Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-23
ECLI:NL:RBMNE:2024:7722
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,736 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4228
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),
en
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder
(gemachtigde: mr. N. le Sage).
Inleiding
Wat is er – in het kort – gebeurd?
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1941 en zij is zorgbehoevend. Ze ontvangt thuis zorg van onder andere haar zoon [zoon] (hierna: de zoon). Ze heeft op 17 oktober 2023 een persoonsgebonden budget (pgb) inclusief toeslag Extra Kosten Thuis (EKT) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) aangevraagd.
2. Bij besluit van (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een pgb toegekend voor het zorgprofiel ‘Wonen met zeer intensieve begeleiding en zeer intensieve verzorging’ voor de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 ter grootte van € 92.389,--. De door eiseres gevraagde toeslag EKT heeft verweerder afgewezen.
3. In het besluit van 23 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.
4. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 11 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door mr. O. Bergers, en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [persoon] .
Beoordeling
6. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om pgb inclusief EKT aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het basisbudget uit het pgb toereikend is als eiseres haar zoon het geldende uurtarief voor informele zorg van
€ 24,44 betaalt in plaats van de voorgestane € 34,28 per uur. Hoewel verweerder erkent dat eiseres op grond van de overgangsbepaling uit artikel 5:22, tweede lid, aanhef en onder b van de Regeling langdurige zorg (Rlz) een hoger tarief mag hanteren, acht verweerder dit hogere tarief niet langer doelmatig wanneer daarmee het basisbudget van € 92.389,- wordt overschreden. En bij een aanvraag om EKT moet eerst beoordeeld worden of de zorg thuis binnen het basisbudget niet doelmatig kan worden geleverd. Verweerder is niet gebleken dat eiseres de benodigde zorg niet kan inkopen tegen het maximale informele uurtarief van
€ 24,44. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat de maximale informele tarieven als redelijk worden beschouwd, dat deze tarieven hoger zijn dan de salarissen uit de CAO VVT en dat het pgb niet bedoeld is als inkomensvoorziening voor de zoon. Deze (aangescherpte) doelmatigheidsbeoordeling volgt uit toepassing van artikel 5:1a van de Rlz en artikel 3:33, vierde lid, onder a van de Wlz. Ook heeft verweerder verwezen naar de Regeling mogelijkheden voor extra budget 2023 (hierna: de Regeling).
9. Eiseres heeft hiertegen in beroep - samengevat - aangevoerd dat de EKT ten onrechte is geweigerd. Verweerder gaat ten onrechte voorbij aan haar aanspraak op een hoger tarief op grond van artikel 5:22, tweede lid, aanhef en onder b van de Rlz. Verweerder heeft ook niet onderzocht en niet goed gemotiveerd waarom toepassing van het hogere tarief in haar geval ondoelmatig is. Eiseres wordt volgens haar wens thuis verzorgd door haar zoon. Dat brengt meer kosten met zich mee dan verzorging in een instelling. Verweerder heeft voor deze situatie eerder het pgb inclusief EKT toegekend, omdat de besteding doelmatig werd geacht. Door de weigering van de EKT kan de zoon van eiseres de zorg voor eiseres niet langer bieden. Er zal dan professionele zorg tegen een hoger tarief moeten worden ingekocht. Dat is niet doelmatig.
10. Het beroep slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de afwijzing van het pgb inclusief EKT niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
11. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres voldoet aan de voorwaarden uit artikel 5:22, tweede lid, aanhef en onder b van de Rlz. Zij mag op grond daarvan met haar informele zorgverleners een uurtarief afspreken tot ten hoogste € 77,-- in plaats van ten hoogste het maximale informele uurtarief van € 24,44. Eiseres heeft met haar zoon een uurtarief van € 34,27 afgesproken. Dat valt binnen de grens uit artikel 5:22, tweede lid, aanhef en onder b van de Rlz. Haar totale zorgkosten komen dan ongeveer € 3.384,20 boven het basisbudget van € 92.389,- uit. Voor dat bedrag is de EKT aangevraagd.
12. Met een toeslag EKT kan het basisbudget met ten hoogste 25% worden verhoogd om een weigering van het pgb wegens ondoelmatigheid te vermijden.Volgens de Regeling toetst verweerder daarvoor of de situatie van eiseres ‘doelmatig en verantwoord’ is. In de Regeling staat hierover het volgende opgenomen: “Doelmatig wil zeggen dat uw zorg thuis niet duurder is dan de zorg die u in een instelling zou krijgen. De zorg moet qua kwaliteit en kosten in balans zijn en aansluiten op uw zorgbehoefte. Het zorgkantoor bekijkt ook of de huidige zorg doelmatig wordt ingezet. Hierbij wordt gekeken of u redelijke tarieven heeft afgesproken met uw zorgverleners of dat u hiermee nog kunt schuiven zodat u wel alle benodigde zorg kunt inkopen”. De rechtbank ziet gelet op de uitwerking van het begrip doelmatig in de Regeling geen plaats voor een nadere definiëring van dit begrip in deze uitspraak, zoals door verweerder op de zitting verzocht.
13. De rechtbank ziet de vereiste doelmatigheidsbeoordeling niet kenbaar terug in de besluitvorming van verweerder. Onderdeel daarvan is dat de zorg aansluit op de zorgbehoefte van eiseres. Verweerder heeft echter niet betrokken welke zorg eiseres nodig heeft, welke zorg de zoon thuis levert en wat de kwaliteit en de kwantiteit van die zorg is. Ook van belang is dat eiseres met de zorg van haar zoon volgens haar wensen in een vertrouwde omgeving wordt verzorgd door een vertrouwd persoon. Verder heeft verweerder de redelijkheid van de hoogte van het uurtarief van de zoon alleen afgezet tegen het maximale informele uurtarief van € 24,44. Daarmee heeft verweerder ten onrechte niet betrokken hoe het uurtarief van de zoon zich in redelijkheid verhoudt tot het maximale (formele) uurtarief op grond van artikel 5:22, tweede lid, aanhef en onder b van de Rlz. Ook heeft verweerder niet betrokken wat de totale zorgkosten zijn en in hoeverre sprake is van overschrijding van het basisbudget. Daartegenover staan de kosten van het alternatief: zorg door een professional thuis of in een instelling én de impact daarvan op eiseres. Verweerder heeft deze aspecten niet kenbaar in de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee de doelmatigheid van het gevraagde pgb inclusief EKT onvoldoende onderzocht en ontoereikend gemotiveerd.
14. De rechtbank laat de overige beroepsgrond, over het ontbreken van een uitlooptermijn, onbesproken. Er staat, gelet op het voorgaande, immers nog niet vast dat eiseres geen recht heeft op een pgb inclusief EKT.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat verweerder een doelmatigheidsbeoordeling dient te maken uitgaande van de aanvraag van eiseres en aan de hand van de in de Regeling opgenomen beoordelingscriteria. Daarbij wijst de rechtbank ook op de in overweging 13 geconstateerde tekortkomingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder op te dragen om het gebrek te herstellen met een zogenoemde bestuurlijke lus. Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
16. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
17. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 april 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2024.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 5.1a van de Rlz
Paragraaf 1.3.3.1