Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:7953
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
22,862 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2024:7953 text/xml public 2026-05-01T08:05:17 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2024-09-24 16/115686-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:7953 text/html public 2026-05-01T08:05:01 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2024:7953 Rechtbank Midden-Nederland , 24-09-2024 / 16/115686-23 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en zware mishandeling. Verdachte heeft (met alcohol op) met een luchtbuksgeweer vanaf zijn balkon gericht op het slachtoffer een kogel afgeschoten. Het slachtoffer zat nietsvermoedend op een bankje. In het ziekenhuis is vastgesteld dat het slachtoffer onder andere een klaplong en een gescheurd hartzakje heeft opgelopen. De rechtbank kwalificeert het opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel. Met zijn handelen heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van dit letsel. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen. Wel houdt zij in strafmatigende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank legt de verdachte op: een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/115686-23 (hoofzaak) en 16/308414-22 (vord. tul) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 24 september 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] , thans verblijvende in [verblijfplaats] , hierna: verdachte. 1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 september 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.E. Lohuis en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, alsmede de advocaat van de benadeelde partij, mr. H. Giard, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2 TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1, primair: op 4 mei 2023 in Veenendaal heeft geprobeerd [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven; feit 1, subsidiair: op 4 mei 2023 in Veenendaal [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht; feit 1, meer subsidiair: op 4 mei 2023 in Veenendaal door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onoplettend gedrag, zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij [slachtoffer 1] , hetgeen aan zijn schuld te wijten is; feit 2: op 23 februari 2024 in Maarsbergen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling; 3 VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt dat verdachte van het onder feit 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu verdachte geen vol dan wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de heer [slachtoffer 1] (hierna: aangever). Het is volgens de officier van justitie geen feit van algemene bekendheid dat het schieten met een luchtbuks op het lichaam van een ander kan leiden tot de dood. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft, terwijl hij aangever heeft gezien, vanaf de balkonzijde van zijn woning met zijn luchtbuks een kogel afgeschoten en aangever hiermee geraakt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat bij aangever sprake is van zwaar lichamelijk letsel en verdachte heeft, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen en het gegeven dat eenieder weet dat schieten met een luchtbuks zwaar lichamelijk letsel op kan leveren, voorwaardelijk opzet hierop gehad. Daarnaast acht de officier van justitie het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Verdachte ontkent gericht op aangever te hebben geschoten. Daarnaast kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte de aanmerkelijk kans heeft opgeleverd op de dood van aangever, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij hem. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman verder bepleit dat het letsel van aangever geen zwaar lichamelijk letsel betreft. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat het onder feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dat verdachte een mes vast had in het bijzijn van aangever [slachtoffer 2] is onvoldoende om van bedreiging te kunnen spreken. Verdachte heeft de ten laste gelegde handelingen steeds ontkend. De (belastende) getuige [getuige] heeft niet uit eigen waarneming verklaard en de getuigen spreken elkaar tegen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 1, primair: De rechtbank is, met de verdediging en de officier van justitie, van oordeel dat de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De rechtbank heeft niet de overtuiging dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever. Op basis van het dossier kan de rechtbank voorts niet vaststellen dat het handelen van verdachte, in dit concrete geval, de aanmerkelijke kans met zich bracht dat aangever daardoor zou komen te overlijden, zodat ook geen sprake is van voorwaardelijk opzet. In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd dat het afschieten van een kogel met een luchtdrukgeweer over een afstand van 40 meter naar verwachting zal (kunnen) leiden tot de dood. Bewijsmiddelen feit 1, subsidiair: Verdachte heeft bij de politie op 5 mei 2023 onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: Ik heb een luchtbuks gekocht. Ik dacht: ik zal het eens proberen. Toen ik op die man schoot had ik niet door dat ik die man geraakt had. Ik weet niet meer of hij nou zat of stond. Verdachte heeft ter terechtzitting op 10 september 2024 onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: De verkoper van de luchtbuks had mij bij de aankoop ervan verteld dat met de luchtbuks ongedierte, zoals ratten, kan worden bestreden. Daarmee bedoelde de verkoper dat een kogel van een luchtbuks de huid van een rat kan binnendringen, waardoor je met een luchtbuks een rat kunt doden. Aangever [slachtoffer 1] heeft onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: Op 4 mei 2023 was ik in Veenendaal. Ik ben op het bankje gaan zitten. Ik voelde een harde drukkende kracht op mijn borst. Ik hoorde een zoef geluid. Ik zag een gaatje in mijn rechterborst en bloed. Uit de letselrapportage van 6 mei 2023 over aangever [slachtoffer 1] blijkt onder meer - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende: Letsel: 1. Er is sprake van een schotverwonding in de rechter borstkas met als gevolg een klaplong. 2. Bij het hartvlies (pericard) aan de rechter hartkant is wat uittreden van vocht te zien, wijzend op het passeren van het projectiel. 3.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2024:7953 text/xml public 2026-05-01T08:05:17 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2024-09-24 16/115686-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:7953 text/html public 2026-05-01T08:05:01 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2024:7953 Rechtbank Midden-Nederland , 24-09-2024 / 16/115686-23 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en zware mishandeling. Verdachte heeft (met alcohol op) met een luchtbuksgeweer vanaf zijn balkon gericht op het slachtoffer een kogel afgeschoten. Het slachtoffer zat nietsvermoedend op een bankje. In het ziekenhuis is vastgesteld dat het slachtoffer onder andere een klaplong en een gescheurd hartzakje heeft opgelopen. De rechtbank kwalificeert het opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel. Met zijn handelen heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van dit letsel. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen. Wel houdt zij in strafmatigende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank legt de verdachte op: een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/115686-23 (hoofzaak) en 16/308414-22 (vord. tul) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 24 september 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] , thans verblijvende in [verblijfplaats] , hierna: verdachte. 1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 september 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.E. Lohuis en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, alsmede de advocaat van de benadeelde partij, mr. H. Giard, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2 TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1, primair: op 4 mei 2023 in Veenendaal heeft geprobeerd [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven; feit 1, subsidiair: op 4 mei 2023 in Veenendaal [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht; feit 1, meer subsidiair: op 4 mei 2023 in Veenendaal door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onoplettend gedrag, zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij [slachtoffer 1] , hetgeen aan zijn schuld te wijten is; feit 2: op 23 februari 2024 in Maarsbergen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling; 3 VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt dat verdachte van het onder feit 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu verdachte geen vol dan wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de heer [slachtoffer 1] (hierna: aangever). Het is volgens de officier van justitie geen feit van algemene bekendheid dat het schieten met een luchtbuks op het lichaam van een ander kan leiden tot de dood. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft, terwijl hij aangever heeft gezien, vanaf de balkonzijde van zijn woning met zijn luchtbuks een kogel afgeschoten en aangever hiermee geraakt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat bij aangever sprake is van zwaar lichamelijk letsel en verdachte heeft, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen en het gegeven dat eenieder weet dat schieten met een luchtbuks zwaar lichamelijk letsel op kan leveren, voorwaardelijk opzet hierop gehad. Daarnaast acht de officier van justitie het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Verdachte ontkent gericht op aangever te hebben geschoten. Daarnaast kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte de aanmerkelijk kans heeft opgeleverd op de dood van aangever, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij hem. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman verder bepleit dat het letsel van aangever geen zwaar lichamelijk letsel betreft. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat het onder feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dat verdachte een mes vast had in het bijzijn van aangever [slachtoffer 2] is onvoldoende om van bedreiging te kunnen spreken. Verdachte heeft de ten laste gelegde handelingen steeds ontkend. De (belastende) getuige [getuige] heeft niet uit eigen waarneming verklaard en de getuigen spreken elkaar tegen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak feit 1, primair: De rechtbank is, met de verdediging en de officier van justitie, van oordeel dat de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De rechtbank heeft niet de overtuiging dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever. Op basis van het dossier kan de rechtbank voorts niet vaststellen dat het handelen van verdachte, in dit concrete geval, de aanmerkelijke kans met zich bracht dat aangever daardoor zou komen te overlijden, zodat ook geen sprake is van voorwaardelijk opzet. In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd dat het afschieten van een kogel met een luchtdrukgeweer over een afstand van 40 meter naar verwachting zal (kunnen) leiden tot de dood. Bewijsmiddelen feit 1, subsidiair: Verdachte heeft bij de politie op 5 mei 2023 onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: Ik heb een luchtbuks gekocht. Ik dacht: ik zal het eens proberen. Toen ik op die man schoot had ik niet door dat ik die man geraakt had. Ik weet niet meer of hij nou zat of stond. Verdachte heeft ter terechtzitting op 10 september 2024 onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: De verkoper van de luchtbuks had mij bij de aankoop ervan verteld dat met de luchtbuks ongedierte, zoals ratten, kan worden bestreden. Daarmee bedoelde de verkoper dat een kogel van een luchtbuks de huid van een rat kan binnendringen, waardoor je met een luchtbuks een rat kunt doden. Aangever [slachtoffer 1] heeft onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: Op 4 mei 2023 was ik in Veenendaal. Ik ben op het bankje gaan zitten. Ik voelde een harde drukkende kracht op mijn borst. Ik hoorde een zoef geluid. Ik zag een gaatje in mijn rechterborst en bloed. Uit de letselrapportage van 6 mei 2023 over aangever [slachtoffer 1] blijkt onder meer - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende: Letsel: 1. Er is sprake van een schotverwonding in de rechter borstkas met als gevolg een klaplong.2. Bij het hartvlies (pericard) aan de rechter hartkant is wat uittreden van vocht te zien, wijzend op het passeren van het projectiel. 3.
Volledig
In de rechter leverkwab bevindt zich een kogeltje dat ongemoeid is gelaten. In de brief van 15 mei (11 dagen na het incident) wordt gemeld dat het kogeltje bij een controle foto uit de lever blijkt te zijn gemigreerd. Behandeling : Is per ambulance naar de Eerste Hulp gebracht. Vanwege de klaplong is een thoraxdrain geplaatst middels incisie in de rechterborstkas, om lucht af te zuigen. De snede is gehecht. feit 2: Aangever heeft onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: Plaats delict: Maarsbergen. Op 24 februari 2024 zat [verdachte] in de keuken. Ik zag dat [verdachte] vanuit de keuken terug kwam met een mes in zijn hand. Hij hield deze op ooghoogte vast. Ik zag dat hij met dit mes op mij af kwam lopen. Ik zag dat hij agressief was. Ik zag dat [verdachte] steeds dichterbij mij kwam met nog steeds het mes in zijn handen. Ik hoorde beneden [verdachte] hard tegen [A] zeggen ‘Ik snij zijn kankerstrot door’ of woorden van gelijke strekking. Getuige [getuige] heeft onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: P: Door [slachtoffer 2] werd aangifte gedaan van een bedreiging op 24 februari 2024. Wat kan je hierover vertellen? V: [verdachte] heeft een keukenmes gepakt en op enkele centimeters van [slachtoffer 2] gehouden. P: Heb je gehoord wat [verdachte] tegen [slachtoffer 2] zei? V: Ik dacht iets van: ‘Ik snij je kankerstrot door’. P: Heb je gezien dat hij dat mes pakte. V: Ja. [verdachte] liep naar de keuken, pakte een mes en liep naar de woonkamer. Het was niet zo dat hij dat mes al vasthad. Bewijsoverwegingen Feit 1, subsidiair: De rechtbank moet beoordelen of verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel bij aangever heeft toegebracht. De rechtbank beoordeelt eerst of bij aangever sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bevat een opsomming van de gevallen die (in ieder geval) als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Ook buiten deze genoemde gevallen is de rechter vrij letsel als zwaar lichamelijk letsel aan te merken. De rechtbank kan hierbij, volgens vaste jurisprudentie, de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel betrekken. De rechtbank kwalificeert het door aangever opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de ernst van het letsel (een kogelverwonding (gaatje in de rechterborst), een klaplong, een gescheurd hartzakje en een kogel die is achtergebleven in het lichaam) en de uit de aard van dit letsel voortkomende onvermijdelijke noodzaak tot medisch ingrijpen. Vanwege de klaplong moest aangever namelijk drie dagen opgenomen worden in het ziekenhuis en is er middels incisie in de borstkas, een thoraxdrain geplaatst, om lucht af te zuigen. Daar komt nog bij dat de kogel in ieder geval nog enige tijd in de lever van aangever is blijven zitten, omdat deze niet operatief verwijderd kon worden. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte opzet (vol opzet dan wel voorwaardelijk opzet) heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte gericht met zijn luchtbuksgeweer op aangever heeft geschoten. Dat verdachte op de boom rechts van het bankje waar aangever zat zou hebben gericht en geschoten vindt de rechtbank onaannemelijk. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard rechtshandig te zijn, wat, ook volgens verdachte, betekent dat hij tijdens het schieten de loop met zijn linkerhand heeft vastgehouden en de trekker heeft overgehaald met zijn rechterhand. De boom waarop verdachte zou hebben geschoten bevindt zich rechts van en in het verlengde van het flatgebouw van verdachte, in een hoek van bijna 90 graden tot het uitzicht vanaf zijn balkon. Vanaf zijn balkon is het daardoor bijna onmogelijk om op de betreffende boom te schieten en deze te raken, zeker als de schutter rechtshandig is. Bovendien bevinden zich in het park vele andere bomen, waarop verdachte, vanuit een veel betere positie, hoek en houding, had kunnen richten en schieten als hij daadwerkelijk een boom wilde raken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de enige verklaring voor de door verdachte gekozen, uiterst onhandige, schietrichting de aanwezigheid van aangever daar was en dat verdachte gericht op aangever heeft geschoten. Daarbij komt dat verdachte wisselend heeft verklaard over of hij aangever nu wel of niet op of bij het bankje heeft gezien. Het is een feit van algemene bekendheid dat een kogel afgeschoten vanuit een luchtbuksgeweer de huid kan perforeren en daarmee zwaar lichamelijk letsel kan veroorzaken, zeker als een kwetsbaar deel van het lichaam (hoofd, hals) of een vitaal orgaan geraakt wordt, zoals in dit geval is gebeurd. Door gericht op aangever te schieten heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel toe zou brengen. De rechtbank is hiermee van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met (voorwaardelijk) opzet en acht het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 5 BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 1, subsidiair: op 4 mei 2023 te Veenendaal aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een kogelverwonding en klaplong en letsel aan het hartzakje en letsel aan de lever en een achtergebleven kogel in het lichaam, heeft toegebracht door te schieten met een wapen, te weten een luchtdrukgeweer, in de richting van en op het lichaam van die [slachtoffer 1] ; feit 2: op 24 februari 2024 te Maarsbergen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door: - een mes te tonen aan die [slachtoffer 2] en - agressief met een mes op die [slachtoffer 2] af te lopen en - een mes vlakbij die [slachtoffer 2] te houden en - die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik snijd zijn kankerstrot door", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, door dit te schreeuwen in een woning waar die [slachtoffer 2] aanwezig was. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feit 1, subsidiair: zware mishandeling; feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. 7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie ziet, gelet op het advies van het NIFP en de reclassering, geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt verdachte volgens het volwassenstrafrecht te berechten. Zij vindt wel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard voor de bewezen geachte feiten. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daarvan dient een gedeelte van 194 dagen voorwaardelijk te worden opgelegd, met een proeftijd van drie jaren, onder de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies van 21 augustus 2024, met toevoeging van de bijzondere voorwaarde dat verdachte dient mee te werken aan verdiepingsdiagnostiek. De officier van justitie heeft gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gelet op de persoonlijkheid van verdachte acht de officier van justitie het niet wenselijk dat hij opnieuw gedetineerd raakt.
