Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-12
ECLI:NL:RBMNE:2025:1328
Civiel recht; Goederenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,076 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland;
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/577366 / HA ZA 24-329
Vonnis van 12 maart 2025
in de zaak van
1 [eiseres sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats] ,3. de vereniging
VERENIGING VAN EIGENAARS [adres 1] TE [plaats],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. R.M. Rijpstra,
tegen
de appartementseigenaren van [adres 2] te [plaats] , te weten:
1. [gedaagde sub 1],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 2] ,
advocaat: B. van Treijen,3. [gedaagde sub 3],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 3] ,
advocaat: mr. J.J.M.I. Kamsteeg,4. [gedaagde sub 4],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 4] ,
niet verschenen,
5. [gedaagde sub 5],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 5] ,
advocaat: D.S. Muller,gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van de rechtbank Gelderland van 12 juni 2024 waarin de zaak is verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland;
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2 van [gedaagde sub 3] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2024. Hierbij waren alle advocaten en [gedaagde sub 3] aanwezig.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
Eisers zijn eigenaars/gebruikers van de woningen en een bedrijfspand aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: het heersend erf). Om vanaf de achterzijde van dit pand naar de openbare weg ( [straat] ) te komen is een erfdienstbaarheid van overpad (hierna: de erfdienstbaarheid) gevestigd ten laste van (onder meer) de [adres 2] te [plaats] (hierna: het dienend erf). Op het dienend erf wordt door [bedrijf] B.V. (hierna: de projectontwikkelaar) een appartementencomplex ontwikkeld. Dit appartementencomplex is in een splitsingsakte (onder meer) gesplitst in vijf appartementen met bijbehorende parkeerplaatsen. Gedaagden zijn ieder eigenaar van één van deze appartementen en bijbehorende parkeerplaats(en).
2.2.
Eisers vorderen een verklaring voor recht dat de rechten en bevoegdheden van het heersende erf op grond van de erfdienstbaarheid prevaleren boven de rechten en bevoegdheden van gedaagden uit de splitsingsakte. Daarnaast vorderen zij dat het gedaagden verboden wordt om de vrije doorgang van de gebruikers van het heersend erf te belemmeren. De rechtbank zal de verklaring voor recht toewijzen. Daarnaast zal de rechtbank een deel van de gedaagden verbieden om het recht van overpad te belemmeren.
Beoordeling
Tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] wordt verstek verleend
3.1.
Tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] wordt verstek verleend omdat zij niet zijn verschenen in deze procedure. Omdat [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] wel zijn verschenen, zal op grond van de wet (artikel 140 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) tegen alle gedaagden één vonnis worden gewezen. Dit vonnis is ook ten aanzien van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] een vonnis op tegenspraak en dus geen verstekvonnis.
3.2.
De rechtbank neemt de verweren van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] ook in aanmerkingen bij het beoordelen van de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] . Tussen gedaagden bestaat namelijk een ‘processueel ondeelbare rechtsverhouding’, want het recht van overpad loopt over de (onder)grond waarvan zij samen eigenaar van zijn. Het is daarom noodzakelijk dat voor hen één en dezelfde beslissing komt.
De erfdienstbaarheid
3.3.
De erfdienstbaarheid is in 2003 in een notariële akte gevestigd. In die akte is onder andere bepaald dat het heersende erf over het dienend erf een erfdienstbaarheid van voetpad (dan wel met een fiets of bromfiets met uitgeschakelde motor aan de hand, kinderwagen, vuilniscontainer of elk ander klein voertuig) heeft om te komen en gaan van en naar het heersende erf en de openbare weg ( [straat] ) op de op dat moment bestaande wijze. Daarnaast is bepaald dat het parkeren of op andere wijze versperren van het pad niet is toegestaan.
3.4.
