Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-16
ECLI:NL:RBMNE:2024:7698
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,304 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/145496-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 oktober 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] 1980 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode] te [plaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Kamper en van hetgeen mr. W.F.J. Kramer, advocaat te Utrecht, namens verdachte, naar voren heeft gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partij [slachtoffer] naar voren heeft gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:
op 27 april 2024 in Oudewater [slachtoffer] heeft aangerand door met zijn handen naar de billen en/of vagina te grijpen en met zijn handen onder haar T-shirt naar haar borsten te grijpen en/of in haar borsten te knijpen.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om de zaak inhoudelijk te behandelen.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Volgens de raadsman staat niet ter discussie dat de aanranding heeft plaatsgevonden. De betrokkenheid van verdachte bij de aanranding staat wél ter discussie en kan volgens hem niet worden vastgesteld. De herkenning van verdachte door het slachtoffer is onvoldoende betrouwbaar en kan niet gebruikt worden voor het bewijs.
Voor zover van belang worden de standpunten van de officier van justitie en de raadsman besproken bij het oordeel van de rechtbank.
4.3
Beoordeling
De rechtbank overweegt dat in de nacht van 27 april 2024 (koningsnacht) in Oudewater een incident heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) onverhoeds door een man werd vastgepakt en is aangerand. Dat het slachtoffer is aangerand, heeft op de zitting niet ter discussie gestaan en staat op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier vast.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft aangerand. Op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen zijn vervat, vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. De rechtbank zal na de bewijsmiddelen nader uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen.
4.3.1
Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , voor zover inhoudende:
Pleegdatum/tijd: tussen 27 april 2024 om 03:00 uur en 27 april 2024 om 04:30 uur.
Plaats delict: Oudewater.
Ik was in de kroeg in Oudewater en vertrok ongeveer rond 03:00 uur.
Vervolgens liep ik voorbij de [straat] .
Op enig moment zag ik rechts van mij op de grond de schaduw van een persoon. Ik draaide me helemaal om om te kijken wie er achter mij liep. Ik zag toen een man aan komen lopen. Doordat de lantaarnpaal er stond, kon ik de man goed zien. Ik kan de man als volgt beschrijven:
man;
blank;
gemillimeterd haar of kaal;
geen baardgroei;
vermoedelijk tussen de 40 en 50 jaar oud;
normaal postuur;
zwart gewatteerde jas.
Ik zag dat de man op mij af kwam lopen. Hij keek mij recht in mijn gezicht aan.
Vervolgens voelde ik dat ik bij mijn nek gepakt werd. Ik voelde dat ik met kracht naar de grond werd gedrukt waardoor ik op mijn knieën terecht kwam. Hij zei tegen me: “je moet niet tegen stribbelen, anders wordt het erger, waag het niet om iemand te bellen, anders ben je voorlopig nog niet van me af”.
Vervolgens voelde ik dat hij met zijn hand, vanaf mijn billen naar mijn vagina greep. Hij betaste mijn vagina op de broek.
Vervolgens voelde ik dat zijn hand, richting mijn rechter borst ging. Ik voelde dat zijn hand onder mijn T-shirt zat. Ik voelde dat het knijpen op dat moment pijn deed. Op enig moment liet hij mij los en zag ik hem wegrennen.
Ik zag dat er vervolgens twee dames en een jongen op mij af kwamen lopen. Ik kan me herinneren dat 1 van de dames mij een foto of een filmpje lieten zien waarop de man te zien was. Toen ze mij dit filmpje of foto lieten zien, zag ik de man en ik herkende de man gelijk als de man die mij heeft aangerand. Ik zag dat hij met zijn gezicht goed op deze foto stond.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , voor zover inhoudende:
Ik ging met een vriendin (de rechtbank begrijpt: getuige [getuige 2] ) iets voor drieën naar huis. Bij de brug in Oudewater zaten we een filmpje op te nemen. Toen kwam een kale man van denk ik 40/50 ons tegemoet lopen. Hij is zo’n 30 seconden in beeld geweest. Daarna bleef hij achter ons aan lopen. Bij mijn huis zijn wij een poortje ingeslagen. Toen liep hij rechtdoor.
