Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-11
ECLI:NL:RBMNE:2024:6983
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,286 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4171
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. L.R. Breuker),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
1.1.
Verzoekster was voorheen werkzaam bij [bedrijf] B.V.. als voor 24 uur per week. Met het besluit van 15 december 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen, omdat verzoekster niet voldoet aan de wekeneis. Ze heeft namelijk niet 26 weken gewerkt in de periode van 36 weken voorafgaand aan 23 november, de eerste werkloosheidsdag.
2. Met de beslissing op bezwaar van 26 april 2024 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.1.
Het Uwv heeft op 23 oktober 2024 een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit II). Daarbij heeft het Uwv het bestreden besluit I gewijzigd en verzoekster alsnog per 2 augustus 2023 een WW-uitkering toegekend.
3.2.
Verzoekster heeft op 25 oktober 2024 laten weten dat zij zich kan vinden in de gewijzigde beslissing van het Uwv en het beroep intrekt. Verzoekster heeft tegelijkertijd de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen tot de proceskosten.
3.3.
De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft per 30 oktober 2024 meegedeeld dat zij zich kunnen vinden in een forfaitaire proceskostenvergoeding.
3.4.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
4. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
5. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het Uwv aan verzoekster tegemoetgekomen?
6. Zoals hiervoor overwogen, heeft het Uwv inmiddels wel WW-uitkering toegekend. Het Uwv is wat dat betreft tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Verzoekster heeft vervolgens het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Welk bedrag aan proceskosten moet het Uwv aan verzoekster vergoeden?
7. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten, bestaande uit de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
8. De rechtbank wijst erop dat het Uwv op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt het Uwv tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoeksteres;
bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es- de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Deve, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).