Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-12
ECLI:NL:RBMNE:2024:7733
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,455 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4189
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2024 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , te [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: M.W.A. Notenboom).
Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2023 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het recht van eisers op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 23 augustus 2023 ingetrokken en de over de periode van 23 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2023 verstrekte bijstand van € 479,36 (na verrekening € 245,39) teruggevorderd.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Eisers hebben op 13 oktober 2023 opnieuw bijstand aangevraagd.
Bij besluit van 3 november 2023 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 2 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers, gericht tegen de primaire besluiten 1 en 2, ongegrond verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2024. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld door hun dochter [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers ontvangen sinds 26 april 2018 bijstand naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een anonieme melding dat eiser illegaal werkzaamheden zou verrichten bij een garage, heeft verweerder een handhavingsonderzoek uitgevoerd. Ten behoeve van het onderzoek heeft verweerder waarnemingen verricht bij de woning van eisers en is een integrale controle uitgevoerd bij garage Multicar (hierna: de garage). Ook heeft verweerder met eisers gesproken. Het gespreksverslag hebben eisers ondertekend ingeleverd. Ten slotte heeft verweerder de bankafschriften van eisers gecontroleerd. De onderzoeksresultaten zijn vastgelegd in de Rapportage handhaving van 4 oktober 2023. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft verweerder de hiervoor genoemde besluiten genomen.
2. Aan de intrekking en terugvordering heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser heeft namelijk geen melding gemaakt van de op geld waardeerbare activiteiten bij de garage, waar hij vanaf 23 augustus 2023 is aangetroffen. Omdat eiser geen administratie of deugdelijke verklaring over zijn aanwezigheid in de garage heeft gegeven, kan verweerder het recht op bijstand niet vast stellen. Omdat eisers bij de aanvraag om bijstand geen gewijzigde omstandigheden hebben opgegeven, heeft verweerder die aanvraag afgewezen.
Ten aanzien van de intrekking en terugvordering
3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat zij een redelijke verklaring hebben gegeven voor de aanwezigheid van eiser in de garage. Eiser heeft vroeger gewerkt in de garage. Hij is nu arbeidsongeschikt en gaat langs bij de garage om een praatje te maken en koffie te drinken. Hij woont vlakbij de garage. Hij is één keer werkend aangetroffen in de garage, maar daarbij heeft hij uitgelegd dat hij om hulp is gevraagd. Sindsdien is eiser niet meer in de garage geweest. Eiser wijst daarbij op de verklaring van de eigenaar van de garage van 24 januari 2024, de eigenaar verklaart dat eiser nimmer werkzaam is geweest daar. Gelet op deze redelijke verklaring, gaat volgens eisers de vooronderstelling dat eiser op geld waardeerbare arbeid verricht in de garage niet op.
4. De rechtbank overweegt dat een besluit tot intrekking en terugvordering een voor de betrokkene belastend besluit is. Het is dan aan het bijstandverlenend orgaan om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Verweerder dient daarom aannemelijk te maken dat eiser in de hier te beoordelen periode, die loopt van 23 augustus 2023 (datum intrekking) tot en met 6 oktober 2023 (datum besluit) op geld waardeerbare arbeid heeft verricht.
5. Uit de onderzoeksresultaten van het handhavingsonderzoek volgt dat de auto van eiser vanaf 23 augustus 2023 meermaals overdag bij de garage isaangetroffen. Tijdens de integrale controle op 6 september 2023 om 11.10 uur is eiser aangetroffen onder een voertuig, dat op de autobrug stond, met een lamp en een koevoet in zijn handen. Eiser heeft op dat moment verklaard dat hij niet werkt bij de garage, maar dat de eigenaar hem heeft gebeld om te komen helpen. Naar zeggen van eiser heeft hij eerder voor de garage gewerkt, is de eigenaar van de garage een vriend van hem en komt hij twee keer per week koffiedrinken. Tijdens het gesprek met verweerder op 11 september 2023 heeft eiser verklaard dat hij naar de garage gaat om een praatje te maken. Hij is niet altijd in de garage, misschien 1, misschien 2, misschien 3 keer in de week. Hij weet ook niet hoelang hij daar is, soms 1 uur, soms 1,5 uur, soms loopt hij naar binnen en naar buiten.
6. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de onderzoeksresultaten de conclusie dragen dat eiser vanaf 23 augustus 2023 in de garage op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Eiser is tijdens reguliere arbeidsuren op een werkplek aangetroffen. Eiser heeft dit ook zelf erkend. Dan geldt volgens vaste rechtspraak de vooronderstelling dat eiser daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Eiser heeft met zijn verklaring niet aannemelijk gemaakt dat deze vooronderstelling in zijn geval niet opgaat. Eiser heeft deze verklaring namelijk niet onderbouwd met verifieerbare en concrete informatie. De verklaring van de eigenaar van de garage is daarvoor onvoldoende, omdat daaruit niet duidelijk wordt wanneer eiser aanwezig is geweest in de garage en wat hij daar dan heeft gedaan.
7. Vaststaat dat eiser geen melding heeft gemaakt bij verweerder van deze op geld waardeerbare arbeid. Daardoor heeft hij de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Als gevolg daarvan kan verweerder het recht op bijstand niet vaststellen. Eiser heeft namelijk ook geen administratie of concrete en verifieerbare verklaringen over zijn aanwezigheid in de garage overgelegd. Verweerder heeft dan terecht het recht van eisers op bijstand vanaf 23 augustus 2023 ingetrokken en de tot en met 31 augustus 2023 teveel betaalde bijstand teruggevorderd.
Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag
8. Eisers hebben ook aangevoerd dat sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat zij in aanmerking komen voor bijstand. Eiser is sinds de controle van verweerder niet meer in de garage geweest. Ter onderbouwing wijzen eisers op de verklaring van de eigenaar van de garage van 24 januari 2024.
9. De hier te beoordelen periode loopt van 13 oktober 2023 (datum aanvraag) tot en met 3 november 2023 (datum afwijzing).
10. De rechtbank overweegt dat het in dit geval gaat om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand na een eerdere intrekking van de bijstand. Omdat verweerder in het bestreden besluit de beoordeling van de aanvraag heeft beperkt tot de vraag of eisers hebben aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zij over de te beoordelen periode wel voldoen aan de voorwaarden voor het recht op bijstand, wordt de beoordeling van de rechtbank ook daartoe beperkt. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB.
11. De rechtbank stelt vast dat eisers bij hun aanvraag op 13 oktober 2023 geen gewijzigde omstandigheden hebben vermeld. De rechtbank oordeelt dat eisers daarmee niet aan hun bewijslast hebben voldaan. Voor zover eisers in bezwaar en tijdens de hoorzitting hebben verklaard dat eiser niet meer in de garage is geweest, hebben zij hiervan geen onderbouwing gegeven. Voor zover eisers hebben verwezen naar de verklaring van de eigenaar van de garage, blijkt daaruit niet dat eiser niet meer in de garage is geweest, maar slechts dat hij daar niet werkt. Bovendien dateert de verklaring van ná de hier te beoordelen periode. Dan heeft verweerder terecht geconcludeerd dat niet gebleken is van gewijzigde omstandigheden en de aanvraag om die reden terecht afgewezen.
12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 november 2024.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2360.
Artikel 17, eerste lid, van de Pw
Artikel 54, derde lid, van de Pw
Artikel 58, eerste lid, van de Pw
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 31 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1205.