Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-31
ECLI:NL:RBMNE:2024:7701
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,420 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1649
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
1. In de tussenuitspraak van 17 oktober 2023 (de eerste tussenuitspraak) heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek in de beslissing op bezwaar van 6 maart 2023
(het bestreden besluit) te herstellen. Om het gebrek te herstellen kreeg het Uwv de opdracht om de beslagvrije voet van eiser opnieuw te berekenen per 1 juli 2022 en per
1 januari 2023.
2. Het Uwv heeft in reactie op de tussenuitspraak op 21 februari 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (het wijzigingsbesluit). Het Uwv heeft het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard en geconcludeerd dat eiser per 1 januari 2023 geen aflossingscapaciteit heeft.
3. De rechtbank heeft naar aanleiding van deze reactie op 17 juni 2024 een tweede tussenuitspraak gedaan omdat het Uwv in het wijzigingsbesluit niet de beslagvrije voet ook per 1 juli 2022 had berekend.
4. Het Uwv heeft in reactie hierop op 20 juni 2024 een nadere toelichting ingediend.
Eiser heeft op 18 juni 2024 een nadere reactie ingediend en is het niet eens met de herstelpoging van het Uwv in het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraken. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna anders wordt overwogen.
7. De rechtbank begrijpt door de nadere toelichting van het Uwv dat twee keer de beslagvrije voet per 1 januari 2023 was berekend en dat dit met het wijzigingsbesluit is hersteld. Uit de nadere toelichting van het Uwv maakt de rechtbank op dat het wijzigingsbesluit effect heeft op de beide primaire besluiten van 17 november 2022 en 12 januari 2023.
8. De rechtbank oordeelt dat het Uwv het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit daarmee heeft hersteld. Het wijzigingsbesluit is in de plaats gekomen van het bestreden besluit. Eiser heeft niet gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van het bestreden besluit. Gelet hierop heeft eiser geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Daarom verklaart de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk.
9. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
10. Het wijzigingsbesluit vervangt het bestreden besluit en is daarmee een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank stelt vast dat het Uwv met het wijzigingsbesluit geheel is tegemoetgekomen aan het tegen het bestreden besluit gerichte beroep van eiser. Eiser is het niet eens met het wijzigingsbesluit, omdat hij vindt dat het Uwv bepaalde kosten mee had moeten rekenen. Het zou hem echter niets meer opleveren als die kosten meegerekend zouden zijn. Het Uwv heeft immers nu ook al besloten dat eiser geen aflossingscapaciteit heeft per 1 januari 2023. Daarmee heeft het Uwv het voor eiser het gewenste besluit genomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft eiser daarom geen belang bij het beroep tegen het wijzigingsbesluit en is daartegen geen beroep van rechtswege ontstaan.
Vergoeding griffierecht
11. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen waarin het bezwaar van eiser gegrond is verklaard en is geconcludeerd dat eiser geen aflossingscapaciteit heeft aanleiding te bepalen dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht aan haar vergoedt.
Geen proceskostenveroordeling
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat eiser geen gebruik heeft gemaakt van professionele rechtshulp en niet gebleken is van andere kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
31 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.