Volledig
In de rechter leverkwab bevindt zich een kogeltje dat ongemoeid is gelaten. In de brief van 15 mei (11 dagen na het incident) wordt gemeld dat het kogeltje bij een controle foto uit de lever blijkt te zijn gemigreerd. Behandeling : Is per ambulance naar de Eerste Hulp gebracht. Vanwege de klaplong is een thoraxdrain geplaatst middels incisie in de rechterborstkas, om lucht af te zuigen. De snede is gehecht. feit 2: Aangever heeft onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: Plaats delict: Maarsbergen. Op 24 februari 2024 zat [verdachte] in de keuken. Ik zag dat [verdachte] vanuit de keuken terug kwam met een mes in zijn hand. Hij hield deze op ooghoogte vast. Ik zag dat hij met dit mes op mij af kwam lopen. Ik zag dat hij agressief was. Ik zag dat [verdachte] steeds dichterbij mij kwam met nog steeds het mes in zijn handen. Ik hoorde beneden [verdachte] hard tegen [A] zeggen ‘Ik snij zijn kankerstrot door’ of woorden van gelijke strekking. Getuige [getuige] heeft onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: P: Door [slachtoffer 2] werd aangifte gedaan van een bedreiging op 24 februari 2024. Wat kan je hierover vertellen?V: [verdachte] heeft een keukenmes gepakt en op enkele centimeters van [slachtoffer 2] gehouden. P: Heb je gehoord wat [verdachte] tegen [slachtoffer 2] zei?V: Ik dacht iets van: ‘Ik snij je kankerstrot door’. P: Heb je gezien dat hij dat mes pakte.V: Ja. [verdachte] liep naar de keuken, pakte een mes en liep naar de woonkamer. Het was niet zo dat hij dat mes al vasthad. Bewijsoverwegingen Feit 1, subsidiair: De rechtbank moet beoordelen of verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel bij aangever heeft toegebracht. De rechtbank beoordeelt eerst of bij aangever sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bevat een opsomming van de gevallen die (in ieder geval) als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Ook buiten deze genoemde gevallen is de rechter vrij letsel als zwaar lichamelijk letsel aan te merken. De rechtbank kan hierbij, volgens vaste jurisprudentie, de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel betrekken. De rechtbank kwalificeert het door aangever opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de ernst van het letsel (een kogelverwonding (gaatje in de rechterborst), een klaplong, een gescheurd hartzakje en een kogel die is achtergebleven in het lichaam) en de uit de aard van dit letsel voortkomende onvermijdelijke noodzaak tot medisch ingrijpen. Vanwege de klaplong moest aangever namelijk drie dagen opgenomen worden in het ziekenhuis en is er middels incisie in de borstkas, een thoraxdrain geplaatst, om lucht af te zuigen. Daar komt nog bij dat de kogel in ieder geval nog enige tijd in de lever van aangever is blijven zitten, omdat deze niet operatief verwijderd kon worden. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte opzet (vol opzet dan wel voorwaardelijk opzet) heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte gericht met zijn luchtbuksgeweer op aangever heeft geschoten. Dat verdachte op de boom rechts van het bankje waar aangever zat zou hebben gericht en geschoten vindt de rechtbank onaannemelijk. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard rechtshandig te zijn, wat, ook volgens verdachte, betekent dat hij tijdens het schieten de loop met zijn linkerhand heeft vastgehouden en de trekker heeft overgehaald met zijn rechterhand. De boom waarop verdachte zou hebben geschoten bevindt zich rechts van en in het verlengde van het flatgebouw van verdachte, in een hoek van bijna 90 graden tot het uitzicht vanaf zijn balkon. Vanaf zijn balkon is het daardoor bijna onmogelijk om op de betreffende boom te schieten en deze te raken, zeker als de schutter rechtshandig is. Bovendien bevinden zich in het park vele andere bomen, waarop verdachte, vanuit een veel betere positie, hoek en houding, had kunnen richten en schieten als hij daadwerkelijk een boom wilde raken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de enige verklaring voor de door verdachte gekozen, uiterst onhandige, schietrichting de aanwezigheid van aangever daar was en dat verdachte gericht op aangever heeft geschoten. Daarbij komt dat verdachte wisselend heeft verklaard over of hij aangever nu wel of niet op of bij het bankje heeft gezien. Het is een feit van algemene bekendheid dat een kogel afgeschoten vanuit een luchtbuksgeweer de huid kan perforeren en daarmee zwaar lichamelijk letsel kan veroorzaken, zeker als een kwetsbaar deel van het lichaam (hoofd, hals) of een vitaal orgaan geraakt wordt, zoals in dit geval is gebeurd. Door gericht op aangever te schieten heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel toe zou brengen. De rechtbank is hiermee van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met (voorwaardelijk) opzet en acht het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 5 BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 1, subsidiair: op 4 mei 2023 te Veenendaal aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een kogelverwonding en klaplong en letsel aan het hartzakje en letsel aan de lever en een achtergebleven kogel in het lichaam, heeft toegebracht door te schieten met een wapen, te weten een luchtdrukgeweer, in de richting van en op het lichaam van die [slachtoffer 1] ; feit 2: op 24 februari 2024 te Maarsbergen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door: - een mes te tonen aan die [slachtoffer 2] en - agressief met een mes op die [slachtoffer 2] af te lopen en - een mes vlakbij die [slachtoffer 2] te houden en - die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik snijd zijn kankerstrot door", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, door dit te schreeuwen in een woning waar die [slachtoffer 2] aanwezig was. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feit 1, subsidiair: zware mishandeling; feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. 7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie ziet, gelet op het advies van het NIFP en de reclassering, geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt verdachte volgens het volwassenstrafrecht te berechten. Zij vindt wel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard voor de bewezen geachte feiten. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daarvan dient een gedeelte van 194 dagen voorwaardelijk te worden opgelegd, met een proeftijd van drie jaren, onder de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies van 21 augustus 2024, met toevoeging van de bijzondere voorwaarde dat verdachte dient mee te werken aan verdiepingsdiagnostiek. De officier van justitie heeft gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gelet op de persoonlijkheid van verdachte acht de officier van justitie het niet wenselijk dat hij opnieuw gedetineerd raakt.
