Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-18
ECLI:NL:RBMNE:2024:7697
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,459 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/249475-23 en 16/199869-22 (gev. ttz) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 september 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [plaats] ,
thans gedetineerd in P.I. [locatie] ,
hierna te noemen: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 januari 2024 (pro forma), 5 april 2024 (pro forma), 3 juli 2024 (pro forma) en 5 september 2024 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.M.L. Kalsbeek en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
[slachtoffer 1] heeft als slachtoffer gebruik gemaakt van haar spreekrecht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:
16/249475-23
primair:
op 28 september 2023 in Utrecht opzettelijk heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven door (meermalen) met een mes in haar hals/bovenlichaam te steken en stekende/snijdende bewegingen naar haar hals/keel/borststreek te maken;
subsidiair:
op 28 september 2023 in Utrecht opzettelijk heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door (meermalen) met een mes in haar hals/ bovenlichaam te steken en stekende/snijdende bewegingen naar haar hals/keel/borststreek te maken;
meer subsidiair:
op 28 september 2023 in Utrecht [slachtoffer 1] heeft mishandeld door (meermalen) met een mes in haar hals/bovenlichaam te steken;
16/199869-22
op 8 augustus 2022 in Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar stompen/klappen tegen haar achterhoofd en neus te geven.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om de zaak inhoudelijk te behandelen.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde onder parketnummer 16/249475-23 en het ten laste gelegde onder parketnummer 16/199869-22 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Voor zover van belang worden de standpunten van de officier van justitie besproken bij het oordeel van de rechtbank.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde onder parketnummer 16/249475-23.
De raadsman heeft zich voor bewezenverklaring van het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Voor zover van belang worden de standpunten van de raadsman besproken bij het oordeel van de rechtbank.
4.3
Beoordeling
Op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van parketnummer 16/249475-23 acht de rechtbank echter niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven en zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde. De rechtbank acht op grond van onderstaande bewijsmiddelen wel het subsidiair ten laste gelegde, de poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank zal na de bewijsmiddelen nader uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van parketnummer 16/249475-23, subsidiair
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende:
Plaats delict: Utrecht
Op 28 september 2023 kwam [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) naast mij zitten op de bank.
Ik denk te hebben gezien dat hij zijn rechterhand, in gebalde vuist, omhoog haalde om uit te halen. Ondertussen voelde ik twee stompen op mijn borst.
Ik zag dat ik een schram op de rechterzijde van mijn borst heb van ongeveer tien centimeter. Op de linkerzijde van mijn borst heb ik een rode punt. Achteraf heb ik gehoord dat dit letsel toegebracht is door het mes dat [verdachte] vast hield.
Een letselrapportage, voor zover inhoudende:
Naam: [slachtoffer 1] .
Samenvatting letsel: twee snijwonden hoog op de borstkas.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , voor zover inhoudende:
Ik zag op 28 september 2023 dat [verdachte] een mes pakte en dat hij dit mes richting de hals van [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) bewoog. Ik zag dat hij eenmaal stak richting haar hals.
Ten aanzien van parketnummer 16/199869-22
Een proces-verbaal van aangifte, inclusief letselfoto’s, voor zover inhoudende:
Plaats delict: [straat 1] , [plaats]
Op 8 augustus 2022 pakte ik mijn fiets en voelde ik heel snel na elkaar twee hele harde klappen tegen mijn achterhoofd. Ik voelde nadat ik mij had omgedraaid, direct een harde klap op mijn neus. Ik heb meteen mijn handen voor mijn neus gehouden omdat ik een hele pijnlijke neus had.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , voor zover inhoudende:
Op 8 augustus 2022 zag ik dat er een man naar ons toe liep. Ik kan de man als volgt omschrijven:
- licht getint;
- kaal;
- tattoo’s in gezicht;
- rode trui;
- spijkerbroek.
Ik zag dat deze man links van [slachtoffer 2] ging staan. Ik zag dat hij met zijn arm uithaalde en met een gebalde vuist het gezicht van [slachtoffer 2] raakte.
Ik zag dat hij daarna richting het [straat 2] toe liep. Ik ben er achteraan gefietst. Toen ik op de [straat 3] was, zag ik dat de politie er bij kwam. Ik zag dat zij de man staande hielden waar ik achteraan fietste en dat dit dezelfde man was die [slachtoffer 2] had geslagen.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende:
Op 8 augustus 2022 kregen wij de opdracht naar de [straat 4] te gaan, omdat daar iemand uit het niets iemand mishandeld zou hebben. Onderweg hoorden wij dat de persoon de [straat 3] op zou lopen.