Toen opeens dacht ik, ik loop toch even door die donkere poort heen want het zit me toch niet helemaal lekker. Op het moment dat wij die poort inlopen zien wij dezelfde man met zijn rug tegen de muur staan en loopt/half rent de poort weer uit. Toen zagen we die man nog twee keer door die poort heenlopen. Toen zijn wij naar buiten door diezelfde poort gelopen. We zagen die man niet, maar hoorden toen een vrouw huilen, schreeuwen. Ze zat 200 meter verderop. Toen zei ze dat ze was aangerand. Ik heb de man daarna ook nog twee keer gezien in de buurt, keihard rennend.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , voor zover inhoudende:
Mijn vriendin (de rechtbank begrijpt: getuige [getuige 1] ) en ik liepen naar huis vanuit koningsnacht (de rechtbank begrijpt: 27 april 2024). We waren voor snapchat een filmpje aan het opnemen. Toen kwam een kalende man met een zwarte bril en een zwarte jas met capuchon ons tegemoet lopen. Hij liep toen achter ons aan. Mijn vriendin woonde dichtbij. Wij zijn toen de steeg in gelopen naar haar huis.
Wij liepen de steeg uit en we hoorden een meisje gillen. Dat meisje zei dat ze bij haar keel gegrepen was en op de grond gegooid. Ze was heel erg aan het huilen. Dat meisje zei dat ze bij haar kruis en bij haar borst gegrepen was. Ik heb toen 112 gebeld.
Ik liet het filmpje zien. Zij begon toen nog harder te huilen en zei: “Dat is hem”.
Ik heb om 3:00 uur het filmpje opgenomen, en om 3:20 uur de politie gebeld.
Een proces-verbaal van bevindingen ter plaatse, voor zover inhoudende:
Ik hoorde dat [getuige 2] zei:
- wij zagen een vrouw op de brug zitten ter hoogte van [adres 2] .
- wij hoorden de vrouw huilen en zeggen dat zij was betast door een man.
- ik vroeg de vrouw hoe de man eruit zag;
- ik hoorde dat de vrouw zei dat de man kaal was en een zwarte jas aan had;
- ik liet het door mij gemaakte filmpje zien en hoorde de vrouw zeggen: "ja dat is hem”.
Een proces-verbaal van uitkijken camerabeelden en herkenning verdachte, inclusief printscreens, voor zover inhoudende:
Het bewuste filmpje dat door de dames aan het slachtoffer is getoond is in het bezit gekomen van de politie. Ik zag dat de man op de beelden het volgende signalement had:
man;
blank;
40 a 50 jaar oud;
kaal;
hamsterwangen;
normaal postuur;
brildragend (donker van kleur);
donkere jas met capuchon.
Herkenning verdachte [verdachte]
In de bij de politie ter beschikking staande systemen heb ik gezocht op bovengenoemd signalement in combinatie met Oudewater. Uit de zoekvraag van bovengenoemd signalement kwam een melding van een schennispleging naar voren.
Beoordeling
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aanranding. Dat heeft hij gedaan door midden in de nacht een vrouw die alleen naar huis liep abrupt bij haar nek te pakken, naar de grond te duwen en naar haar billen en vagina te grijpen en in haar borst te knijpen. Daar komt bij dat verdachte het slachtoffer heeft vastgehouden en dreigende woorden tegen haar heeft gesproken. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook haar gevoel van veiligheid aangetast. Uit de vordering van de benadeelde partij en de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt ook dat deze gebeurtenis een grote impact heeft gehad op haar. De rechtbank rekent dit verdachte aan, evenals het feit dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft getoond voor zijn handelen. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft bij haar beslissing rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie (‘het strafblad’) van verdachte van 21 augustus 2024. Hieruit blijkt dat verdachte op 1 november 2021 door de politierechter (onherroepelijk) is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Er is dus sprake van recidive en de rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Jeugdbescherming & Reclassering Leger des Heils van 1 augustus 2024, opgemaakt door reclasseringswerker L.S.M. Bijkerk. Hierin adviseert de reclassering om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer. Het risico op recidive en letsel wordt ingeschat als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag.
Uit het reclasseringsadvies volgt dat verdachte normaliter een stabiel leven leidt, maar dat wordt waargenomen dat daar momenteel minder sprake van is. Verdachte beschikt weliswaar over vaste huisvesting, een baan en inkomen, maar leidt, sinds de verdenking van het ten laste gelegde, een zeer teruggetrokken bestaan. Verdachte komt amper buiten, werkt niet meer en onderhoudt geen sociale contacten. Hierin ziet de reclassering risico’s ten aanzien van het psychosociaal welzijn van verdachte.
