Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-16
ECLI:NL:RBMNE:2024:7727
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,923 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1796
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W. de Klein),
en
de korpschef van politie
(gemachtigde: mr. C.R. Angel).
Inleiding
Wat is er – in het kort – gebeurd?
1. Eiser heeft met een vaststellingsovereenkomst zijn dienstverband bij de korpschef beëindigd. Hij heeft vervolgens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en een aanvullende uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie (Bbwp) aangevraagd.
2. Het UWV heeft in het besluit van 3 februari 2023, gehandhaafd in het besluit op bezwaar van 13 juni 2023, aan eiser per 1 februari 2023 een WW-uitkering toegekend. Het ongemaximeerde dagloon van eiser is daarbij vastgesteld op € 309,62. Het door eiser tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep heeft zich beperkt tot het punt van de toestemming om met behoud van de WW-uitkering een opleiding te volgen. Het vastgestelde dagloon heeft eiser in dat beroep niet betwist.
3. De korpschef heeft in het besluit van 15 juni 2023 aan eiser per 1 februari 2023 een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BWW-uitkering) op grond van het Bbwp toegekend. De korpschef is bij de berekening van de hoogte van de BWW-uitkering uitgegaan van het ongemaximeerde dagloon van € 309,62 per dag, zoals vastgesteld door het UWV.
4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de door de korpschef toegekende BWW-uitkering. Eiser wil van de korpschef vrijstelling van de sollicitatieplicht gedurende zijn opleiding en hij wil dat zijn dagloon wordt verhoogd met 3% conform de salarismaatregel in de CAO Politie per 1 januari 2023.
5. Omdat de korpschef, na in gebreke te zijn gesteld, niet heeft beslist op het bezwaar, heeft eiser een beroep niet tijdig beslissen ingediend (UTR 23/5070). Deze rechtbank heeft op 22 januari 2024 een uitspraak gedaan op dit beroep, waartegen eiser verzet heeft ingesteld. Op dit verzet wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
6. Bij besluit van 1 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van eiser gegrond verklaard, in die zin dat aan eiser een vrijstelling van de sollicitatieplicht wordt verleend gedurende de afgesproken scholings-/studieperiode. Voor het overige (waaronder de hoogte van de BWW-uitkering) is het primaire besluit in stand gelaten. De korpschef heeft eiser een proceskostenvergoeding in bezwaar toegekend van
€ 624,--.
7. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de korpschef en [persoon1] namens de korpschef.
9. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling
10. De rechtbank beoordeelt de toekenning van de BWW-uitkering aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
11. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De berekening van de hoogte van de BWW-uitkering
12. Eiser voert aan dat de korpschef bij de berekening van het dagloon ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de salarisverhoging van 3% per 1 januari 2023 vanuit de CAO Politie. Dat moet op grond van artikel 19 van het Bbwp wel. De korpschef is uitgegaan van het ongemaximeerde dagloon zoals vastgesteld door het UWV, echter daarbij is uitgegaan van de referteperiode in 2022 zonder de salarisverhoging van 3% per 1 januari 2023. Er is volgens eiser op dit punt sprake van een hiaat in de regelgeving, zo heeft hij ter zitting gesteld.
13. Volgens de korpschef is de BWW-uitkering op juiste wijze berekend, uitgaande van het ongemaximeerde dagloon zoals vastgesteld door het UWV. De korpschef is op grond van het Bbwp uitgegaan van de dagloonregels van het UWV. De door eiser genoemde salarisverhoging van 3% is ingegaan op 1 januari 2023, dus vóór de ingangsdatum van de BWW-uitkering per 1 februari 2023. Om die reden is de salarisverhoging niet meegenomen bij de berekening van de BWW-uitkering.
14. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag voor doorvoering van de salarisverhoging van 3% bij de berekening van het ongemaximeerde dagloon in het kader van de BWW-uitkering. Weliswaar is in artikel 19 van het Bbwp bepaald dat het dagloon wordt aangepast overeenkomstig een algemene salarismaatregel in de sector Politie, maar dit artikellid is pas geldig op het moment dat eiser onder de werkingssfeer van het Bbwp valt en recht heeft op een aanvullende BWW-uitkering. Niet is geschil is dat eiser eerst per 1 februari 2023 aanspraak maakt op een BWW-uitkering, terwijl de salarisverhoging van 3% vanuit de CAO Politie per 1 januari 2023 is doorgevoerd. Voor zover eiser op de zitting heeft gesteld dat hierdoor sprake is van een hiaat in de regelgeving, ziet de rechtbank zonder nadere toelichting geen grond om eiser hierin te volgen en de betreffende bepaling in het Bbwp in het geval van eiser (deels) buiten toepassing te laten. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitkomst in het geval van eiser in strijd is met de bedoeling van de wetgever en van een onevenredige benadeling van eiser (in strijd met het evenredigheidsbeginsel) is evenmin gebleken. Voor het overige is niet gesteld of gebleken dat de korpschef het dagloon voor de BWW-uitkering, en daarmee de BWW-uitkering, op onjuiste wijze heeft vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Schending hoorplicht
15. Eiser voert nog aan dat de korpschef de hoorplicht heeft geschonden. Ondanks uitdrukkelijk verzoek van eiser, is hij niet in bezwaar gehoord. De korpschef lijkt na de uitspraak van de rechtbank op 22 januari 2024 in allerijl een beslissing op bezwaar te hebben genomen om een dwangsom te ontlopen. Als gevolg hiervan heeft eiser beroep moeten instellen. Volgens eiser is dit een exemplarisch voorbeeld voor de handelswijze van de korpschef. Er is sprake van structurele en systematische bestuursprocesrechtelijke schendingen. Eiser moet zelf overal achteraan gaan, dit geeft veel spanning en frustratie. Hij verzoekt dan ook om een proceskostenvergoeding, vergoeding van het griffierecht en een schadevergoeding van € 1.000,- voor immateriële schade. Het door hem geleden nadeel kan volgens eiser niet gepasseerd worden door toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
16. De korpschef heeft op de zitting erkend dat er geen geldige reden was om af te zien van het horen van eiser in bezwaar en hij heeft hiervoor zijn excuses aangeboden. De proceskosten zijn voor de korpschef geen punt van geschil en hij gaat akkoord met een veroordeling in die kosten. Voor toekenning van een schadevergoeding ziet de korpschef geen aanleiding.
17. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het bestreden besluit in strijd met de hoorplicht is genomen. De korpschef heeft zonder geldige reden afgezien van het horen van eiser in bezwaar. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor is benadeeld. Eiser heeft in beroep zijn standpunten naar voren kunnen brengen en kunnen toelichten. Hij heeft op de zitting desgevraagd ook niet aangegeven dat hij alsnog in bezwaar wil worden gehoord door de korpschef. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank aanleiding de schending van de hoorplicht in bezwaar te passeren onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
18. Eiser heeft gevraagd om een vergoeding van immateriële schade, omdat hij naar eigen zeggen door de gang van zaken en de lange duur van de procedure(s) met de korpschef veel spanning en frustratie heeft ervaren. Eiser heeft de gestelde schade echter niet onderbouwd. Een systematische/structurele schending van beginselen van behoorlijk bestuur(sprocesorde) door de korpschef heeft de rechtbank in deze procedure ook niet vast kunnen stellen. Dat de hoorplicht is geschonden, is onvoldoende om te concluderen dat van een dergelijke schending sprake is. De rechtbank wijst daarom het verzoek om een schadevergoeding af.
19. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. De kosten voor professionele rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 1.750,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 875,-). De proceskostenvergoeding in bezwaar heeft de korpschef bij het bestreden besluit reeds toegekend, zodat de rechtbank zich daarover niet uitlaat. De reiskosten van € 5,16 die eiser heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank komen ook voor vergoeding in aanmerking.
20. De totale te vergoeden proceskosten bedragen daarmee € 1.755,16. Daarnaast moet de korpschef het door eiser in beroep betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden.
Conclusie
21. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De korpschef moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten en reiskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de korpschef tot betaling van € 1.755,16 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
16 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van deze rechtbank van 29 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6407.
ECLI:NL:RBMNE:2024:6737
artikel 3, eerste lid, van het Bbwp.
Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
Artikel 7:3 van de Awb.