Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-29
ECLI:NL:RBMNE:2024:7310
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,618 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Locatie Utrecht
Zaaknummer: 11249036 \ UE VERZ 24-225 MvdH/40201
Beschikking van 29 oktober 2024
in de zaak van
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. E.C. Douma,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. E. Weijer.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek
- het verweerschrift naar aanleiding van het (voorwaardelijk) tegenverzoek
- de brief van 3 oktober 2024 van [verweerder] met productie 19.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2024. Namens [verzoekster] waren daarbij de heer [A] , directeur, en mevrouw [B] , financial controller, met hun gemachtigde aanwezig. [verweerder] was samen met zijn gemachtigde aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen en antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de zitting is besproken.
1.3.
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk 1 november 2024 uitspraak wordt gedaan.
2De kern van de zaak
2.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. [verweerder] is op 1 juli 2023 in dienst getreden bij [verzoekster] . Hij heeft de functie van ICT engineer en wordt door [verzoekster] (via een tussenpersoon) gedetacheerd bij (onder)opdrachtgevers. [verzoekster] wil de arbeidsovereenkomst met [verweerder] ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] is van oordeel dat er geen grond voor ontbinding is en dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg staat.
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet kan worden ontbonden omdat er een opzegverbod geldt en het ontbindingsverzoek hier verband mee houdt. Het verzoek van [verzoekster] wordt daarom afgewezen.
3De achtergrond van de zaak
3.1.
[verzoekster] heeft [verweerder] tijdens de volgende periodes bij de volgende opdrachtgevers gedetacheerd.
31 juli 2023 t/m 27 september 2023 bij opdrachtgever [opdrachtgever 1] via tussenpersoon [tussenpersoon 1] ;
16 oktober 2023 t/m 29 februari 2024 bij opdrachtgever [opdrachtgever 2] via tussenpersoon [tussenpersoon 2] ;
15 april 2024 t/m 29 april 2024 bij opdrachtgever [opdrachtgever 3] via tussenpersoon [tussenpersoon 3] .
In de overige periodes is [verweerder] niet gedetacheerd en zat hij op de “bank”.
3.2.
Op 30 april 2024 heeft [verzoekster] [verweerder] in een gesprek laten weten dat zij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wilde beëindigen omdat [verweerder] bij twee opdrachtgevers ( [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 3] ) was weggestuurd vanwege niet goed functioneren en omdat [verweerder] buitenproportioneel gebruik maakte van de aan hem ter beschikking gestelde auto.
3.3.
Op 2 mei 2024 heeft [verweerder] zich ziek gemeld en is sindsdien arbeidsongeschikt. In de probleemanalyse van 14 juni 2024 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat [verweerder] is uitgevallen met medische beperkingen en dat er een arbeidsgerelateerde kwestie speelt in verband waarmee de bedrijfsarts mediation adviseert. Op 3 juli 2024 heeft er naar aanleiding van dit advies een mediationgesprek plaatsgevonden. Op 9 augustus 2024 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat het te verwachten herstel 12 tot 24 maanden zal vergen en is door de bedrijfsarts geadviseerd om op dat moment geen nieuwe ronde mediation te starten.
Beoordeling
in het verzoek van [verzoekster]
Het opzegverbod tijdens ziekte
4.1.
Het ontbindingsverzoek van [verzoekster] is 3 maanden na de ziekmelding van [verweerder] ingediend en op dit moment is [verweerder] nog steeds arbeidsongeschikt. Dat betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte geldt en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in beginsel niet kan worden ingewilligd. Ondanks het opzegverbod kan er ruimte bestaan om tot ontbinding over te gaan. Daarvoor is vereist dat er geen verband bestaat tussen het ontbindingsverzoek en de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft, maar omdat het hier gaat om een uitzondering op de ‘tijdens-opzegverboden’, mag niet te gemakkelijk worden aangenomen dat er geen verband is. Alleen als de omstandigheden van de verzochte ontbinding los kunnen worden gezien van de arbeidsongeschiktheid is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat er geen verband is.
4.2.
[verzoekster] legt aan haar ontbindingsverzoek wegens een verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag dat haar opdrachtgevers niet meer willen dat [verweerder] bij hen tewerk wordt gesteld en er ook geen redelijke kans op succes bestaat op detachering bij andere, nieuwe opdrachtgevers. Verder heeft [verweerder] zich volgens [verzoekster] niet als een goed werknemer gedragen ten aanzien van het gebruik van de aan hem ter beschikking gestelde auto(‘s) door deze in maart en april 2024 bovenmatig te gebruiken en hier niet eerlijk over te zijn.
4.3.
[verweerder] beroept zich op het opzegverbod tijdens ziekte. Hij wijst erop dat zijn functioneren bij de laatste opdrachtgever [opdrachtgever 3] en het veelvuldige autogebruik dat [verzoekster] hem verwijt samenhangen met zijn psychische klachten. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij onder meer naar:
het door hem overgelegde huisartsenjournaal waaruit volgt dat hij sinds 20 maart 2024 kampt met paniekaanvallen, oververmoeidheid, overprikkeling, slecht slapen en concentratieverlies en dat hij daarvoor ook op 22, 24 en 30 april 2024 bij de huisarts is geweest;
de persoonlijke brief die hij op 13 juni 2024 aan [verzoekster] zond over onder meer zijn slechte psychische gesteldheid vanaf 1 maart 2024,
het e-mailbericht van zijn broer over de slechte psychische toestand van [verweerder] vanaf april 2024;
het verslag van 2 mei 2024 van de crisisdienst [instelling 1] naar aanleiding van de opname van [verweerder] waaruit onder meer volgt dat hij zich sinds 2 weken mentaal slechter voelt en vlucht in autorijden;
het e-mailbericht van 4 september 2024 van de psycholoog van [instelling 2] aan de gemachtigde van [verweerder] waarin zij schrijft dat het aannemelijk is dat [verweerder] al vóór 30 april 2024 met psychische stoornissen kampte en dat het mogelijk is dat dit geleid heeft tot veelvuldig autorijden;
4.4.
De kantonrechter ziet in de stellingen van [verweerder] voldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat [verweerder] vanaf eind maart 2024 kampte met psychische problemen die van invloed zijn geweest op zijn autogebruik en wijze van functioneren en bij zijn laatste opdrachtgever [opdrachtgever 3] . Het autogebruik en de wijze van functioneren bij de laatste opdrachtgever zijn als omstandigheden door [verzoekster] aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd en kunnen gelet op het voorgaande dus niet los worden gezien van de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] . Dat [verzoekster] destijds niet op de hoogte was van de psychische problematiek bij [verweerder] , zoals zij stelt, is niet relevant bij de beoordeling. Bovendien moet [verzoekster] op het moment van indiening van het ontbindingsverzoek, drie maanden na de ziekmelding, wel redelijkerwijs op de hoogte zijn geweest van de ernst van de medische problematiek bij [verweerder] . Uit de adviezen van de bedrijfsarts kan immers niet anders dan worden afgeleid dat er serieus iets aan de hand is met [verweerder] . [verzoekster] had dit ook kunnen afleiden uit de WhatsApp berichten van [verweerder] in de periode van 30 april tot en met 2 mei 2024 waarin [verweerder] meldt dat hij depressief is, naar de psycholoog gaat en verzoekt om met de aan hem ter beschikking gestelde auto te mogen rijden omdat het slecht met hem gaat.
4.5.
Kortom, de door [verzoekster] gestelde feiten en omstandigheden kunnen niet los worden gezien van de - nog immer voortdurende - arbeidsongeschiktheid van [verweerder] . Er is daarmee sprake van een verband met het opzegverbod tijdens ziekte en daarom kan de arbeidsovereenkomst niet worden ontbonden. Het verzoek van [verzoekster] wordt daarom afgewezen.
in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verweerder]
De voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerder]
4.6.
De arbeidsovereenkomst wordt niet ontbonden en daarom komt de kantonrechter niet toe aan de voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerder] tot toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding.
Het ingehouden salaris
4.7.
[verweerder] verzoekt om terugbetaling van een bedrag van € 1.255,-- netto dat [verzoekster] op zijn salaris van mei 2024 heeft ingehouden vanwege overmatig en onterecht tanken op kosten van [verzoekster] . Volgens [verweerder] heeft hij zich gehouden aan de autoregeling en de gemaakte afspraken inzake de 30.000 contractkilometers en had [verzoekster] dus niet het recht om salaris in te houden.
4.8.
De kantonrechter stelt vast dat uit de toepasselijke autoregeling volgt dat er met de lease- of verhuurmaatschappij een maximaal aantal te rijden kilometers (contractkilometers) binnen een kalenderjaar wordt afgesproken. Hiermee moeten de minimaal benodigde zakelijke kilometers gereden kunnen worden. Wat er overblijft aan contractkilometers mag privé gereden worden. ‘Méérkilometers’ boven de contractkilometers zijn voor rekening van de berijder. Met [verweerder] is onweersproken een aantal van 30.000 contractkilometers afgesproken. Op basis van de overgelegde stukken kan de kantonrechter niet vaststellen dat [verweerder] dit maximum in mei 2024 heeft overschreden. [verzoekster] was daarom niet gerechtigd om de volgens haar teveel gereden kilometers te verrekenen met het salaris van [verweerder] van mei 2024. Dat [verweerder] in eerste instantie heeft aangegeven dat hij bereid was om kosten voor zijn rekening te nemen, doet hier niet aan af. Op de zitting heeft mevrouw [B] nog betoogd dat uit de autoregeling ook volgt dat [verweerder] niet meer dan 6.000 privékilometers mag rijden. Dit is echter niet terug te lezen in de met [verweerder] overeengekomen autoregeling en daarom gaat de kantonrechter hieraan voorbij.
4.9.
Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter het verzoek van [verweerder] tot terugbetaling van het op zijn salaris van mei 2024 ingehouden bedrag van € 1.255 netto toe. [verzoekster] wordt eveneens veroordeeld om over dit achterstallige salaris de wettelijke verhoging en de wettelijke rente te betalen.
De buitengerechtelijke kosten
4.10.
[verweerder] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is.
Dictum
De kantonrechter
In het verzoek van [verzoekster]
5.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,,
In het tegenverzoek van [verweerder]
5.2.
veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan achterstallig salaris over de maand mei 2024 van € 1.255,- netto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het opeisbaar worden tot aan de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de wettelijke verhoging over het achterstallig salaris over de maand mei 2024 berekend op de voet van artikel 7:625 BW tot de dag van algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de wettelijke verhoging vanaf 23 september 2024 tot de dag van algehele voldoening;
5.4.
veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 227,78 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten,
In het verzoek en het tegenverzoek
5.5.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024.
Artikel 7:671b lid 2 BW
Artikel 7:671b lid 6 BW
Zie de conclusie van A-G De Bock van 20 januari 2023 over dit onderwerp (ECLI:NL:PHR:2023:92)
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.