Volledig
Verdachte kan per 13 september 2024 (tijdelijk) terecht bij [instelling] en de officier van justitie heeft dan ook verzocht verdachte vanaf deze datum te schorsen uit voorlopige hechtenis. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren op te leggen. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte en het jeugdstrafrecht toe te passen. Ook heeft de raadsman verzocht om, gelet op de conclusie van de NIFP-rapporteur, verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. In het kader van de schorsing uit voorlopige hechtenis heeft verdachte zich aan strenge (vrijheidsbeperkende) bijzondere voorwaarden moeten houden en het is van belang dat het huidige (hulp)traject zo snel mogelijk wordt hervat. De raadsman heeft dan ook, mede gelet op het reclasseringsadvies van 21 augustus 2024, bepleit verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de tijd van het voorarrest overstijgt. De raadsman heeft tot slot verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen vanaf het moment dat verdachte terecht kan bij [instelling] . 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft op 4 mei 2023 een luchtbuksgeweer met kogels gekocht. Hij dronk diezelfde middag en avond alcohol en is, na een (telefonisch) conflict met zijn ex-partner op zijn balkon gaan staan, waarna hij met het luchtbuksgeweer gericht op het slachtoffer een kogel heeft afgeschoten. Een slachtoffer dat verdachte niet kende en dat nietsvermoedend op een bankje zat. In het ziekenhuis is vastgesteld dat het slachtoffer onder andere een klaplong en een gescheurd hartzakje heeft opgelopen. Omdat het verwijderen van de kogel risico’s met zich brengt, bevindt de kogel zich tot op heden nog in het lichaam van het slachtoffer. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke gezondheid en integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. Dat het slachtoffer geen ernstiger lichamelijk letsel heeft opgelopen is een (gelukkige) omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Het slachtoffer zal verder moeten leven met de onzekerheid wat de kogel in zijn lichaam in [locatie] voor zijn gezondheid zal betekenen. Uit de toelichting op de vordering en de behandeling ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat het incident voor het slachtoffer een zeer beangstigende situatie is geweest, immers heeft een vreemde hem zonder enige aanleiding onder vuur genomen. Uit de onderbouwing van de vordering benadeelde partij blijkt ook dat het slachtoffer kampt met PTSS-klachten en tot op heden de psychische gevolgen van het schietincident ondervindt. Het in het openbaar afschieten van een projectiel op een willekeurig persoon levert tot slot gevoelens van angst en onveiligheid op bij omwonenden en de maatschappij in het algemeen. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van een medebewoner van de opvang waarin hij verbleef, onder meer door een mes te tonen en hiermee agressief op die medebewoner af te lopen. Bedreiging met een mes is een ernstig feit, dat doorgaans als zeer beangstigend wordt ervaren. Het slachtoffer heeft in zijn aangifte ook benoemd bang te zijn geweest. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 september 2024 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen 5 jaar al eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit, waardoor sprake is van recidive. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. De rechtbank heeft ook kennis genomen van de Pro Justitia Rapportage van 2 augustus 2024 opgesteld door drs. R.M.C. Hoogstraten, GZ-psycholoog, naar aanleiding van het onder feit 1 ten laste gelegde. Uit de rapportage blijkt dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis en een normoverschrijdende gedragsstoornis, waarbij de persoonlijkheidsontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol die, ten tijde van het onderzoek, in vroege volledige remissie was. Volgens de deskundige waren de stoornissen aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en hebben deze het gedrag van verdachte beïnvloed. Verdachte heeft een luchtbuks gekocht. Diezelfde dag was sprake van een conflict tussen verdachte en zijn ex-partner, hetgeen spanning en stress bij verdachte heeft veroorzaakt. Verdachte heeft beperkte copingsvaardigheden, passend bij zijn licht verstandelijke beperking en andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis, waardoor hij niet in staat is geweest deze stress en spanning te reguleren. Stress en spanningen uiten zich bij verdachte op een externaliserende wijze waarbij hij grensoverschrijdend gedrag laat zien. Zo heeft verdachte de luchtbuks gepakt en hiermee vanaf zijn balkon geschoten. Verdachte denkt, vanuit zijn normoverschrijdende gedragsstoornis en zijn licht verstandelijke beperking, ook niet na over de gevolgen van zijn handelen. Daarbij komt dat verdachte voor het schietincident alcohol heeft gedronken en naar eigen zeggen dronken was, wat de impulsiviteit van verdachte heeft versterkt. Het advies van de deskundige is dan ook om verdachte het tenlastegelegde feit, indien bewezen verklaard, in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt de conclusie en het advies van de deskundige op de daartoe in de rapportage genoemde gronden over en concludeert dat het onder feit 1 bewezenverklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend. Hoewel de NIFP-rapporteur zich niet heeft uitgelaten over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde, gaat de rechtbank ook bij dit feit uit van een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid. Zoals benoemd laat verdachte vanuit zijn problematiek impulsief, ondoordacht en grensoverschrijdend gedrag zien bij oplopende spanning en stress. De NIFP-rapporteur beschrijft dat verdachte snel boos wordt en zich regelmatig verbaal agressief en gewelddadig uit. Hij dreigt dan een ander te slaan en/of spullen te vernielen. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze problematiek van verdachte aanwezig was ten tijde van het laste gelegde en van invloed is geweest op zijn handelen. Zo was verdachte boos dat er water over zijn laptop was gegooid, waarop hij excessief heeft gereageerd door te dreigen met een mes. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van GGZ [instelling] van 21 augustus 2024, opgesteld door Mevrouw [B] , reclasseringswerker. Ten tijde van het schrijven van dit advies was het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst. Hij woonde op zorgboerderij [locatie] , volgde behandeling bij [instelling] en had zinvolle dagbesteding. Gezien het ingezette hulptraject heeft de reclassering in dit rapport geadviseerd verdachte voorwaardelijk te veroordelen met oplegging van bijzondere voorwaarden, waaronder een alcoholverbod. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de positieve ontwikkelingen van verdachte doorkruisen, hetgeen de reclassering niet wenselijk achtte. In het reclasseringsrapport van GGZ [instelling] van 5 september 2024, opgesteld door mevrouw [C] , reclasseringswerker, heeft de rechtbank gelezen dat de zorgboerderij [locatie] besloten heeft het verblijf van verdachte per 5 september 2024 te beëindigen. Verdachte heeft (online) geld van een medebewoner weggenomen, zich niet aan gemaakte afspraken over contactmomenten gehouden, zich gebrekkig tot niet ingezet voor zijn dagbesteding en gelogen.