Wij reden het [straat 3] op en zagen een persoon lopen. Wij konden deze persoon als volgt omschrijven:
- man;
- donker getint;
- rood kleurige hoodie;
- blauwe korte spijkerbroek.
Deze man bleek later te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980. Ik hield hem aan ter zake mishandeling.
Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 16/249475-23, primair (poging tot doodslag)
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer een klap heeft gegeven terwijl hij het mes in zijn hand had en dat dit mes het slachtoffer toen per ongeluk heeft geraakt.
Uit de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op 28 september 2023 (een) stekende beweging(en) met het mes heeft gemaakt in de richting van het slachtoffer. Hierdoor heeft het slachtoffer letsel opgelopen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of dit handelen van verdachte aangemerkt kan worden als een poging tot doodslag.
De rechtbank stelt voorop dat op basis van het dossier en de verklaringen van verdachte niet kan worden bewezen dat verdachte de intentie had om aangeefster te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De rechtbank hecht daarbij geen doorslaggevende betekenis aan het feit dat verdachte vlak na zijn aanhouding heeft gezegd dat hij de opdracht had gekregen om het slachtoffer te vermoorden, omdat verdachte in verwarde toestand verkeerde en in die toestand van alles heeft gezegd.
Niettemin kan verdachte voorwaardelijke opzet hebben gehad op de dood van aangeefster. Daarvan is sprake wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangeefster dodelijk zou verwonden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept en of verdachte deze kans bewust heeft aanvaard, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te concluderen dat er een aanmerkelijke kans bestond op de dood van het slachtoffer en dus dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. Hoewel het een feit van algemene bekendheid is dat het bovenlichaam vitale organen en belangrijke (slag)aderen bevat, is de rechtbank in dit geval van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om te concluderen dat een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft bestaan. Om met het door verdachte gebruikte broodmes vitale lichaamsonderdelen van aangeefster zodanig te raken dat hierdoor gevaar voor het leven ontstaat is immers steken met enige kracht noodzakelijk. Op basis van het beperkte letsel (ondiepe steekplek links op het sleutelbeen en een schram rechts onder het sleutelbeen (in de latere letselrapportage omschreven als ‘twee snijwonden hoog op de borstkas’)) en hetgeen de aangeefster en de getuige hebben verklaard, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte het slachtoffer met een dergelijke intensiteit heeft gestoken.
Beoordeling
Bij het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft geprobeerd om zijn voormalige begeleidster van het Leger des Heils, waar hij destijds woonachtig was, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een mes stekende bewegingen richting haar bovenlichaam/hals te maken. Daarnaast heeft verdachte op straat een volstrekt willekeurige vrouw mishandeld door haar zonder aanleiding meerdere stompen op haar achterhoofd en neus te geven.
Hoewel de bewezen verklaarde feiten zijn ingegeven door psychotische motieven en niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, blijven dit ernstige feiten. Het slachtoffer van de poging tot zware mishandeling was groepsleidster bij zijn voormalige woonplek en probeerde daar juist om verdachte te helpen en hem op een passende manier te begeleiden. Dat het incident een grote impact heeft gehad op haar, en nog altijd heeft, is ook gebleken uit de slachtofferverklaring die zij ter zitting heeft voorgedragen. Ook voor de collega’s die bij het incident aanwezig waren moet dit een ingrijpende gebeurtenis zijn geweest. Ook het slachtoffer dat ’s nachts door verdachte op straat zomaar werd mishandeld zal die akelige ervaring nog lang met zich meedragen.
De persoon van verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel uit de justitiële documentatie (‘het strafblad’) betreffende verdachte van 8 maart 2024. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten, maar die veroordelingen dateren uit een verder verleden.
De adviezen van de deskundigen
In de eerdergenoemde PBC-rapportage van 21 juni 2024 concluderen de deskundigen dat het recidiverisico op soortgelijke feiten hoog wordt geacht, vooral als verdachte zonder hulp of begeleiding weer vrij zou komen. De klinische inschatting is dat dit risico vooral samenhangt met het ontstaan van psychotische symptomen en daardoor ook samenhangt met het wegvallen van de structuur waar verdachte momenteel in verblijft. Binnen een duidelijke behandelstructuur waarin verdachte medicatie gebruikt en hij geen toegang heeft tot verslavende middelen, wordt het recidiverisico als laag gezien. Geadviseerd wordt om verdachte een tbs met voorwaarden op te leggen.
