemene voorwaarden en de volgende bijzondere voorwaarden: (I) [verdachte] moet zich inzetten voor begeleiding vanuit de IFAcoach (Levvel) en (II) hij moet zich inzetten voor begeleiding en mogelijke behandeling vanuit de Waag of Lucertis. Aanvullend adviseert de Raad om een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een leerstraf op te leggen, te weten de gedragsinterventie Tools4U.
Straf
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen
vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank heeft gelet op de persoonlijke
omstandigheden van [verdachte] en heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden
opgelegd. De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor een overval op een winkel uit van jeugddetentie vanaf 4 maanden. Strafverzwarende factoren hierbij zijn dat [verdachte] het feit met anderen heeft gepleegd en in de nachtelijke uren. De rechtbank vindt gelet op de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] niet dat [verdachte] nog terug moet naar de jeugdgevangenis. De rechtbank vindt gelet op de ernst van de feiten dat [verdachte] nog wel straf moet krijgen voor wat hij heeft gedaan. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de rol van [verdachte] tijdens het feit, het feit dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en spijt heeft betuigd. Daarom zal de rechtbank zowel de door de officier van justitie geëiste (voorwaardelijke) jeugddetentie als de werkstraf iets matigen. De rechtbank constateert tot slot dat de redelijke termijn met iets meer dan een maand is overschreden. Gelet op de zeer beperkte overschrijding van de redelijke termijn volstaat de rechtbank met een constatering daarvan.
Alles overwegende legt de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie op van 120 dagen met
aftrek van het voorarrest, waarvan 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
[verdachte] heeft al 50 dagen in voorarrest gezeten.
Deze straf betekent dat [verdachte] op dit moment niet opnieuw naar de jeugdgevangenis moet, tenzij hij zich tijdens de proeftijd niet houdt aan de algemene en bijzondere voorwaarden zoals hieronder opgenomen in de beslissing van de rechtbank. Daarnaast legt de rechtbank aan [verdachte] een taakstraf op in de vorm van een werkstraf van 50 uur en een taakstraf in de vorm van een leerstraf voor de duur van 20 uur, bestaande uit Tools4U. Als [verdachte] de werkstraf niet (goed) verricht, staan hier 25 dagen vervangende jeugddetentie tegenover en als [verdachte] de leerstraf niet (goed) verricht, staan hier 10 dagen vervangende jeugddetentie tegenover.
Gelet op voorgaande beslissing zal de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
Verklaring omtrent het gedrag (VOG)
De raadsvrouw heeft verzocht om in dit vonnis op te nemen dat deze veroordeling het verkrijgen van een VOG niet in de weg hoeft te staan. De rechtbank stelt voorop dat de beslissing over het verkrijgen van een VOG niet bij de rechtbank ligt maar bij Dienst Justis. Het verstrekken of weigeren van een VOG is van allerlei omstandigheden afhankelijk, zo ook van welke functie [verdachte] mogelijk zou willen bekleden. Tijdens de zitting is niet naar voren gekomen voor wat voor soort functie [verdachte] op dit moment concreet een VOG zou willen verkrijgen. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook, gelet op het beoordelingskader, niet passend om in het algemeen te overwegen dat deze veroordeling het verkrijgen van een VOG niet in de weg hoeft te staan in de toekomst. Als de VOG-procedure voor [verdachte] in de toekomst concreet aan de orde komt, is het aan Dienst Justis om rekening te houden met de jeugdige leeftijd van [verdachte] en met de aard en ernst van de feiten en de overwegingen van de rechtbank daarover in dit vonnis. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsvrouw ten aanzien van de VOG dus af.
9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Dictum
47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht en
26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het onder feit 1, primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart [verdachte] strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 120 dagen;
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 70 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
Algemene voorwaarden
- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bijzondere voorwaarden
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :
zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding zal blijven melden bij de De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Haarlem, gedurende een door deze jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd), zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk vindt. [verdachte] moet zich houden aan alle aanwijzingen die de jeugdreclassering hem geeft;
zich inzet voor de begeleiding vanuit de IFAcoach (Levvel) of een soortgelijke organisatie, zolang als de jeugdreclasseerder dit nodig acht;
zich inzet voor de begeleiding en mogelijke behandeling vanuit de waag of Lucertis of een soortgelijke organisatie, zolang als de jeugdreclasseerder dit nodig acht.
- waarbij aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Haarlem opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een leerstraf van 20 uren, bestaande uit Tools4U;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de leerstraf niet of niet naar behoren verricht de leerstraf wordt vervangen door 10 dagen jeugddetentie;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 50 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 25 dagen jeugddetentie;
Voorlopige hechtenis
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, mr. N.M.H. van Ek, (kinder)rechter en mr. I. Jadib, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. Matser, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 maart 2025.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 1 oktober 2023 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en/of een of meerdere sloffen sigaretten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] en/of een derde toebehoorde(n) door:- (meermalen) met een hamer tegen het raam te slaan waarachter die [slachtoffer] zat en/of- een wapen, althans een op een wapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen en/of daarmee te schieten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 oktober 2023 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag en/of een of meerdere sloffen sigaretten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- (meermalen) met een hamer tegen het raam te slaan waarachter die [slachtoffer] zat en/of- een wapen, althans een op een wapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen en/of daarmee te schieten;;
Feit 2
hij op of omstreeks 1 oktober 2023 te Utrecht een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarm-/startpistool voorhanden heeft gehad.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 3 april 2024, met documentcode 240312.1113.23955, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 413. Tenzij anders vermeld, zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Pagina 92-95.
Pagina 313-319.
Pagina 320-322.