Vervolgens heeft de projectontwikkelaar in 2019 een vergunning voor de bouw van een appartementencomplex op het dienend erf aangevraagd en verkregen. Daarna heeft hij in 2020 het juridisch eigendom van het dienend erf verkregen en is het dienend erf op 26 april 2022 gesplitst in zes appartementsrechten. Deze appartementsrechten omvatten het recht op uitsluitend gebruik van vijf woningen, zes parkeerplaatsen en onverdeelde aandelen in de gemeenschap. Op dit moment is de projectontwikkelaar nog bezig met de bouw van het appartementencomplex.
De erfdienstbaarheid kan niet meer (volledig) worden uitgeoefend
3.5.
Door de plannen van de projectontwikkelaar kunnen eisers hun erfdienstbaarheid niet meer (volledig) uitoefenen. Na ontwikkeling van het appartementencomplex ziet de situatie er als volgt uit:
3.6.
Als op twee van de te ontwikkelen parkeerplaatsen (parkeerplaatsen 1 en 2) een auto of ander voertuig staat, kunnen eisers daar waarschijnlijk niet meer langs en kunnen zij hun recht van erfdienstbaarheid dus niet meer uitoefenen. In de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid is namelijk bepaald dat op het pad niet mag worden geparkeerd en dat het niet op andere wijze mag worden geblokkeerd.
Eisers hebben belang bij de verklaring voor recht
3.7.
Het primaire verweer van (de verschenen) gedaagden was dat eisers geen belang hebben bij een verklaring voor recht omdat overeenstemming is bereikt over het verleggen van het overpad. De projectontwikkelaar had namelijk een oplossing voorgesteld waarbij het overpad zou worden verlegd over de parkeerplaats van [gedaagde sub 1] (deze parkeerplaats is op bovenstaande tekening aangeduid met ‘1’ en hoort bij het appartementsrecht met indexnummer 1) en dat deze parkeerplaats dus zou worden opgeheven. Eisers waren akkoord gegaan met deze oplossing. Om deze oplossing uit te voeren moet echter nog wel de splitsingsakte worden aangepast en dat is tot nu toe (nog) niet gebeurd. Daarom hebben (de verschenen) gedaagden tijdens de mondelinge behandeling erkend dat eisers wel belang hebben bij een verklaring voor recht. Ook de rechtbank is van oordeel dat eisers belang hebben bij hun vordering. Op grond van de wet bestaat een recht van erfdienstbaarheid dat op het ogenblik van de inschrijving van de akte van splitsing rust op het registergoed daarna ongewijzigd voort. De rechtbank zal gelet op de tegenstrijdigheden tussen de erfdienstbaarheid en de splitsingsakte daarom voor recht verklaren dat de rechten en bevoegdheden van het heersende erf prevaleren boven de rechten en bevoegdheden van gedaagden uit de splitsingsakte van 26 april 2022. De rechtbank zal deze verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, aangezien een verklaring voor recht zich daar niet voor leent.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] mogen de vrije doorgang van het pad niet belemmeren
3.8.
De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] verbieden om de vrije doorgang van het pad te belemmeren. De gebruikers van het heersende erf kunnen namelijk geen gebruik maken van de erfdienstbaarheid als op beide parkeerplaatsen (parkeerplaatsen 1 en 2) die aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] toebehoren een auto staat. Omdat de parkeerplaatsen bedoeld zijn om voertuigen op te kunnen parkeren, bestaat er een reëel risico dat de erfdienstbaarheid dan niet meer zal kunnen worden uitgeoefend. Bovendien heeft [gedaagde sub 5] alleen verweer gevoerd tegen de dwangsom en de hoofdelijke verschuldigdheid daarvan en dus niet tegen het verbod. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] daarom verbieden om de vrije doorgang van het pad te belemmeren op de wijze zoals vermeld in het dictum. Vanaf 3.11 zal de rechtbank ingaan op de dwangsom en de hoofdelijke verschuldigdheid daarvan.
3.9.
