Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-10
ECLI:NL:RBMNE:2024:7559
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,118 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5418
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: M.J.M. Bergers)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: W. Vos).
Procesverloop
1.1
De heffingsambtenaar heeft op 20 april 2023 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [nummer] . Eiser heeft hier op 1 juni 2023 bezwaar tegen gemaakt. Het bezwaar is ontvangen op 5 juni 2023.
1.2
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 6 november 2023 (UOB I), het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat dit te laat was ingediend. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ambtshalve in behandeling genomen en de naheffingsaanslag uit coulance vernietigt. In deze uitspraak op bezwaar staat: “de gevraagde proceskosten vergoeding wordt zo spoedig mogelijk overgemaakt”.
1.3
Eiser heeft op 7 november 2023 beroep ingesteld. Hij is het niet eens met het (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar omdat hij het bezwaar wel op tijd heeft ingediend. De heffingsambtenaar heeft nagelaten te vragen naar de reden van de te laten indiening (schending hoorplicht). Eiser voert daarnaast aan dat de heffingsambtenaar heeft nagelaten om de exacte hoogte van de proceskostenvergoeding vast te stellen.
1.4
Op 17 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan (UOB II). Met deze uitspraak heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat dit te laat is ingediend. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ambtshalve in behandeling genomen en de naheffingsaanslag uit coulance vernietigd. In deze uitspraak op bezwaar wordt het verzoek om kostenvergoeding afgewezen.
1.5
De heffingsambtenaar heeft op 19 januari 2024 een verweerschrift ingediend. Hierin voert hij aan dat hij het met eiser eens is dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat de heffingsambtenaar niet heeft gevraagd wat de reden voor de te late indiening was. Volgens de heffingsambtenaar is eiser niet in zijn belangen geschaad omdat de aanslag is vernietigd en er proceskosten zijn toegekend. Er is vergeten het juiste bedrag te noemen. De heffingsambtenaar is echter van mening dat er ten onrechte proceskosten zijn toegekend. De naheffingsaanslag is opgelegd omdat eiser een verkeerd kenteken had ingevoerd daarom is er geen sprake van een onrechtmatig opgelegde aanslag. De hoorplicht is niet geschonden omdat als het bezwaar gelijk ontvankelijk was verklaard, het bezwaar kennelijk ongegrond zou zijn verklaard.
1.6
Eiser heeft op 19 juli 2024 zijn gronden aangevuld nadat de rechtbank had gevraagd naar het procesbelang. Eiser voert aan dat uit de uitspraak op bezwaar niet blijkt hoe hoog de proceskostenvergoeding is. Voor het geval dat de proceskostenvergoeding onjuist is vastgesteld wenst eiser daar tegen op te kunnen komen en daarom is er beroep is ingesteld. De heffingsambtenaar heeft nog geen betaling verricht waardoor het onduidelijk is gebleven hoe hoog de proceskostenvergoeding is. Eiser meent dat de uitspraak op bezwaar van 17 januari 2024 een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is en zijn beroep zich nu richt tegen dit besluit. Ook hierin ligt het procesbelang. Op grond van het vertrouwensbeginsel mocht eiser ervan uit gaan dat hij een proceskostenvergoeding zou krijgen. De heffingsambtenaar lijkt hier hangende beroep op terug te komen. Volgens eiser levert dit een verbod van reformatio in peius op, eiser zou door het instellen van beroep in een slechtere positie raken.
1.7
De rechtbank heeft het beroep op de digitale zitting van 25 november 2024 behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
Tweede uitspraak op bezwaar
2. De rechtbank overweegt dat het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, meebrengt dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Met de uitspraak op bezwaar van 6 november 2023 was de bezwaarfase geëindigd. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar dit ook erkend. Aangezien het beroep zich richt tegen de eerste uitspraak op bezwaar, zal de rechtbank hier geen gevolgen aan verbinden.
Het procesbelang
Is er nog sprake van procesbelang nu de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag uit coulance heeft vernietigd?
3. De naheffingsaanslag is door de heffingsambtenaar niet onrechtmatig opgelegd. Onweersproken is dat eiser zich met een verkeerd kenteken heeft aangemeld. De kosten, die eiser in verband met de behandeling van zijn bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden in alleen vergoed op verzoek van eiser voor zover de naheffingsaanslag wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het betalen van parkeerbelasting voor een verkeerd kenteken komt voor rekening en risico van eiser. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om voor aanmelding met het juiste kenteken te zorgen. Omdat de auto van eiser aangemeld stond met een verkeerd kenteken, heeft de heffingsambtenaar ook niet kunnen weten dat er al parkeerbelasting was voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag daarom niet vernietigd wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Dit betekent dat eiser in beginsel geen recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten. Eiser kon met zijn beroep niets meer bereiken dan hij al bereikt had. Daarom moet het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar toegezegd de gevraagde proceskosten te vergoeden. Hiermee voldoet de heffingsambtenaar aan het verzoek van eiser. Niet gezegd kan worden dat er nog een geschil bestaat over (de hoogte van) de bezwaarkosten. De proceskosten zijn feitelijk nog niet betaald. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat eiser dan een betaling zou ontvangen van 1 procespunt met een wegingsfactor 0,5 naar het toen geldende recht. De rechtbank vertrouwt erop dat de heffingsambtenaar daar alsnog uitvoering aan geeft. De rechtbank kan dit niet opleggen.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten in beroep.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es – de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.