Volledig
Verdachte kan per 13 september 2024 (tijdelijk) terecht bij [instelling] en de officier van justitie heeft dan ook verzocht verdachte vanaf deze datum te schorsen uit voorlopige hechtenis. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren op te leggen. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte en het jeugdstrafrecht toe te passen. Ook heeft de raadsman verzocht om, gelet op de conclusie van de NIFP-rapporteur, verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. In het kader van de schorsing uit voorlopige hechtenis heeft verdachte zich aan strenge (vrijheidsbeperkende) bijzondere voorwaarden moeten houden en het is van belang dat het huidige (hulp)traject zo snel mogelijk wordt hervat. De raadsman heeft dan ook, mede gelet op het reclasseringsadvies van 21 augustus 2024, bepleit verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de tijd van het voorarrest overstijgt. De raadsman heeft tot slot verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen vanaf het moment dat verdachte terecht kan bij [instelling] . 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft op 4 mei 2023 een luchtbuksgeweer met kogels gekocht. Hij dronk diezelfde middag en avond alcohol en is, na een (telefonisch) conflict met zijn ex-partner op zijn balkon gaan staan, waarna hij met het luchtbuksgeweer gericht op het slachtoffer een kogel heeft afgeschoten. Een slachtoffer dat verdachte niet kende en dat nietsvermoedend op een bankje zat. In het ziekenhuis is vastgesteld dat het slachtoffer onder andere een klaplong en een gescheurd hartzakje heeft opgelopen. Omdat het verwijderen van de kogel risico’s met zich brengt, bevindt de kogel zich tot op heden nog in het lichaam van het slachtoffer. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke gezondheid en integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. Dat het slachtoffer geen ernstiger lichamelijk letsel heeft opgelopen is een (gelukkige) omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Het slachtoffer zal verder moeten leven met de onzekerheid wat de kogel in zijn lichaam in [locatie] voor zijn gezondheid zal betekenen. Uit de toelichting op de vordering en de behandeling ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat het incident voor het slachtoffer een zeer beangstigende situatie is geweest, immers heeft een vreemde hem zonder enige aanleiding onder vuur genomen. Uit de onderbouwing van de vordering benadeelde partij blijkt ook dat het slachtoffer kampt met PTSS-klachten en tot op heden de psychische gevolgen van het schietincident ondervindt. Het in het openbaar afschieten van een projectiel op een willekeurig persoon levert tot slot gevoelens van angst en onveiligheid op bij omwonenden en de maatschappij in het algemeen. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van een medebewoner van de opvang waarin hij verbleef, onder meer door een mes te tonen en hiermee agressief op die medebewoner af te lopen. Bedreiging met een mes is een ernstig feit, dat doorgaans als zeer beangstigend wordt ervaren. Het slachtoffer heeft in zijn aangifte ook benoemd bang te zijn geweest. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 september 2024 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen 5 jaar al eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit, waardoor sprake is van recidive. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. De rechtbank heeft ook kennis genomen van de Pro Justitia Rapportage van 2 augustus 2024 opgesteld door drs. R.M.C. Hoogstraten, GZ-psycholoog, naar aanleiding van het onder feit 1 ten laste gelegde. Uit de rapportage blijkt dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis en een normoverschrijdende gedragsstoornis, waarbij de persoonlijkheidsontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol die, ten tijde van het onderzoek, in vroege volledige remissie was. Volgens de deskundige waren de stoornissen aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en hebben deze het gedrag van verdachte beïnvloed. Verdachte heeft een luchtbuks gekocht. Diezelfde dag was sprake van een conflict tussen verdachte en zijn ex-partner, hetgeen spanning en stress bij verdachte heeft veroorzaakt. Verdachte heeft beperkte copingsvaardigheden, passend bij zijn licht verstandelijke beperking en andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis, waardoor hij niet in staat is geweest deze stress en spanning te reguleren. Stress en spanningen uiten zich bij verdachte op een externaliserende wijze waarbij hij grensoverschrijdend gedrag laat zien. Zo heeft verdachte de luchtbuks gepakt en hiermee vanaf zijn balkon geschoten. Verdachte denkt, vanuit zijn normoverschrijdende gedragsstoornis en zijn licht verstandelijke beperking, ook niet na over de gevolgen van zijn handelen. Daarbij komt dat verdachte voor het schietincident alcohol heeft gedronken en naar eigen zeggen dronken was, wat de impulsiviteit van verdachte heeft versterkt. Het advies van de deskundige is dan ook om verdachte het tenlastegelegde feit, indien bewezen verklaard, in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt de conclusie en het advies van de deskundige op de daartoe in de rapportage genoemde gronden over en concludeert dat het onder feit 1 bewezenverklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend. Hoewel de NIFP-rapporteur zich niet heeft uitgelaten over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde, gaat de rechtbank ook bij dit feit uit van een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid. Zoals benoemd laat verdachte vanuit zijn problematiek impulsief, ondoordacht en grensoverschrijdend gedrag zien bij oplopende spanning en stress. De NIFP-rapporteur beschrijft dat verdachte snel boos wordt en zich regelmatig verbaal agressief en gewelddadig uit. Hij dreigt dan een ander te slaan en/of spullen te vernielen. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze problematiek van verdachte aanwezig was ten tijde van het laste gelegde en van invloed is geweest op zijn handelen. Zo was verdachte boos dat er water over zijn laptop was gegooid, waarop hij excessief heeft gereageerd door te dreigen met een mes. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van GGZ [instelling] van 21 augustus 2024, opgesteld door Mevrouw [B] , reclasseringswerker. Ten tijde van het schrijven van dit advies was het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst. Hij woonde op zorgboerderij [locatie] , volgde behandeling bij [instelling] en had zinvolle dagbesteding. Gezien het ingezette hulptraject heeft de reclassering in dit rapport geadviseerd verdachte voorwaardelijk te veroordelen met oplegging van bijzondere voorwaarden, waaronder een alcoholverbod. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de positieve ontwikkelingen van verdachte doorkruisen, hetgeen de reclassering niet wenselijk achtte. In het reclasseringsrapport van GGZ [instelling] van 5 september 2024, opgesteld door mevrouw [C] , reclasseringswerker, heeft de rechtbank gelezen dat de zorgboerderij [locatie] besloten heeft het verblijf van verdachte per 5 september 2024 te beëindigen. Verdachte heeft (online) geld van een medebewoner weggenomen, zich niet aan gemaakte afspraken over contactmomenten gehouden, zich gebrekkig tot niet ingezet voor zijn dagbesteding en gelogen.