Ten aanzien van de overige gedaagden, te weten [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , hebben eisers onvoldoende gesteld er een reëel risico bestaat dat de handelingen waarvan zij een verbod vorderen (het belemmeren van de vrije doorgang), door hen zullen worden verricht. Deze gedaagden zijn namelijk eigenaren van parkeerplaatsen waarvan het gebruik niet strijdig is met de erfdienstbaarheid. Eisers hebben voorts nagelaten te stellen en onderbouwen dat er een reëel risico bestaat dat dat het gebruik van het gemeenschappelijke terrein door deze gedaagden ertoe zou leiden dat zij hun erfdienstbaarheid niet meer (onbelemmerd) kunnen uitoefenen. Dit had wel op hun weg gelegen, omdat dit punt expliciet is betwist. Ook ten aanzien van de blinde muur met doorgang – waarvan het nog onduidelijk is of die daadwerkelijk gebouwd is of gaat worden – hebben eisers nagelaten te stellen dat deze doorgang dusdanig is ingericht dat deze het recht van overpad belemmert. Daarnaast hebben de [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ook aangegeven dat zij de erfdienstbaarheid zullen respecteren. Daarom is onvoldoende gebleken dat eisers belang hebben bij een verbod ten aanzien van deze gedaagden. De rechtbank zal deze vordering dus afwijzen.
Bij overtreding van het verbod is een dwangsom verschuldigd
3.10.
Ondanks dat [gedaagde sub 5] heeft aangegeven dat zij de erfdienstbaarheid zal respecteren, zal de rechtbank toch een dwangsom verbinden aan het overtreden door [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 5] van het verbod. De rechtbank zal de dwangsom echter wel matigen en stelt deze vast op € 50,00 per dag, met een maximum van € 20.000,00.
3.11.
De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] niet hoofdelijk veroordelen tot betaling van de dwangsom. Als door één van hen het recht van overpad wordt geblokkeerd, is het niet redelijk dat de ander daardoor ook een dwangsom verbeurt. Het is namelijk niet gebleken dat zij invloed hebben op elkaars gedragingen.
De verschenen gedaagden moeten de proceskosten betalen
3.12.
Alleen de in deze procedure verschenen gedaagden worden veroordeeld om de proceskosten van eisers te betalen.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
verklaart voor recht dat de rechten en bevoegdheden van eisers, zoals verwoord in artikel 14 van de leveringsakte van 1 december 2005 (ingeschreven onder nummer Hyp 4 deel [nummer] ) prevaleren boven de rechten en bevoegdheden van gedaagden uit de splitsingsakte van 26 april 2022 (ingeschreven onder nummer Hyp 4 deel [nummer] );
4.2.
verbiedt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] om de vrije doorgang van de gebruikers van de [adres 1] (het heersend erf) over het perceel kadastraal bekend gemeente Arnhem, sectie [letter] , nummer [nummer] (het dienend erf) te belemmeren, in die zin dat het voor de gebruikers van het heersend erf te allen tijde mogelijk moet zijn zich daarover te verplaatsen te voet, dan wel met een fiets of bromfiets met uitgeschakelde motor aan de hand, kinderwagen, vuilcontainer of elk ander klein voertuig, waarbij over de gehele lengte van het dienende erf een minimale doorgang van 1,5 meter breed verzekerd moet zijn;
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot het betalen van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag waarop [gedaagde sub 1] dit verbod overtreedt, met een maximum van € 20.000,00, een en ander met dien verstande dat de eerste dwangsom pas verbeurt na een daaraan voorafgaande schriftelijke waarschuwing met daarin een éénmalige hersteltermijn van 24 uur;
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 5] tot het betalen van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag waarop [gedaagde sub 5] dit verbod overtreedt, met een maximum van € 20.000,00, een en ander met dien verstande dat de eerste dwangsom pas verbeurt na een daaraan voorafgaande schriftelijke waarschuwing met daarin een éénmalige hersteltermijn van 24 uur;
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.233,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
4.6.
veroordeelt [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2. tot en met 4.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.
TS5596
Artikel 5:114 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815, r.o. 3.10.2.
