Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-20
ECLI:NL:RBMNE:2024:7603
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,782 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4562-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 op het verzet van
[oppossant] , te [plaats] , opposant,
(gemachtigde: mr. R. Moszkowicz),
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente IJsselstein van 4 september 2023.
In de uitspraak van 9 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2024. Opposant en verweerder zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 februari 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet is betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2024 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2024 niet juist, omdat hij eind september 2023 / begin oktober 2023 in verband met zeer ernstige hartklachten uit de roulatie is geraakt, waardoor hij zijn juristenpraktijk tijdelijk niet draaiende heeft kunnen houden. Opposant heeft een eigen juristenpraktijk ( [praktijk] . Opposant treedt via zijn eigen juristenpraktijk op als gemachtigde en vertegenwoordigt zichzelf in de beroepsprocedure. Hij geeft aan dat het een eenmanszaak is en dat hij alles zelf regelt. Opposant heeft een hartkatheterisatie ondergaan. Hierna moest hij een groot aantal weken revalideren. Opposant was in deze periode niet in staat tot het verrichten van werkzaamheden in zijn juristenpraktijk. Volgens opposant was er op dat moment sprake van overmacht en een verschoonbare termijnoverschrijding inzake de verplichting tot het tijdig betalen van het griffierecht.
4. De rechtbank stelt vast dat op 27 oktober 2024 de herinneringsnota van het griffierecht, per aangetekende brief, is verstuurd aan opposant. In deze brief staat dat hij het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Uit de track en trace van deze aangetekende brief blijkt dat de brief op 1 november 2023 is bezorgd op het adres van zijn juristenpraktijk waarbij is getekend voor ontvangst. Omdat opposant zegt een eenmanszaak te runnen en alles zelf regelt, blijkt hieruit dat hij op dat moment op kantoor was en kennis heeft genomen van de brief. Opposant heeft tot eind november de tijd gehad om het griffierecht te betalen, dit is na de periode waarin hij aangeeft afwezig te zijn geweest. Ook had opposant de rechtbank tijdens de beroepsprocedure kunnen informeren over zijn situatie, of hulp kunnen inschakelen vanuit zijn omgeving of een advocaat-gemachtigde. Dit heeft opposant niet gedaan.
5. Dat komt bij dat opposant ten behoeve van het verzet een document heeft overgelegd van 18 september 2023 afkomstig van het [centrum] Utrecht. Hieruit blijkt dat hij op 18 september 2023 gezien is op de polikliniek van dit centrum en dat hij is doorverwezen voor hartkatheterisatie in het St. Antonius ziekenhuis. Hieruit blijkt niet wanneer die hartkatheterisatie heeft plaatsgevonden.
6. Omdat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt wanneer hij de hartkatheterisatie heeft ondergaan kan de rechtbank niet beoordelen in welke periode hij hiervan heeft moeten herstellen. Hij heeft in ieder geval de herinneringsnota zelf ontvangen en had tot eind november 2023 de gelegenheid het griffierecht te betalen. Daarom ziet de rechtbank in wat hij heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De regels voor het voldoen van het griffierecht zijn streng, omdat de regels voor iedereen gelijk moeten zijn. Slechts indien iemand niet verweten kan worden dat hij het griffierecht niet of niet op tijd heeft betaald, kan afgeweken worden van de termijnen. Dan moet het gaan om een situatie waarin iemand door zeer bijzondere omstandigheden niet in staat was om het griffierecht tijdig te voldoen, of niet in staat was iemand anders in te schakelen om dat voor hem te doen.
7. Een dergelijke uitzonderlijke situatie doet zich hier niet voor. Dat opposant gezondheidsproblemen heeft (gehad) is onvoldoende voor het oordeel dat het niet betalen van het griffierecht opposant niet valt te verwijten.
8. Dit betekent dat het verzet ongegrond is. De uitspraak van 9 februari 2024 blijft in stand.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4562-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 op het verzet van
[oppossant] , te [plaats] , opposant,
(gemachtigde: mr. R. Moszkowicz),
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente IJsselstein van 4 september 2023.
In de uitspraak van 9 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2024. Opposant en verweerder zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 februari 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet is betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2024 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2024 niet juist, omdat hij eind september 2023 / begin oktober 2023 in verband met zeer ernstige hartklachten uit de roulatie is geraakt, waardoor hij zijn juristenpraktijk tijdelijk niet draaiende heeft kunnen houden. Opposant heeft een eigen juristenpraktijk ( [praktijk] . Opposant treedt via zijn eigen juristenpraktijk op als gemachtigde en vertegenwoordigt zichzelf in de beroepsprocedure. Hij geeft aan dat het een eenmanszaak is en dat hij alles zelf regelt. Opposant heeft een hartkatheterisatie ondergaan. Hierna moest hij een groot aantal weken revalideren. Opposant was in deze periode niet in staat tot het verrichten van werkzaamheden in zijn juristenpraktijk. Volgens opposant was er op dat moment sprake van overmacht en een verschoonbare termijnoverschrijding inzake de verplichting tot het tijdig betalen van het griffierecht.
4. De rechtbank stelt vast dat op 27 oktober 2024 de herinneringsnota van het griffierecht, per aangetekende brief, is verstuurd aan opposant. In deze brief staat dat hij het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Uit de track en trace van deze aangetekende brief blijkt dat de brief op 1 november 2023 is bezorgd op het adres van zijn juristenpraktijk waarbij is getekend voor ontvangst. Omdat opposant zegt een eenmanszaak te runnen en alles zelf regelt, blijkt hieruit dat hij op dat moment op kantoor was en kennis heeft genomen van de brief. Opposant heeft tot eind november de tijd gehad om het griffierecht te betalen, dit is na de periode waarin hij aangeeft afwezig te zijn geweest. Ook had opposant de rechtbank tijdens de beroepsprocedure kunnen informeren over zijn situatie, of hulp kunnen inschakelen vanuit zijn omgeving of een advocaat-gemachtigde. Dit heeft opposant niet gedaan.
5. Dat komt bij dat opposant ten behoeve van het verzet een document heeft overgelegd van 18 september 2023 afkomstig van het [centrum] Utrecht. Hieruit blijkt dat hij op 18 september 2023 gezien is op de polikliniek van dit centrum en dat hij is doorverwezen voor hartkatheterisatie in het St. Antonius ziekenhuis. Hieruit blijkt niet wanneer die hartkatheterisatie heeft plaatsgevonden.
6. Omdat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt wanneer hij de hartkatheterisatie heeft ondergaan kan de rechtbank niet beoordelen in welke periode hij hiervan heeft moeten herstellen. Hij heeft in ieder geval de herinneringsnota zelf ontvangen en had tot eind november 2023 de gelegenheid het griffierecht te betalen. Daarom ziet de rechtbank in wat hij heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De regels voor het voldoen van het griffierecht zijn streng, omdat de regels voor iedereen gelijk moeten zijn. Slechts indien iemand niet verweten kan worden dat hij het griffierecht niet of niet op tijd heeft betaald, kan afgeweken worden van de termijnen. Dan moet het gaan om een situatie waarin iemand door zeer bijzondere omstandigheden niet in staat was om het griffierecht tijdig te voldoen, of niet in staat was iemand anders in te schakelen om dat voor hem te doen.
7. Een dergelijke uitzonderlijke situatie doet zich hier niet voor. Dat opposant gezondheidsproblemen heeft (gehad) is onvoldoende voor het oordeel dat het niet betalen van het griffierecht opposant niet valt te verwijten.
8. Dit betekent dat het verzet ongegrond is. De uitspraak van 9 februari 2024 blijft in stand.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.