Volledig
Aangezien verdachte hiermee zijn schorsingsvoorwaarden had overtreden, is de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis per 6 september 2024 opgeheven. Mevrouw [C] , reclasseringswerker, heeft ter terechtzitting van 10 september 2024 aangegeven dat het voornoemde reclasseringsadvies van 21 augustus 2024 achterhaald is, nu verdachte zijn woonplek en dagbesteding kwijt is. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal het ingezette hulptraject niet doorkruisen en hoewel een langere gevangenisstraf hem zwaar zal vallen, zal hij met een langere gevangenisstraf wel de consequenties van zijn handelen ondervinden. Tot slot heeft mevrouw [C] benoemd dat, in het geval verdachte (kort) na de terechtzitting vrij zou komen, hij per 13 september 2024 (tijdelijk) bij [instelling] kan wonen, waarna de (eerder) ingezette begeleiding en behandeling kan worden hervat. Toepassing jeugdstrafrecht Ten aanzien van de vraag of het volwassenenstrafrecht of het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 20 respectievelijk 21 jaar oud, en dus meerderjarig. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige verdachten het volwassenenstrafrecht toegepast. De rechtbank kan op grond van artikel 77c Sr, bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 23 jaar, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, het jeugdstrafrecht toepassen. De NIFP-rapporteur heeft geadviseerd het volwassenstrafrecht toe te passen. Verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Hij kan de risico’s van zijn eigen handelen moeilijk inschatten en zijn gedrag nauwelijks organiseren zonder externe structuur en sturing. Hij heeft op vrijwel alle leefgebieden een ontwikkelingsachterstand en begeleiding nodig. Nu het bovengenoemde gedrag van verdachte blijvend is en hij altijd ondersteuning nodig zal hebben, heeft de deskundige ervoor gekozen het meerderjarigenstrafrecht te adviseren. Ook de reclassering ziet onvoldoende indicatie om af te wijken van het uitgangspunt het volwassenstrafrecht toe te passen. Ten aanzien van de handelingsvaardigheden van verdachte ziet de reclassering enige aanwijzingen voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Verdachte maakt echter niet actief deel uit van een gezin en er is geen continuering van schoolgang noodzakelijk. Daarnaast is gebleken dat verdachte geen interventie en/of maatregel nodig heeft die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar is. De doelgroep van de verslavingsreclassering is grotendeels licht verstandelijk beperkt en impulsief, en binnen het toezicht van de volwassenreclassering is daar voldoende aandacht voor. De rechtbank ziet op grond van de persoon van verdachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en bovengenoemde adviezen, geen aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen. Bij de strafmaat wordt wel rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en zijn problematiek. Beoordeling van de rechtbank Gelet op de aard en ernst van de feiten kan er met geen andere straf worden volstaan dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere maanden. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die doorgaans bij vergelijkbare feiten worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. Omdat in dit geval met een luchtbuks is geschoten, is in beginsel een hogere straf dan 7 maanden passend. Omdat sprake is van recidive en een strafbaar feit is gepleegd tijdens de proeftijd zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden passend zijn. Voor bedreiging met een steekwapen is het uitgangspunt 60 uur taakstraf. Dat de bedreiging heeft plaatsgevonden op de woongroep waar de verdachte en het slachtoffer woonden, ziet de rechtbank als een strafverzwarende omstandigheid. Dat geldt ook voor het feit dat verdachte eerder al eens is veroordeeld voor een geweldsfeit. De rechtbank ziet, zoals eerder overwogen, onvoldoende aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Wel houdt zij in strafmatigende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank zal vanwege die verminderde toerekeningsvatbaarheid een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, zodat verdachte adequate hulp en behandeling kan krijgen en ervan wordt weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 21 augustus 2024, passend en geboden. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de strafbare feiten een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen dan is geëist. 9 BESLAG De volgende goederen zijn in beslag genomen: een jas (G3158287) munitie (G3158283) munitie (G3158282) een wapen (G3158281) een shirt (G3158285) een shirt (G3158284) een kassabon van een wapen en munitie (G3158295). 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen kleding terug te geven aan de rechthebbende en de rest van de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen geen standpunt ingenomen. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Teruggave aan de rechthebbende De rechtbank zal teruggave gelasten aan de rechthebbende, te weten aangever [slachtoffer 1] , van de volgende in beslag genomen goederen: twee shirts (G3158285 en G3158284) en een jas (G3158287). De kassabon kan aan verdachte worden geretourneerd. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave. Verbeurdverklaring De rechtbank zal het onder verdachte in beslag genomen wapen (G3158281) en de munitie (G3158283 en G3158282) verbeurd verklaren. Met behulp van het wapen is het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde begaan. De munitie (G3158283 en G3158282) was dienstig en bestemd voor de voorbereiding en uitvoering van het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde. 10 BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 94.316,-. Dit bedrag bestaat uit € 18.316,- materiële schade en € 76.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit. 10.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde geheel toe te wijzen, nu de schadeposten voldoende onderbouwd en redelijk zijn. De officier van justitie heeft gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 10.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair bepleit benadeelde (voor wat betreft het merendeel van de gevorderde schadeposten) niet-ontvankelijk te verklaren. De beoordeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op, nu deze te complex van aard is. Onduidelijk is wat op dit moment de actuele medische status van benadeelde is en in hoeverre hij belemmerd wordt of beperkingen ondervindt in het dagelijks leven. Subsidiair heeft de raadsman gevraagd vergoeding van de volgende schadeposten af te wijzen. De schadepost ‘eigen bijdrage ziektekosten’ is onvoldoende onderbouwd, nu er geen nota of ander bewijs is overgelegd.
Volledig
Aangezien verdachte hiermee zijn schorsingsvoorwaarden had overtreden, is de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis per 6 september 2024 opgeheven. Mevrouw [C] , reclasseringswerker, heeft ter terechtzitting van 10 september 2024 aangegeven dat het voornoemde reclasseringsadvies van 21 augustus 2024 achterhaald is, nu verdachte zijn woonplek en dagbesteding kwijt is. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal het ingezette hulptraject niet doorkruisen en hoewel een langere gevangenisstraf hem zwaar zal vallen, zal hij met een langere gevangenisstraf wel de consequenties van zijn handelen ondervinden. Tot slot heeft mevrouw [C] benoemd dat, in het geval verdachte (kort) na de terechtzitting vrij zou komen, hij per 13 september 2024 (tijdelijk) bij [instelling] kan wonen, waarna de (eerder) ingezette begeleiding en behandeling kan worden hervat. Toepassing jeugdstrafrecht Ten aanzien van de vraag of het volwassenenstrafrecht of het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 20 respectievelijk 21 jaar oud, en dus meerderjarig. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige verdachten het volwassenenstrafrecht toegepast. De rechtbank kan op grond van artikel 77c Sr, bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 23 jaar, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, het jeugdstrafrecht toepassen. De NIFP-rapporteur heeft geadviseerd het volwassenstrafrecht toe te passen. Verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Hij kan de risico’s van zijn eigen handelen moeilijk inschatten en zijn gedrag nauwelijks organiseren zonder externe structuur en sturing. Hij heeft op vrijwel alle leefgebieden een ontwikkelingsachterstand en begeleiding nodig. Nu het bovengenoemde gedrag van verdachte blijvend is en hij altijd ondersteuning nodig zal hebben, heeft de deskundige ervoor gekozen het meerderjarigenstrafrecht te adviseren. Ook de reclassering ziet onvoldoende indicatie om af te wijken van het uitgangspunt het volwassenstrafrecht toe te passen. Ten aanzien van de handelingsvaardigheden van verdachte ziet de reclassering enige aanwijzingen voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Verdachte maakt echter niet actief deel uit van een gezin en er is geen continuering van schoolgang noodzakelijk. Daarnaast is gebleken dat verdachte geen interventie en/of maatregel nodig heeft die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar is. De doelgroep van de verslavingsreclassering is grotendeels licht verstandelijk beperkt en impulsief, en binnen het toezicht van de volwassenreclassering is daar voldoende aandacht voor. De rechtbank ziet op grond van de persoon van verdachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en bovengenoemde adviezen, geen aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen. Bij de strafmaat wordt wel rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en zijn problematiek. Beoordeling van de rechtbank Gelet op de aard en ernst van de feiten kan er met geen andere straf worden volstaan dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere maanden. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die doorgaans bij vergelijkbare feiten worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. Omdat in dit geval met een luchtbuks is geschoten, is in beginsel een hogere straf dan 7 maanden passend. Omdat sprake is van recidive en een strafbaar feit is gepleegd tijdens de proeftijd zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden passend zijn. Voor bedreiging met een steekwapen is het uitgangspunt 60 uur taakstraf. Dat de bedreiging heeft plaatsgevonden op de woongroep waar de verdachte en het slachtoffer woonden, ziet de rechtbank als een strafverzwarende omstandigheid. Dat geldt ook voor het feit dat verdachte eerder al eens is veroordeeld voor een geweldsfeit. De rechtbank ziet, zoals eerder overwogen, onvoldoende aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Wel houdt zij in strafmatigende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank zal vanwege die verminderde toerekeningsvatbaarheid een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, zodat verdachte adequate hulp en behandeling kan krijgen en ervan wordt weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 21 augustus 2024, passend en geboden. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de strafbare feiten een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen dan is geëist. 9 BESLAG De volgende goederen zijn in beslag genomen: een jas (G3158287) munitie (G3158283) munitie (G3158282) een wapen (G3158281) een shirt (G3158285) een shirt (G3158284) een kassabon van een wapen en munitie (G3158295). 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen kleding terug te geven aan de rechthebbende en de rest van de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen geen standpunt ingenomen. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Teruggave aan de rechthebbende De rechtbank zal teruggave gelasten aan de rechthebbende, te weten aangever [slachtoffer 1] , van de volgende in beslag genomen goederen: twee shirts (G3158285 en G3158284) en een jas (G3158287). De kassabon kan aan verdachte worden geretourneerd. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave. Verbeurdverklaring De rechtbank zal het onder verdachte in beslag genomen wapen (G3158281) en de munitie (G3158283 en G3158282) verbeurd verklaren. Met behulp van het wapen is het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde begaan. De munitie (G3158283 en G3158282) was dienstig en bestemd voor de voorbereiding en uitvoering van het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde. 10 BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 94.316,-. Dit bedrag bestaat uit € 18.316,- materiële schade en € 76.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit. 10.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde geheel toe te wijzen, nu de schadeposten voldoende onderbouwd en redelijk zijn. De officier van justitie heeft gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 10.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair bepleit benadeelde (voor wat betreft het merendeel van de gevorderde schadeposten) niet-ontvankelijk te verklaren. De beoordeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op, nu deze te complex van aard is. Onduidelijk is wat op dit moment de actuele medische status van benadeelde is en in hoeverre hij belemmerd wordt of beperkingen ondervindt in het dagelijks leven. Subsidiair heeft de raadsman gevraagd vergoeding van de volgende schadeposten af te wijzen. De schadepost ‘eigen bijdrage ziektekosten’ is onvoldoende onderbouwd, nu er geen nota of ander bewijs is overgelegd.
Volledig
Ten aanzien van de schadepost ‘kosten kleding’ heeft de raadsman aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat de kleding van benadeelde zodanig beschadigd is dat deze ondraagbaar is geworden. Bovendien is het merk en de aanschafprijs van de kleding onbekend, waardoor het genoemde schadebedrag niet verifieerbaar is. Voor wat betreft de schadepost ‘studievertraging’ heeft de raadsman bepleit dat benadeelde geen bewijs heeft overgelegd van een lopende studie vooraf of ten tijde van het incident, noch een bewijs van inschrijving. De gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding acht de raadsman wel voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman betwist dat sprake is van zeer zwaar letsel (lestelcategorie 6 van de ANWB Smartengeldgids). Er is volgens de raadsman onvoldoende aangetoond dat sprake is van actueel en blijvend letsel en er is geen psychisch of psychiatrisch ziektebeeld vastgesteld. De raadsman heeft verzocht aan te sluiten bij letselcategorie 1 of 2 (gering of licht letsel) van de letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven, waarbij een schadebedrag van € 1.000,- tot € 2.500,- past. De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat verdachte zich verzet tegen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 10.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de benadeelde materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank acht de materiële schade - voor zover deze ziet op de ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 140,-), de kosten voor huishoudelijke hulp (€ 456,-) en de eigen bijdrage ziektekosten (€ 770,-) - een (rechtstreeks) gevolg van het bewezenverklaarde en is van oordeel dat deze genoemde posten voldoende onderbouwd of aannemelijk zijn. De rechtbank overweegt ten aanzien van de (overige) onderstaande schadeposten (aanvullend) als volgt. Beschadigde kleding (€ 300,-) Benadeelde heeft gesteld dat zijn kleding als gevolg van het misdrijf ondraagbaar is geworden. Het schadebedrag is niet door de benadeelde onderbouwd. Nu, gelet op het procesdossier, sprake is van rechtstreekse schade zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank acht een bedrag van € 100,- aan schadevergoeding voor de beschadigde kleding billijk en wijst dit bedrag toe. De rechtbank zal de benadeelde voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Studievertraging (€ 16.650,-) De benadeelde partij heeft een bedrag van € 16.650,- gevorderd wegens, zo begrijpt de rechtbank, gemiste verdiencapaciteit. Blijkens de toelichting op de vordering had de benadeelde vanuit de organisatie waar hij vrijwilligerswerk deed, een opleiding tot [functie] aangeboden gekregen, waarmee de benadeelde niet heeft kunnen starten vanwege de verwondingen die de benadeelde heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Ten aanzien van dit deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank heeft geen enkel inzicht in het inkomen van de benadeelde voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit. Daarom kan de rechtbank niet beoordelen of en in hoeverre de benadeelde de gevorderde schade lijdt. Omdat het een onevenredige belasting van het strafgeding op zou leveren om dit alsnog uit te zoeken, zal de rechtbank de benadeelde voor dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het niet-ontvankelijke deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de aantasting ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde psychische schade heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen immateriële schade heeft geleden, nu hij door het oplopen van lichamelijk en geestelijk letsel in zijn persoon is aangetast. Dat uit de gegeven onderbouwing van de benadeelde niet blijkt dat een psychiater of psycholoog een in de psychiatrie erkend ziektebeeld bij benadeelde heeft vastgesteld, doet hier, gelet op vaste jurisprudentie, niet aan af. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde nadelige gevolgen, zoals het oplopen van zwaar lichamelijk letsel en PTSS-klachten waarvoor hij psychologische behandeling ondergaat, stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 10.000,-. Omdat de rechtbank onvoldoende informatie heeft over de huidige medische situatie van de benadeelde en in hoeverre de benadeelde hier in het dagelijks leven beperkingen door ondervindt, ziet zij geen aanleiding een hoger schadebedrag toe te kennen. De rechtbank zal de benadeelde voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het niet-ontvankelijke deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Wettelijke rente De rechtbank zal de vordering voor een totaalbedrag van € 11.466,- toewijzen, bestaande uit € 1.466,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2023 tot de dag van volledige betaling. Schadevergoedingsmaatregel Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 11.466,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 mei 2023 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 92 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. 11 VORDERING TENUITVOERLEGGING Bij vonnis van de politierechter te Midden-Nederland van 1 februari 2023 (parketnummers: 16/308414-22 en 16/303814-22 (gev. ttz)) is aan verdachte onder meer een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren opgelegd, waarbij als voorwaarde is gesteld dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. 11.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf geheel ten uitvoer te leggen. 11.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Gezien de bijzondere voorwaarden waar verdachte zich ten tijde van zijn schorsing uit voorlopige hechtenis aan heeft moeten houden, voegt een werkstraf op dit moment weinig toe. Bovendien bestaat de kans dat verdachte overvraagd wordt. De raadsman heeft subsidiair verzocht de proeftijd met een jaar te verlengen. 10.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden toegewezen omdat, zoals blijkt uit dit vonnis, verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal daarom de voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren geheel ten uitvoer leggen. 12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Volledig
Ten aanzien van de schadepost ‘kosten kleding’ heeft de raadsman aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat de kleding van benadeelde zodanig beschadigd is dat deze ondraagbaar is geworden. Bovendien is het merk en de aanschafprijs van de kleding onbekend, waardoor het genoemde schadebedrag niet verifieerbaar is. Voor wat betreft de schadepost ‘studievertraging’ heeft de raadsman bepleit dat benadeelde geen bewijs heeft overgelegd van een lopende studie vooraf of ten tijde van het incident, noch een bewijs van inschrijving. De gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding acht de raadsman wel voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman betwist dat sprake is van zeer zwaar letsel (lestelcategorie 6 van de ANWB Smartengeldgids). Er is volgens de raadsman onvoldoende aangetoond dat sprake is van actueel en blijvend letsel en er is geen psychisch of psychiatrisch ziektebeeld vastgesteld. De raadsman heeft verzocht aan te sluiten bij letselcategorie 1 of 2 (gering of licht letsel) van de letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven, waarbij een schadebedrag van € 1.000,- tot € 2.500,- past. De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat verdachte zich verzet tegen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 10.