Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-03-05
ECLI:NL:RBMNE:2024:7592
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,139 tokens
Dictum
in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats] ,
verblijvende aan de [verblijfplaats] (GGZ [locatie] ),
hierna te noemen: betrokkene.
1De stukken
De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:
het vonnis van deze rechtbank van 23 februari 2017 waarbij betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met voorwaarden omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag;
stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden is ingegaan op 20 maart 2022;
de vordering van de officier van justitie van 13 februari 2024, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden met een jaar;
het reclasseringsadvies van 16 januari 2024, opgemaakt door [deskundige] , reclasseringswerker;
het Pro Justitia-rapport van 13 december 2023, opgemaakt door E.J. Muller, klinisch psycholoog;
de voortgangsverslagen betreffende betrokkene, over de periode 5 oktober 2022 tot en met 12 september 2023.
2Het onderzoek ter terechtzitting
De behandeling van de zaak heeft op 5 maart 2024 ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord:
de officier van justitie, mr. S. Mirshahi;
betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. W.C. Alberts, advocaat te 's-Gravenhage;
de deskundige [deskundige] , reclasseringswerker.
3Het standpunt van de reclassering
Het standpunt van de reclassering blijkt uit het onder 1 genoemde rapport. De deskundige heeft ter zitting het advies van de reclassering toegelicht. Zakelijk weergegeven luidt het standpunt dat de behandeling is afgerond en dat de kans op recidive wordt ingeschat als laag. Het advies luidt de terbeschikkingstelling te beëindigen.
4Het standpunt van de niet aan de reclassering verbonden deskundige
De deskundige concludeert dat er bij betrokkene geen sprake (meer) is van pathologie. Het risico op herhaling wordt als laag ingeschat.
5Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting haar vordering gewijzigd. Gelet op hetgeen in de hiervoor aangehaalde rapporten van de reclassering en de psycholoog wordt geadviseerd en wat op zitting is besproken, vordert zij de rechtbank de schriftelijke vordering af te wijzen, zodat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt beëindigd.
6Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de schriftelijke vordering van de officier van justitie af te wijzen, zodat de terbeschikkingstelling kan worden beëindigd.
Beoordeling
Uit het verlengingsadvies en het Pro Justitia-rapport blijkt dat er geen sprake (meer) is van een stoornis bij betrokkene. Het recidivegevaar is door zowel de reclassering als de niet aan de reclassering verbonden deskundige ingeschat als laag. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de adviezen te twijfelen en neemt deze over.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het in de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht neergelegde gevaarscriterium, te weten dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, de verlenging van de terbeschikkingstelling eist, op betrokkene niet meer van toepassing is.
De rechtbank is dan ook met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling dient te worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank wijst af de vordering tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling met voorwaarden van [betrokkene] .
Deze beslissing is genomen door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, mr. C. van de Lustgraaf en mr. E. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Buel als griffier en direct in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2024.
Mr. Van de Lustgraaf is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.