Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-10
ECLI:NL:RBMNE:2025:1199
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,660 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5523
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder.
Procesverloop
1.1.
In de beschikking van 27 juni 2023 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.
1.3.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 11 februari 2025. De gemachtigde van eiser heeft deelgenomen aan de zitting. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft niet deelgenomen aan de zitting, zonder bericht van verhindering.
Overwegingen
2. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag opgelegd omdat eiser met de auto met kenteken [kenteken] , zonder parkeerrecht voldaan te hebben geparkeerd stond in de [straat] in [plaats] .
3. Met de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. De heffingsambtenaar heeft daarbij een proceskostenvergoeding toegekend van € 148,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een wegingsfactor 0,25).
4. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar onterecht is uitgegaan van een wegingsfactor 0.25 (zeer licht). Eiser heeft de heffingsambtenaar gewezen op de jurisprudentie. Dit is volgens eiser bijzondere – specifieke – regelgeving en het vergt een feitelijke juridische analyse van het dossier. Het gaat hier om een kwestie waar de Hoge Raad aanleiding zag om arrest te wijzen. Ook heeft rechtbank Den Haag in een identieke zaak een wegingsfactor 0,5 toegepast. Eiser ziet niet in waarom in deze zaak wegingsfactor 0,25 is toegepast.
5. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij het eens is met het standpunt van de rechtbank Midden-Nederland, waarin is overwogen dat bij de behandeling van de zaken over parkeerbelasting wegingsfactor 0,25 behoort. De heffingsambtenaar wijst ook op de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van
11 november 2021 waarin een richtsnoer is opgenomen voor beslissingen over (proces)kostenvergoedingen. Dit richtsnoer wordt volgens de heffingsambtenaar ook door de andere gerechtshoven gehanteerd.
Beoordeling
6. Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het geschil tussen partijen met betrekking tot de wegingsfactor, wijst de rechtbank partijen op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 waarin is bepaalt dat de lagere waarde per punt in zaken met betrekking tot de heffing van belastingen in de bezwaarfase in strijd met het discriminatieverbod. Dit betekent dat in de bezwaarfase in zaken met betrekking tot de heffing van belastingen net als bij andere bestuursrechtelijke zaken een waarde per punt moet worden gehanteerd van € 647,-. Hieruit volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigen en alsnog een proceskostenvergoeding toekennen uitgaande van een waarde van € 647,- per procespunt in de bezwaarfase.
7. Over de hoogte van de wegingsfactor overweegt de rechtbank dat heffingsambtenaren en rechtbanken bij beslissingen over (proces)kostenvergoedingen niet gebonden zijn aan door de gerechtshoven geformuleerde richtsnoeren. Zij zijn namelijk niet betrokken geweest bij het opstellen van die richtsnoeren. De rechtbank kent conform haar uitgangspunten 2 punten voor de bezwaarfase (bezwaarschrift en hoorzitting) en 2 punten voor de beroepsfase (beroepschrift en zitting) toe, met een wegingsfactor 0,25 conform haar uitspraak van 4 september 2023, anders dan eiser betoogt. De totale vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar en beroep bedraagt daarmee € 777,-.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten in bezwaar;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 777,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:HR:2022:346.
ECLI:NL:RBMNE:2023:4481 en ECLI:NL:RBMNE:2023:4482.
ECLI:NL:GHDHA:2021:2131.
ECLI:NL:HR:2024:1060.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2023:8624.
ECLI:NL:RBMNE:2023:4481.