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland;
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/577366 / HA ZA 24-329
Vonnis van 12 maart 2025
in de zaak van
1 [eiseres sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats] ,3. de vereniging
VERENIGING VAN EIGENAARS [adres 1] TE [plaats],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. R.M. Rijpstra,
tegen
de appartementseigenaren van [adres 2] te [plaats] , te weten:
1. [gedaagde sub 1],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 2] ,
advocaat: B. van Treijen,3. [gedaagde sub 3],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 3] ,
advocaat: mr. J.J.M.I. Kamsteeg,4. [gedaagde sub 4],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 4] ,
niet verschenen,
5. [gedaagde sub 5],
te [plaats] ,
hierna: [gedaagde sub 5] ,
advocaat: D.S. Muller,gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van de rechtbank Gelderland van 12 juni 2024 waarin de zaak is verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland;
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2 van [gedaagde sub 3] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2024. Hierbij waren alle advocaten en [gedaagde sub 3] aanwezig.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
2.1.
Eisers zijn eigenaars/gebruikers van de woningen en een bedrijfspand aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: het heersend erf). Om vanaf de achterzijde van dit pand naar de openbare weg ( [straat] ) te komen is een erfdienstbaarheid van overpad (hierna: de erfdienstbaarheid) gevestigd ten laste van (onder meer) de [adres 2] te [plaats] (hierna: het dienend erf). Op het dienend erf wordt door [bedrijf] B.V. (hierna: de projectontwikkelaar) een appartementencomplex ontwikkeld. Dit appartementencomplex is in een splitsingsakte (onder meer) gesplitst in vijf appartementen met bijbehorende parkeerplaatsen. Gedaagden zijn ieder eigenaar van één van deze appartementen en bijbehorende parkeerplaats(en).
2.2.
Eisers vorderen een verklaring voor recht dat de rechten en bevoegdheden van het heersende erf op grond van de erfdienstbaarheid prevaleren boven de rechten en bevoegdheden van gedaagden uit de splitsingsakte. Daarnaast vorderen zij dat het gedaagden verboden wordt om de vrije doorgang van de gebruikers van het heersend erf te belemmeren. De rechtbank zal de verklaring voor recht toewijzen. Daarnaast zal de rechtbank een deel van de gedaagden verbieden om het recht van overpad te belemmeren.
Beoordeling
Tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] wordt verstek verleend
3.1.
Tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] wordt verstek verleend omdat zij niet zijn verschenen in deze procedure. Omdat [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] wel zijn verschenen, zal op grond van de wet (artikel 140 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) tegen alle gedaagden één vonnis worden gewezen. Dit vonnis is ook ten aanzien van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] een vonnis op tegenspraak en dus geen verstekvonnis.
3.2.
De rechtbank neemt de verweren van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] ook in aanmerkingen bij het beoordelen van de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] . Tussen gedaagden bestaat namelijk een ‘processueel ondeelbare rechtsverhouding’, want het recht van overpad loopt over de (onder)grond waarvan zij samen eigenaar van zijn. Het is daarom noodzakelijk dat voor hen één en dezelfde beslissing komt.
De erfdienstbaarheid
3.3.
De erfdienstbaarheid is in 2003 in een notariële akte gevestigd. In die akte is onder andere bepaald dat het heersende erf over het dienend erf een erfdienstbaarheid van voetpad (dan wel met een fiets of bromfiets met uitgeschakelde motor aan de hand, kinderwagen, vuilniscontainer of elk ander klein voertuig) heeft om te komen en gaan van en naar het heersende erf en de openbare weg ( [straat] ) op de op dat moment bestaande wijze. Daarnaast is bepaald dat het parkeren of op andere wijze versperren van het pad niet is toegestaan.
3.4.
Vervolgens heeft de projectontwikkelaar in 2019 een vergunning voor de bouw van een appartementencomplex op het dienend erf aangevraagd en verkregen. Daarna heeft hij in 2020 het juridisch eigendom van het dienend erf verkregen en is het dienend erf op 26 april 2022 gesplitst in zes appartementsrechten. Deze appartementsrechten omvatten het recht op uitsluitend gebruik van vijf woningen, zes parkeerplaatsen en onverdeelde aandelen in de gemeenschap. Op dit moment is de projectontwikkelaar nog bezig met de bouw van het appartementencomplex.
De erfdienstbaarheid kan niet meer (volledig) worden uitgeoefend
3.5.
Door de plannen van de projectontwikkelaar kunnen eisers hun erfdienstbaarheid niet meer (volledig) uitoefenen. Na ontwikkeling van het appartementencomplex ziet de situatie er als volgt uit:
3.6.
Als op twee van de te ontwikkelen parkeerplaatsen (parkeerplaatsen 1 en 2) een auto of ander voertuig staat, kunnen eisers daar waarschijnlijk niet meer langs en kunnen zij hun recht van erfdienstbaarheid dus niet meer uitoefenen. In de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid is namelijk bepaald dat op het pad niet mag worden geparkeerd en dat het niet op andere wijze mag worden geblokkeerd.
Eisers hebben belang bij de verklaring voor recht
3.7.
Het primaire verweer van (de verschenen) gedaagden was dat eisers geen belang hebben bij een verklaring voor recht omdat overeenstemming is bereikt over het verleggen van het overpad. De projectontwikkelaar had namelijk een oplossing voorgesteld waarbij het overpad zou worden verlegd over de parkeerplaats van [gedaagde sub 1] (deze parkeerplaats is op bovenstaande tekening aangeduid met ‘1’ en hoort bij het appartementsrecht met indexnummer 1) en dat deze parkeerplaats dus zou worden opgeheven. Eisers waren akkoord gegaan met deze oplossing. Om deze oplossing uit te voeren moet echter nog wel de splitsingsakte worden aangepast en dat is tot nu toe (nog) niet gebeurd. Daarom hebben (de verschenen) gedaagden tijdens de mondelinge behandeling erkend dat eisers wel belang hebben bij een verklaring voor recht. Ook de rechtbank is van oordeel dat eisers belang hebben bij hun vordering. Op grond van de wet bestaat een recht van erfdienstbaarheid dat op het ogenblik van de inschrijving van de akte van splitsing rust op het registergoed daarna ongewijzigd voort. De rechtbank zal gelet op de tegenstrijdigheden tussen de erfdienstbaarheid en de splitsingsakte daarom voor recht verklaren dat de rechten en bevoegdheden van het heersende erf prevaleren boven de rechten en bevoegdheden van gedaagden uit de splitsingsakte van 26 april 2022. De rechtbank zal deze verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, aangezien een verklaring voor recht zich daar niet voor leent.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] mogen de vrije doorgang van het pad niet belemmeren
3.8.
De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] verbieden om de vrije doorgang van het pad te belemmeren. De gebruikers van het heersende erf kunnen namelijk geen gebruik maken van de erfdienstbaarheid als op beide parkeerplaatsen (parkeerplaatsen 1 en 2) die aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] toebehoren een auto staat. Omdat de parkeerplaatsen bedoeld zijn om voertuigen op te kunnen parkeren, bestaat er een reëel risico dat de erfdienstbaarheid dan niet meer zal kunnen worden uitgeoefend. Bovendien heeft [gedaagde sub 5] alleen verweer gevoerd tegen de dwangsom en de hoofdelijke verschuldigdheid daarvan en dus niet tegen het verbod. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] daarom verbieden om de vrije doorgang van het pad te belemmeren op de wijze zoals vermeld in het dictum. Vanaf 3.11 zal de rechtbank ingaan op de dwangsom en de hoofdelijke verschuldigdheid daarvan.
3.9.