Om het hoge recidiverisico voldoende te beperken is het van belang dat verdachte klinisch wordt behandeld, waarbij wordt ingezet op continueren van de behandeling met medicatie en verder wordt ingezet op een duidelijke dagstructuur waarbinnen verdachte enige vorm van zinvolle dagbesteding gaat doen. Het is daarbij van belang dat verdachte naar een kliniek gaat waar veel structuur is en waar goed toezicht gehouden kan worden op gebruik van drugs, zodat verdachte maximaal ondersteund kan worden om abstinent te blijven. Volgens de deskundigen is de inschatting dat verdachte door zijn cognitieve beperkingen (voortkomend uit schizofrenie) op cognitief niveau niet meer in staat zal zijn om nog veel nieuwe persoonlijke vaardigheden aan te leren of nog veel meer inzicht in zijn eigen functioneren te ontwikkelen. De behandeling zal vooral gericht moeten zijn op een extern opgelegde structuur bij verdachte, waarbij het de verwachting is dat hij hier goed aan zal meewerken. Geadviseerd wordt om verdachte ook bij het geven van vrijheden enige structuur te bieden en via een langzame opbouw toe te werken naar een beschermde woonvorm waarbij een randvoorwaarde is dat verdachte een goede vorm van dagbesteding heeft. Bij dit alles moet er een goed toezicht zijn op gebruik van verslavende middelen en moet worden gestreefd naar volledige abstinentie. Ook de cannabis heeft namelijk een negatieve invloed op risico’s voor het ontwikkelen van psychotische symptomen.
Gelet op de ernstige problematiek met een hoog recidiverisico achten de deskundigen een tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk om de noodzakelijke beveiliging te bieden. Ondanks dat verdachte vanuit zijn problematiek geen intern besef heeft van hoe hij functioneert en hij nauwelijks ziektebesef heeft, is wel de verwachting dat hij de opgelegde voorwaarden zal volgen.
In het reclasseringsadvies van 19 juli 2024, opgesteld door reclasseringswerker B. Westra, staat beschreven dat de reclassering zich aansluit bij de conclusie van de deskundigen en positief adviseert over tbs met voorwaarden. De verwachting bestaat dat binnen dit kader de rust en continuïteit geboden kan worden om verdachte uiteindelijk uit te kunnen laten stromen naar een goed bij de problematiek en draagkracht van verdachte passende en duurzame vervolgplek. De reclassering acht verdachte in staat om zich aan de binnen dit kader geformuleerde bijzondere voorwaarden te committeren. De reclassering adviseert oplegging van een tbs-maatregel met daarbij de volgende voorwaarden:
geen strafbare feiten plegen;
meewerken aan reclasseringstoezicht;
meewerken aan een time-out;
niet naar het buitenland gaan;
opname in een zorginstelling;
ambulante behandeling;
begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
drugsverbod;
alcoholverbod;
dagbesteding;
meewerken aan schuldhulpverlening;
meewerken aan middelencontrole.
Tevens wordt door de reclassering geadviseerd om de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren alsmede om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z Sr) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel.
Oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden
Omdat verdachte ten tijde van de bewezen geachte feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was, kan en zal aan hem daarnaast geen straf worden opgelegd. De rechtbank zal verdachte wel een maatregel opleggen.
Gelet op de eerder genoemde conclusies van de deskundigen en het rapport van de reclassering, komt de rechtbank tot het oordeel dat het opleggen van de tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk is. De maatregel is noodzakelijk om het recidiverisico voldoende terug te dringen en daarmee de veiligheid van de maatschappij te garanderen. Daarnaast is de maatregel ook in het belang van verdachte zelf, zodat hij de noodzakelijke en passende hulpverlening krijgt.
Aan de wettelijke eisen van artikel 37a Sr voor oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden is voldaan. Ten eerste is de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling (parketnummer 16/249475-23, subsidiair) een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Ten tweede bestond bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Ten derde is de rechtbank van oordeel dat behandeling van verdachte nodig is, nu hij zonder behandeling, gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten, zijn stoornissen en het hoge recidiverisico, een gevaar vormt voor de algemene veiligheid van personen.