Verdachte is eerder in beeld geweest bij reclassering en heeft in het kader van een eerder toezicht behandeling gevolgd bij De Waag. Deze behandeling werd positief afgerond. De reclassering ziet, ondanks de proceshouding van verdachte, voldoende aanknopingspunten om een behandeling opnieuw op te starten, dan wel te continueren.
Strafoplegging
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, het strafblad van verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, kan volgens de rechtbank niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte, ondanks een eerdere positief afgeronde behandeling bij De Waag, zich wederom schuldig heeft gemaakt aan een vergelijkbaar strafbaar feit. Nu de reclassering aanknopingspunten ziet om de behandeling opnieuw op te starten, dan wel te continueren, ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen en daaraan de bijzondere voorwaarden te koppelen, zoals geadviseerd door de reclassering.
De rechtbank zal in overeenstemming met de eis van de officier van justitie verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.
9BENADEELDE PARTIJ
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 559,-. Dit bedrag bestaat uit € 59,- materiële schade en € 500,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Voorts heeft de benadeelde partij € 25,- aan proceskosten gevorderd.
9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van bovengenoemde benadeelde partij integraal kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, in verband met de bepleite vrijspraak.
9.3
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank overweegt ten aanzien van de materiële schade dat de schadeposten zullen worden toegewezen. Deze schadeposten (kleding en benzinekosten) zijn het rechtstreekse gevolg geweest van het bewezenverklaarde, zijn voldoende onderbouwd en de gevraagde kosten zijn redelijk en billijk.
De rechtbank zal dus aan materiële schade het volledig gevorderde bedrag van in totaal € 59,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 april 2024) tot aan de dag van volledige betaling.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde partij onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade indien zij ten gevolge van het strafbare feit in hun persoon zijn aangetast.
Ten aanzien van de gestelde immateriële schade overweegt de rechtbank dat gelet op de aard en de ernst van de normschending, de nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van de door de benadeelde partij in haar vordering gestelde omstandigheden en de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, vindt de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 500,- billijk en zal deze in zijn geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 april 2024) tot aan de dag van volledige betaling.
Proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op € 25,-.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt, als extra waarborg voort betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Deze maatregel houdt de verplichting tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat in, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en bij gebreke van betaling te vervangen door de bijbehorende aantal dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee (2) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van één (1) maand, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:
zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering op het adres Zeehaenkade 30 te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
verdachte laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1987, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte ter zake van het bewezen verklaarde tot een taakstraf van 60 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;
Benadeelde partij
wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 559,-;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 25,-;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 559,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 11 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, en mr. A.M.M. Lemmen en mr. A.J. Reitsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2024.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 april 2024 te Oudewater, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten- die [slachtoffer] onverhoeds van achteren te benaderen en/of- vervolgens die [slachtoffer] bij de keel te grijpen en/of richting de grond te duwen en/of- met zijn handen naar de (met kleding bedekte) billen en/of vagina van die [slachtoffer] te grijpen en/of- met zijn handen onder het T-shirt van die [slachtoffer] naar de borsten te grijpen en/of in de borsten te knijpen en/of- daarbij de woorden toe te voegen: 'je moet niet tegenstribbelen, anders wordt het erger. Waag het niet om iemand te bellen, anders ben je voorlopig niet van me af', althans woorden van gelijke aard of strekking;
( art 246 Wetboek van Strafrecht )
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 mei 2024, genummerd PL0900-2024131447, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 108. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Alle opgenomen bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven.
Pagina 7.
Pagina 8.
Pagina 9.
Pagina 57.
Pagina 58.
Pagina 64.
Pagina 65.
Pagina 4.
Pagina 18.
Beoordeling
De schennispleger had als signalement kaal, brildragend en hij droeg werkkleding. De schennispleger was in deze melding: [verdachte] , geboren: [geboortedatum 1] 1980.
Ik heb deze man in de politie ter beschikking staande systemen nagetrokken. Ik heb de rijsbewijsfoto van deze man bekeken en ik zag meteen dat de rijbewijsfoto dezelfde persoon was als de man op het filmpje. Ik herkende de man aan zijn gehele gelaat. Ik zag ook dat de man, op zijn rijbewijsfoto, een bril met hetzelfde montuur als op het filmpje droeg. Ik zag ook dat de man op de rijbewijsfoto dezelfde ‘hamsterwangen’ als op het filmpje had. Ik zag verder dat de man woonachtig is in de directe omgeving van de plaats delict.
4.3.2
Bewijsoverweging
Betrokkenheid verdachte
Uit de bewijsmiddelen volgt dat getuigen [getuige 1] en [getuige 2] in de nacht van 27 april 2024 een man waren tegengekomen. De man is te zien op een filmpje dat zij die nacht hebben gemaakt. De man is hen vervolgens gevolgd tot aan het huis van [getuige 1] . Dat huis bevond zich in de buurt van de plaats delict. Terwijl [getuige 1] en [getuige 2] binnen in de woning waren, zou de man zich hebben opgehouden in de buurt van de woning. Toen [getuige 1] en [getuige 2] naar buiten gingen om te kijken of de man zich nog steeds nabij de woning bevond, hoorden zij verderop het slachtoffer huilen.
De politie heeft nader onderzoek gedaan naar het filmpje dat [getuige 1] en [getuige 2] hebben gemaakt. Op het filmpje wordt de man geïdentificeerd en herkend als verdachte.
Naar het oordeel van de rechtbank bevestigt het voorgaande niet alleen de aanwezigheid van verdachte in de buurt van de plaats delict rond het tijdstip van het incident, maar ook zijn betrokkenheid bij de aanranding. Het desbetreffende filmpje is immers ter plaatse aan het slachtoffer laten zien en zij heeft de persoon op het filmpje direct herkend als degene die haar vlak daarvoor heeft aangerand. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de herkenning te twijfelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De herkenning heeft vrijwel meteen na het incident plaatsgevonden. Het slachtoffer verklaart in haar aangifte dat zij de dader die avond goed heeft kunnen zien doordat een lantaarnpaal brandde. Ook keek de dader haar recht in haar ogen aan en was zijn gezicht op het filmpje/de foto goed zichtbaar. De rechtbank hecht daarbij waarde aan de stelligheid waarmee verdachte door het slachtoffer als dader wordt herkend. In haar aangifte verklaart het slachtoffer dat zij de persoon op het filmpje direct herkende als zijnde de dader. Dit wordt bevestigd door getuige [getuige 2] die verklaart dat het slachtoffer harder begon te huilen toen zij het filmpje zag en het slachtoffer zei dat de man op het filmpje de dader was.
Daar komt bij dat het slachtoffer al vóór dat het filmpje werd getoond aan haar, een signalement van de dader had gegeven. Dit signalement herhaalt aangeefster ook in haar verklaring ter plaatse bij de politie en ook in haar aangifte. Dat verdachte niet volledig voldoet aan het omschreven signalement doet hier niet aan af, te meer nu de afwijkingen, zoals het al dan niet dragen van een bril, niet zien op onveranderlijke kenmerken.
Bovendien volgt uit het dossier dat verdachte zich niet alleen voor, maar ook na het incident in de buurt van de plaats delict heeft opgehouden. Uit het dossier is niet gebleken dat op dat moment andere personen in de omgeving aanwezig waren die ook aan het signalement zouden kunnen voldoen.
Verdachte bevond zich dus zowel voor als na het incident nabij de plaats delict, voldoet aan het opgegeven signalement en is herkend door het slachtoffer. Hier heeft verdachte geen alternatief scenario tegenover gezet.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer op 27 april 2024 heeft aangerand. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank merkt daarbij op dat de afwezigheid van DNA van verdachte op plaatsen waar dit – uitgaande van verdachtes betrokkenheid bij het feit – verwacht zou kunnen worden, niet dwingt tot de conclusie dat verdachte het ten laste gelegde niet heeft of kan hebben gedaan.
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 27 april 2024 te Oudewater, door geweld en bedreiging met geweld, [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- die [slachtoffer] onverhoeds van achteren te benaderen en
- vervolgens die [slachtoffer] bij de keel te grijpen en richting de grond te duwen en
- met zijn handen naar de (met kleding bedekte) billen en vagina van die [slachtoffer] te grijpen en
- met zijn handen onder het T-shirt van die [slachtoffer] in de borst te knijpen en
- daarbij de woorden toe te voegen: 'je moet niet tegenstribbelen, anders wordt het erger. Waag het niet om iemand te bellen, anders ben je voorlopig niet van me af'.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en behandeling bij De Waag;
- een taakstraf van 60 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
8.3