Ten aanzien van de overige gedaagden, te weten [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , hebben eisers onvoldoende gesteld er een reëel risico bestaat dat de handelingen waarvan zij een verbod vorderen (het belemmeren van de vrije doorgang), door hen zullen worden verricht. Deze gedaagden zijn namelijk eigenaren van parkeerplaatsen waarvan het gebruik niet strijdig is met de erfdienstbaarheid. Eisers hebben voorts nagelaten te stellen en onderbouwen dat er een reëel risico bestaat dat dat het gebruik van het gemeenschappelijke terrein door deze gedaagden ertoe zou leiden dat zij hun erfdienstbaarheid niet meer (onbelemmerd) kunnen uitoefenen. Dit had wel op hun weg gelegen, omdat dit punt expliciet is betwist. Ook ten aanzien van de blinde muur met doorgang – waarvan het nog onduidelijk is of die daadwerkelijk gebouwd is of gaat worden – hebben eisers nagelaten te stellen dat deze doorgang dusdanig is ingericht dat deze het recht van overpad belemmert. Daarnaast hebben de [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ook aangegeven dat zij de erfdienstbaarheid zullen respecteren. Daarom is onvoldoende gebleken dat eisers belang hebben bij een verbod ten aanzien van deze gedaagden. De rechtbank zal deze vordering dus afwijzen.
Bij overtreding van het verbod is een dwangsom verschuldigd
3.10.
Ondanks dat [gedaagde sub 5] heeft aangegeven dat zij de erfdienstbaarheid zal respecteren, zal de rechtbank toch een dwangsom verbinden aan het overtreden door [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 5] van het verbod. De rechtbank zal de dwangsom echter wel matigen en stelt deze vast op € 50,00 per dag, met een maximum van € 20.000,00.
3.11.
De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] niet hoofdelijk veroordelen tot betaling van de dwangsom. Als door één van hen het recht van overpad wordt geblokkeerd, is het niet redelijk dat de ander daardoor ook een dwangsom verbeurt. Het is namelijk niet gebleken dat zij invloed hebben op elkaars gedragingen.
De verschenen gedaagden moeten de proceskosten betalen
3.12.
Alleen de in deze procedure verschenen gedaagden worden veroordeeld om de proceskosten van eisers te betalen.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
verklaart voor recht dat de rechten en bevoegdheden van eisers, zoals verwoord in artikel 14 van de leveringsakte van 1 december 2005 (ingeschreven onder nummer Hyp 4 deel [nummer] ) prevaleren boven de rechten en bevoegdheden van gedaagden uit de splitsingsakte van 26 april 2022 (ingeschreven onder nummer Hyp 4 deel [nummer] );
4.2.
verbiedt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] om de vrije doorgang van de gebruikers van de [adres 1] (het heersend erf) over het perceel kadastraal bekend gemeente Arnhem, sectie [letter] , nummer [nummer] (het dienend erf) te belemmeren, in die zin dat het voor de gebruikers van het heersend erf te allen tijde mogelijk moet zijn zich daarover te verplaatsen te voet, dan wel met een fiets of bromfiets met uitgeschakelde motor aan de hand, kinderwagen, vuilcontainer of elk ander klein voertuig, waarbij over de gehele lengte van het dienende erf een minimale doorgang van 1,5 meter breed verzekerd moet zijn;
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot het betalen van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag waarop [gedaagde sub 1] dit verbod overtreedt, met een maximum van € 20.000,00, een en ander met dien verstande dat de eerste dwangsom pas verbeurt na een daaraan voorafgaande schriftelijke waarschuwing met daarin een éénmalige hersteltermijn van 24 uur;
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 5] tot het betalen van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag waarop [gedaagde sub 5] dit verbod overtreedt, met een maximum van € 20.000,00, een en ander met dien verstande dat de eerste dwangsom pas verbeurt na een daaraan voorafgaande schriftelijke waarschuwing met daarin een éénmalige hersteltermijn van 24 uur;
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.233,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
4.6.
veroordeelt [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2. tot en met 4.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.
TS5596
Artikel 5:114 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815, r.o. 3.10.2.