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld onder de in het reclasseringsrapport genoemde voorwaarden en zoals vermeld in het dictum.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het primair ten laste gelegde onder parketnummer 16/199869-22 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart het subsidiair ten laste gelegde onder parketnummer 16/249475-23 en het ten laste gelegde onder parketnummer 16/199869-22 bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden
- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
1. Geen strafbaar feit plegen
de ter beschikking gestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
2. Meewerken aan reclasseringstoezicht
De ter beschikking gestelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de ter beschikking gestelde:
zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
een of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien. Dit is nodig om de identiteit van de ter beschikking gestelde vast te stellen;
zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de ter beschikking gestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
meewerkt aan huisbezoeken;
de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
zicht niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de ter beschikking gestelde, als dat van belang is voor het toezicht.
3. Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt, en de ter beschikking gestelde daarmee instemt, kan de ter beschikking gestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de ter beschikking gestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar. Indien de ter beschikking gestelde niet of niet langer instemt met zo’n opname en de reclassering die opname desalniettemin nodig vindt, dan kan die opname pas na een rechterlijke toetsing middels een wijziging van deze voorwaarden plaatsvinden;
4. Niet naar het buitenland
De ter beschikking gestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
5. Opname in een zorginstelling
De veroordeelde laat zich opnemen in FPK De Rooyse Wissel of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de ter beschikking gestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
6. Ambulante behandeling
De ter beschikking gestelde laat zich behandelen door een forensische ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
7. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De ter beschikking gestelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering in samenspraak met de kliniek die hiertoe een woonprofiel opstelt. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
8. Drugsverbod
De ter beschikking gestelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de ter beschikking gestelde wordt gecontroleerd;
9. Alcoholverbod
De ter beschikking gestelde gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de ter beschikking gestelde wordt gecontroleerd;
10Dagbesteding
De ter beschikking gestelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
11. Meewerken aan schuldhulpverlening
De ter beschikking gestelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De ter beschikking gestelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- geeft aan Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
Dadelijke uitvoerbaarheid
- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
- legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat de ter beschikking gestelde wordt opgenomen in een kliniek.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Garvelink, voorzitter, mr. N.P.J. Janssens en mr. D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 september 2024.
Beoordeling
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Bewijsoverweging ten aanzien van parketnummer 16/249475-23, subsidiair (poging tot zware mishandeling)
De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte met zijn handelen aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel had kunnen toebrengen. Verdachte is het slachtoffer te lijf gegaan met een mes in de hand. Het steken/bewegen met een mes in de richting van de hals/het bovenlichaam waarbij het slachtoffer ook daadwerkelijk (twee keer) hoog op de borststreek wordt geraakt - en waar verdachte bovendien niet uit eigen beweging mee is gestopt -, kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Er zijn geen contra-indicaties gebleken die aan dit oordeel kunnen afdoen. De rechtbank acht daarmee het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van parketnummer 16/249475-23, subsidiair
op 28 september 2023 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meerdere malen met een mes in het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en
- meerdere malen, met een mes stekende en/of snijdende bewegingen naar de hals en de borststreek van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van parketnummer 16/199869-22
op 8 augustus 2022 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar stompen tegen haar achterhoofd en tegen haar neus te geven.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
ten aanzien van parketnummer 16/249475-23, subsidiair
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van parketnummer 16/199869-22
mishandeling.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Verdachte is niet strafbaar. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Verdachte is van 13 maart 2024 tot 24 april 2024 opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Over verdachte is op 21 juni 2024 een Pro Justitia-rapportage opgemaakt door [deskundige 1] , GZ-psycholoog, en [deskundige 2] , psychiater (hierna: de deskundigen), verbonden aan het PBC. Verdachte heeft grotendeels meegewerkt aan de onderzoeken.