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de benadeelde materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank acht de materiële schade - voor zover deze ziet op de ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 140,-), de kosten voor huishoudelijke hulp (€ 456,-) en de eigen bijdrage ziektekosten (€ 770,-) - een (rechtstreeks) gevolg van het bewezenverklaarde en is van oordeel dat deze genoemde posten voldoende onderbouwd of aannemelijk zijn. De rechtbank overweegt ten aanzien van de (overige) onderstaande schadeposten (aanvullend) als volgt. Beschadigde kleding (€ 300,-) Benadeelde heeft gesteld dat zijn kleding als gevolg van het misdrijf ondraagbaar is geworden. Het schadebedrag is niet door de benadeelde onderbouwd. Nu, gelet op het procesdossier, sprake is van rechtstreekse schade zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank acht een bedrag van € 100,- aan schadevergoeding voor de beschadigde kleding billijk en wijst dit bedrag toe. De rechtbank zal de benadeelde voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Studievertraging (€ 16.650,-) De benadeelde partij heeft een bedrag van € 16.650,- gevorderd wegens, zo begrijpt de rechtbank, gemiste verdiencapaciteit. Blijkens de toelichting op de vordering had de benadeelde vanuit de organisatie waar hij vrijwilligerswerk deed, een opleiding tot [functie] aangeboden gekregen, waarmee de benadeelde niet heeft kunnen starten vanwege de verwondingen die de benadeelde heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Ten aanzien van dit deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank heeft geen enkel inzicht in het inkomen van de benadeelde voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit. Daarom kan de rechtbank niet beoordelen of en in hoeverre de benadeelde de gevorderde schade lijdt. Omdat het een onevenredige belasting van het strafgeding op zou leveren om dit alsnog uit te zoeken, zal de rechtbank de benadeelde voor dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het niet-ontvankelijke deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de aantasting ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde psychische schade heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen immateriële schade heeft geleden, nu hij door het oplopen van lichamelijk en geestelijk letsel in zijn persoon is aangetast. Dat uit de gegeven onderbouwing van de benadeelde niet blijkt dat een psychiater of psycholoog een in de psychiatrie erkend ziektebeeld bij benadeelde heeft vastgesteld, doet hier, gelet op vaste jurisprudentie, niet aan af. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde nadelige gevolgen, zoals het oplopen van zwaar lichamelijk letsel en PTSS-klachten waarvoor hij psychologische behandeling ondergaat, stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 10.000,-. Omdat de rechtbank onvoldoende informatie heeft over de huidige medische situatie van de benadeelde en in hoeverre de benadeelde hier in het dagelijks leven beperkingen door ondervindt, ziet zij geen aanleiding een hoger schadebedrag toe te kennen. De rechtbank zal de benadeelde voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het niet-ontvankelijke deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Wettelijke rente De rechtbank zal de vordering voor een totaalbedrag van € 11.466,- toewijzen, bestaande uit € 1.466,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2023 tot de dag van volledige betaling. Schadevergoedingsmaatregel Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 11.466,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 mei 2023 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 92 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Proceskosten Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. 11 VORDERING TENUITVOERLEGGING Bij vonnis van de politierechter te Midden-Nederland van 1 februari 2023 (parketnummers: 16/308414-22 en 16/303814-22 (gev. ttz)) is aan verdachte onder meer een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren opgelegd, waarbij als voorwaarde is gesteld dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. 11.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf geheel ten uitvoer te leggen. 11.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Gezien de bijzondere voorwaarden waar verdachte zich ten tijde van zijn schorsing uit voorlopige hechtenis aan heeft moeten houden, voegt een werkstraf op dit moment weinig toe. Bovendien bestaat de kans dat verdachte overvraagd wordt. De raadsman heeft subsidiair verzocht de proeftijd met een jaar te verlengen. 10.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden toegewezen omdat, zoals blijkt uit dit vonnis, verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal daarom de voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren geheel ten uitvoer leggen. 12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Volledig
13 BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast; - stelt als algemene voorwaarden dat verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Inforsa Reclassering Utrecht op het adres Wittevrouwenkade 6 (3512 CR) in Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; zich laat behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; medewerking verleent aan verdiepingsdiagnostiek door een zorgverlener, nader te bepalen door de reclassering; verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte werkt mee aan de indicatiestelling, plaatsing en verblijf bij een passende vervolgplek. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; geen alcohol gebruikt en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Het alcoholverbod duurt zolang de reclassering nodig acht; zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur; Benadeelde partij [slachtoffer 1] - wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 11.466,-, bestaande uit € 1.466,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade; veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2023 tot de dag van volledige betaling; verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 11.466,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2023 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 92 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; Beslag - verklaart de volgende voorwerpen verbeurd: munitie (G3158283); munitie (G3158282); een wapen (G3158281); - gelast de teruggave aan de heer [slachtoffer 1] , van: een jas (G3158287); een shirt (G3158285); een shirt (G3158284); - gelast de teruggave aan verdachte van: een kassabon (G3158295); Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/308414-22 en 16/303814-22 (gev. ttz) - wijst de vordering toe; - gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 1 februari 2023 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren; Voorlopige hechtenis - wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af. Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, mrs. I.G.C. Bij de Vaate en T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2024.
Volledig
13 BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast; - stelt als algemene voorwaarden dat verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Inforsa Reclassering Utrecht op het adres Wittevrouwenkade 6 (3512 CR) in Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; zich laat behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; medewerking verleent aan verdiepingsdiagnostiek door een zorgverlener, nader te bepalen door de reclassering; verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte werkt mee aan de indicatiestelling, plaatsing en verblijf bij een passende vervolgplek. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; geen alcohol gebruikt en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Het alcoholverbod duurt zolang de reclassering nodig acht; zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur; Benadeelde partij [slachtoffer 1] - wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 11.466,-, bestaande uit € 1.466,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade; veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2023 tot de dag van volledige betaling; verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 11.466,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2023 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 92 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; Beslag - verklaart de volgende voorwerpen verbeurd: munitie (G3158283); munitie (G3158282); een wapen (G3158281); - gelast de teruggave aan de heer [slachtoffer 1] , van: een jas (G3158287); een shirt (G3158285); een shirt (G3158284); - gelast de teruggave aan verdachte van: een kassabon (G3158295); Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/308414-22 en 16/303814-22 (gev. ttz) - wijst de vordering toe; - gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 1 februari 2023 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren; Voorlopige hechtenis - wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af. Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, mrs. I.G.C. Bij de Vaate en T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2024.