Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-09
ECLI:NL:RBMNE:2024:6475
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,604 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/521
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Mor-Yazir),
en
Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder
(gemachtigde: mr. W.W.M. Jansen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn bijstandsuitkering en de terugvordering van de ten onrechte betaalde bijstand.
1.1.
Bij besluit van 26 oktober 2023 (primair besluit 1) heeft verweerder (hierna: WIL) besloten het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 juni 2021 tot 1 juni 2022, van 1 juli 2022 tot 1 oktober 2022 en over de periode van 1 november tot en met 31 december 2022 in te trekken. Verder heeft WIL besloten het recht op bijstand over de periode van 1 juni 2022 tot en met 30 juni 2022 te herzien.
1.2.
Bij besluit van 30 oktober 2023 (primair besluit 2) heeft WIL besloten de ten onrechte betaalde bijstandsuitkering in de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2022 van eiser terug te vorderen op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet (Pw). Het gaat om een bedrag van € 31.016,49.
1.3.
Eiser is het niet eens met deze primaire besluiten en heeft daartegen bezwaar ingediend.
1.4.
Bij besluit van 14 december 2023 (het bestreden besluit) heeft WIL het bezwaar van eiser tegen primair besluit 1 deels gegrond verklaard, in zoverre dat over de maanden juni 2022 tot en met november 2022 eisers recht op bijstand schattenderwijs is vastgesteld en herzien. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. De intrekking van eisers recht op bijstand over de periode 1 juni 2021 tot 1 juni 2022 en over de maand december 2022 blijft in stand.
Ook het bezwaar van eiser tegen primair besluit 2 is door WIL deels gegrond verklaard, in zoverre dat het terug te vorderen bedrag verlaagd wordt en wordt vastgesteld op € 29.200,37 in verband met het schattenderwijs vaststellen van eisers recht op bijstand over de maanden juni 2022 tot en met november 2022. Voor het overige wordt het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van WIL.
Beoordeling
2. Eiser ontvangt vanaf 11 april 2020 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm. Op 13 december 2022 heeft de Arbeidsinspectie een onverwachte controle uitgevoerd bij [horeca gelegenheid] B.V. in [plaats] . Volgens de Arbeidsinspectie is eiser op die datum werkend aangetroffen in dat restaurant. WIL heeft naar aanleiding van de melding van de Arbeidsinspectie gegevens opgevraagd bij eiser en onderzoek verricht. Dit onderzoek is neergelegd in het rapport handhaving van 25 september 2023. In het kader van dit onderzoek heeft WIL onder meer gehoren afgenomen en bankgegevens opgevraagd van eiser. WIL heeft de door de Arbeidinspectie afgenomen gehoren van [chef-kok] (de chef-kok) van 13 december 2022, van [manager] (de manager) van 19 december 2022 en van [eigenaar] (de eigenaar) van 30 maart 2023 betrokken in het ondezoek. Naar aanleiding van het onderzoek heeft WIL besloten het recht op bijstand van eiser in te trekken over de periode van 1 juni 2021 tot 1 juni 2022 en december 2022. Verder heeft WIL besloten het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 juni 2022 tot 1 november 2022 te herzien, omdat over deze periode gegevens bekend waren van het bedrag dat eiser aan loon had verdiend bij het restaurant. Het recht op bijstand van eiser is over die periode daarom schattenderwijs vastgesteld.
Beoordeling
3. Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor eiser belastend besluit. Dat betekent dat het aan het bijstand verlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Het ligt daarom in dit geval op de weg van WIL om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan.
4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand als, als gevolg van die intrekking niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre een belanghebbende in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Het is dan aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij, als hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de periode in geding volledige of aanvullend bijstand had moeten ontvangen. Als na schending van de inlichtingenverplichting de door eiser gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, is het bijstandsverlenend orgaan, als dat mogelijk is, gehouden om schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag eiser in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben gehad op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor eiser dat voortvloeit uit resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening worden gelaten.
5. Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht of ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Gelet op artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid van de Pw, is niet alleen het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt van belang, maar ook het inkomen waarover hij/zij redelijkerwijs kan beschikken. Het gaat dus om werkzaamheden waar normaliter een beloning tegenover staat of die de betrokkene daardoor redelijkerwijs kan bedingen.
Uit vaste rechtspraak van de CRvB blijkt dat de aanwezigheid van een betrokkene op zijn werkplek tijdens reguliere arbeidsuren de vooronderstelling rechtvaardigt dat hij gedurende alle uren waarop hij daar aanwezig is op geld waardeerbare arbeid verricht. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.
Omvang van het geding
6. De rechtbank stelt voorop dat de periode in geding in dit geval de periode van 1 juni 2021 tot 1 januari 2023 betreft. Het gaat daarbij om de intrekking van de bijstandsuitkering van eiser van 1 juni 2021 tot 1 juni 2022 en december 2022. En om de herziening van de bijstandsuitkering over de periode van 1 juni 2022 tot 1 december 2022. De rechtbank zal in dit geval eerst de herziening van de bijstandsuitkering over de periode van 1 juni 2022 tot 1 december 2022 beoordelen. Daarna zal de rechtbank de intrekking over de periode van 1 juni 2021 tot 1 juni 2022 en december 2022 beoordelen.
Beroepsgronden
7. Eiser stelt dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat hij niet heeft gewerkt in het [horeca gelegenheid] . Op het moment dat de Arbeidsinspectie binnen kwam stond eiser enkel met zijn jas over zijn arm in de keuken. Hij is namelijk bevriend met de kok. Tijdens de controle door de Arbeidsinspectie heeft niemand verklaard dat eiser daar aan het werk was. Het is voor eiser onmogelijk om te bezorgen, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is om de straatnaamborden te lezen en ook niet overweg kan met Google Maps. Aan de verklaringen van de chef-kok en de eigenaar van het restaurant kan geen betekenis worden toegekend. De eigenaar is namelijk weinig aanwezig in het restaurant. De administratie van het restaurant klopt ook niet, omdat er van sommige werknemers geen urenregistratie aanwezig is. De informatie die door de eigenaar van het restaurant hierover is overgelegd, is pas drie maanden na het verzoek van de Arbeidsinspectie gekomen, daardoor is dit niet zonder meer betrouwbaar. De informatie is ook niet met eiser gedeeld, het kan zo zijn dat deze informatie op een later moment is bijgewerkt. De eigenaar van het restaurant heeft eiser ook nooit gezien in het restaurant, daarom kan aan de verklaring dat eiser er al anderhalf jaar werkt geen waarde worden toegekend. Verder is er voor deze verklaring ook geen ander ondersteunend bewijs. De Arbeidsinspectie had dit op zijn minst moeten verifiëren bij de manager of de chef-kok. Daarom kan niet worden aangenomen dat eiser vanaf 1 juni 2021 werkzaamheden verricht voor het restaurant.
Eiser stelt verder dat op basis van de wel verifieerbare gegevens op zijn minst de uitkering van eiser verrekend had moeten worden. Dan niet over de periode van 1 juni 2021 tot 13 december 2022, maar van 1 juni 2022 tot 13 december 2022.
Herziening bijstand (1 juni 2022 tot 1 december 2022)
8. De rechtbank is van oordeel dat WIL op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft geconcludeerd dat het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 juni 2022 tot 1 december 2022 moet worden herzien, omdat eiser niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan door niet te melden dat eiser werkt bij [horeca gelegenheid] . Uit de documenten in het dossier blijkt dat eiser in de periode van 1 juni 2022 tot 1 december 2022 werkzaamheden heeft verricht in [horeca gelegenheid] . Dat blijkt uit de verklaringen van de manager, de eigenaar en de chef-kok. De eigenaar van het restaurant heeft immers verklaard dat eiser al anderhalf jaar werkt bij het restaurant, daar af en toe de afwas heeft gedaan en maaltijden heeft bezorgd en dat hij contant wilde worden betaald (ongeveer 10 euro per uur). Dat de eigenaar niet dagelijks aanwezig is in het restaurant betekent niet dat geen waarde kan worden toegekend aan zijn verklaringen omdat hij wel dagelijks contact had met de manager en de chef-kok van het restaurant. Verder blijkt uit de getuigenverklaring van de chef-kok dat een arbeidsinspecteur, tijdens de controle door de Arbeidsinspectie, een persoon heeft aangewezen en de chef-kok heeft gevraagd wie dat is. De chef-kok heeft daarop verklaard dat dit [eiser] is en dat [eiser] drie tot vier dagen per week voor vijf tot zes uur per dag werkt in het restaurant. Uit het gehoor met de manager van het restaurant blijkt dat [eiser] bij het restaurant werkt zonder contract en cash betaald krijgt. De rechtbank is van oordeel dat er vanuit kan worden gegaan dat de [eiser] die de manager bedoelt, eiser is, omdat eiser geen contract heeft en contant betaald wilde worden. Naast deze verklaringen zijn er ook andere documenten waaruit valt af te leiden dat eiser heeft gewerkt voor het restaurant. In de arbeidstijdenregistratie van 1 juni 2022 tot en met 30 november 2022 en afschriften uit het fooienboekje blijkt dat eiser in de maanden juni tot en met november 2022 een aantal uur heeft gewerkt voor het restaurant en ook fooi heeft ontvangen op verschillende dagen. In de arbeidstijdenregistratie en in het fooienboekje wordt de naam van eiser vermeld. Verder staat in het door de eigenaar overgelegde Whatsapp bericht van 2 november 2022: “(…). [eiser] : 11 dagen € 550 + fooi €92,75= €642,75 (…)”. Hieruit blijkt dat eiser werkzaamheden voor het restaurant heeft verricht en inkomsten heeft verkregen. Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser heeft gewerkt bij het restaurant. Dit betekent dat eiser ten tijde van het onderzoek van de Arbeidsinspectie op zijn werkplek aanwezig was en dat hij op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat eiser op geen enkele wijze heeft aangetoond of aannemelijk heeft gemaakt - met bijvoorbeeld verklaringen waar uit blijkt dat hij andere bezigheden had - dat hij niet bij het restaurant werkte in deze periode.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2024.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)van 2 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:203.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1909.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 2 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1808 en van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 25 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1215 en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:1808.
Zie pagina 9 en 10 van het gehoor met de eigenaar op 30 maart 2023.
Zie pagina 2 van het gehoor met de eigenaar op 30 maart 2023.
Zie pagina 2 van het gehoor met de chef-kok op 13 december 2022.
Zie pagina 2 van het gehoor met de manager op 19 december 2022.
Zie pagina 3 en 9-10 van het gehoor met de eigenaar op 30 maart 2023.