Door de deskundigen wordt in het PBC-rapport geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van schizofrenie en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis en amfetamine. Deze stoornissen waren ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten kan worden vastgesteld dat er veel aanwijzingen zijn voor een forse psychotische ontregeling en ook voor het gebruik van harddrugs. Ingeschat wordt dat verdachte volledig vanuit psychotische motieven heeft gehandeld en dat het gebruik van harddrugs een grote bijdrage heeft gehad in de psychotische ontregeling en daarmee in de agressieve gedragingen. De deskundigen overwegen dat het gebruik van verslavende middelen bij verdachte fors verweven is met de schizofrenie. Verdachte wordt – vanuit de ernstige pathologie waarvan bij hem sprake is – daarom niet in staat geacht om gezonde afwegingen te maken ten aanzien van het gebruik van drugs waardoor hem dit niet kan worden aangerekend. Geadviseerd wordt om verdachte de ten laste gelegde feiten in het geheel niet toe te rekenen.
Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben onder verwijzing naar het PBC-rapport aangevoerd dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.
De rechtbank volgt de deskundigen in hun conclusies en neemt deze over. Dit betekent dat de hiervoor bewezen verklaarde feiten in het geheel niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verdachte is dan ook niet strafbaar en de rechtbank zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.
8OPLEGGING VAN MAATREGEL
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met voorwaarden op te leggen en de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gevorderd.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, overeenkomstig het advies van de deskundigen, aan verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Verdachte wil daaraan meewerken.
8.3
Beoordeling
Ter terechtzitting heeft verdachte zich bereid verklaard de door de reclassering voorgestelde voorwaarden na te leven als een tbs-maatregel wordt opgelegd.
Niet gemaximeerde terbeschikkingstelling bij omzetting
De maatregel zal worden opgelegd wegens poging tot zware mishandeling. Dit heeft te gelden als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer anderen, zodat de maatregel, ingeval van omzetting in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, niet gemaximeerd zal zijn.
Dadelijke uitvoerbaarheid tbs met voorwaarden
De rechtbank verklaart de voorwaarden die aan de tbs-maatregel zijn verbonden dadelijk uitvoerbaar. Gelet op hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd over het recidivegevaar is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw dergelijke misdrijven zal begaan.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, 38z Sr)
De rechtbank ziet aanleiding om - naast de maatregel van tbs met voorwaarden - ook de door de reclassering geadviseerde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om ook na afloop van de tbs-maatregel nog steeds toezicht op verdachte te kunnen houden en bijzondere voorwaarden te formuleren waaraan verdachte zich moet houden indien dat te zijner tijd noodzakelijk wordt geacht.
Gelet op het PBC-rapport en het reclasseringsrapport is naar het oordeel van de rechtbank te verwachten dat het recidiverisico na afloop van de maatregel van terbeschikkingstelling (nog) niet tot een aanvaardbaar niveau zal zijn teruggedrongen. De deskundigen schatten het recidiverisico hoog in en dit risico hangt vooral samen met het ontstaan van psychotische symptomen en met het wegvallen van structuur. Het recidiverisico wordt laag gezien binnen een duidelijke behandelstructuur waarin verdachte medicatie gebruikt en hij geen toegang heeft tot verslavende middelen. Zonder een kader om verdachte heen ziet de rechtbank dan ook een reële kans op herhaling aanwezig, waarbij gevaar voor anderen bestaat.
Gelet hierop acht de rechtbank het noodzakelijk om de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan nu verdachte wordt veroordeeld tot de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde terbeschikkingstelling plaatsvinden.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank legt verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden op. Aan verdachte wordt geen vrijheidsstraf opgelegd noch een onvoorwaardelijke maatregel welke vrijheidsbeneming meebrengt of kan meebrengen. Volgens artikel 72, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, dient de voorlopige hechtenis in dat geval met ingang van heden te worden opgeheven.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling, acht de rechtbank het niet wenselijk en verantwoord om de voorlopige hechtenis met ingang van heden op te heffen. Het is immers van belang dat verdachte vanuit detentie direct door kan stromen naar de kliniek en voorkomen moet worden dat verdachte in de tussentijd, met alle risico’s van dien, op straat komt te staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voorlopige hechtenis pas dient te worden opgeheven met ingang van de datum waarop er plek is in de kliniek, maar stelt vast dat de wet deze mogelijkheid niet biedt.
De rechtbank ziet zich, gelet op het gevaar dat verdachte vormt als hij onbehandeld wordt vrijgelaten, genoodzaakt om, ondanks dat de wet daar (nog) geen ruimte voor biedt, de voorlopige hechtenis pas op te heffen met ingang van de datum dat verdachte kan worden opgenomen in een kliniek.
9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN