Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-19
ECLI:NL:RBMNE:2024:6470
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,923 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5244
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist).
Inleiding
1. In het besluit van 5 juli 2023 (het primaire besluit) heeft de SVB de aanvraag van eiser voor dubbele kinderbijslag voor zijn zoon [minderjarige] vanaf het eerste kwartaal van 2023 afgewezen.
1.1.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 21 september 2023 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De SVB is bij de afwijzing eisers aanvraag gebleven. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Op 3 april 2024 heeft de SVB e-mailbericht naar de rechtbank gestuurd waarin staat dat het dossier van eiser voor de zorgvuldigheid is voorgelegd aan een medisch adviseur van het CIZ. Dit is ook gedaan, omdat in bezwaar geen medisch adviseur betrokken is geweest.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 18 april 2024 op zitting behandeld. Tijdens de zitting was alleen de gemachtigde van de SVB aanwezig. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
1.5.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de SVB desgevraagd gemeld dat het nog ongeveer een maand zal duren voordat er een reactie ontvangen zal worden van de medisch adviseur van het CIZ. Omdat de rechtbank het medisch advies van het CIZ nodig acht voor de beoordeling van de zaak, heeft de rechtbank besloten deze zaak voor zes weken aan te houden. De gemachtigde van de SVB zal dan, zodra de informatie van de medisch adviseur bekend is, deze informatie toesturen en daarbij vermelden welke betekenis dit heeft voor het bestreden besluit. De gemachtigde van de SVB heeft deze informatie op 28 mei 2024 verstuurd. Vanaf dat moment krijgt eiser twee weken de tijd om hierop te reageren. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
1.6.
De rechtbank vond het niet nodig om partijen uit te nodigen voor een nadere zitting en heeft dit ook aan partijen medegedeeld. Partijen hebben tot 10 juli 2024 gekregen om hierop te reageren. Nu partijen dit niet gedaan hebben gaat de rechtbank er vanuit dat partijen een nadere zitting ook niet nodig vinden. De rechtbank heeft daarom het onderzoek ter zitting op 11 juli 2024 gesloten.
Beoordeling
Inleiding
1. Eiser ontvangt voor zijn zoon [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006, kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Bij [minderjarige] is de ziekte van Crohn vastgesteld en om die reden heeft eiser een aanvraag voor dubbele kinderbijslag ingediend. De SVB heeft deze aanvraag afgewezen. De afwijzing van deze aanvraag is gebaseerd op de adviezen van het CIZ van 3 juli 2023 en van 19 september 2023. Op 28 mei 2024 is een nieuw medisch advies ontvangen, dit advies is gelijk aan de eerdere bevindingen en leidt de SVB niet tot een ander besluit.
Standpunten van partijen
2. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag, omdat [minderjarige] volgens eiser voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor dubbele kinderbijslag. Bij [minderjarige] is de ziekte van Crohn vastgesteld. Daardoor heeft [minderjarige] veel hulp in het dagelijks leven nodig. Er is dus volgens eiser sprake van intensieve zorg voor [minderjarige] . Eiser stelt daarbij dat het CIZ geen telefonisch contact met hem heeft opgenomen. Nadat eiser gedupeerde is geweest van de kindertoeslag, wordt eiser opnieuw gedupeerde door de afwijzing van zijn aanvraag voor dubbele kinderbijslag.
3. De SVB stelt zich op het standpunt dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen. In de adviezen van het CIZ van 3 juli 2023 en 19 september 2023 is de zorgscore voor [minderjarige] vastgesteld op 0 punten. Ook in het nieuwe medisch advies van 28 mei 2024 is de zorgscore op 0 punten vastgesteld. Hierdoor wordt in het geval van eiser niet voldaan aan de voorwaarde voor dubbele kinderbijslag. De zorg die nodig is voor [minderjarige] kan daarom niet gekwalificeerd worden als intensieve zorg in de zin van de AKW en het Besluit Uitvoering Kinderbijslag (BUK). Eiser heeft in beroep geen (nieuwe) medisch inhoudelijke gronden aangevoerd en de adviezen van het CIZ zijn op de juiste wijze tot stand gekomen. De SVB ziet daarom geen aanleiding om van de CIZ adviezen af te wijken.
Beoordeling
4. De rechtbank moet beoordelen of de SVB zijn besluit mocht baseren op de adviezen van het CIZ van 3 juli 2023 en 19 september 2023. Verder moet de rechtbank beoordelen of het medisch advies van het CIZ van 28 mei 2024 de SVB niet tot een ander oordeel heeft hoeven leiden. Daarbij moet de rechtbank beoordelen of de afwijzing van de aanvraag van eiser op goede gronden tot stand is gekomen.
5. De rechtbank stelt het volgende voorop. In artikel 7a, eerste lid, van de AKW staat dat een verzekerde voor een tot zijn huishouden behorend kind van tussen de drie en achttien jaar, recht heeft op verdubbeling van de kinderbijslag als het kind is aangewezen op een bepaalde vastgestelde mate van intensieve zorg. De afwijzing van de aanvraag heeft het CIZ gebaseerd op drie adviezen waarin is beoordeeld of [minderjarige] is aangewezen op intensieve zorg.
Het CIZ advies
6. Het CIZ heeft voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een intensieve zorgbehoefte voor [minderjarige] in zijn adviezen het Beoordelingskader Besluit uitvoering kinderbijslag 2018 (Beoordelingskader) gebruikt. In dit Beoordelingskader staat dat er sprake is van intensieve zorg als een kind zodanig ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of geestelijke aard, dat de verzorging en oppassing door de ouders in ernstige mate wordt verzwaard. Het Beoordelingskader is aan te merken als vaste gedragslijn die als uitgangspunt voor de beoordeling kan worden genomen, maar er kunnen gevallen zijn buiten de beoordelingscriteria om wanneer er toch sprake is van intensieve zorg, als de feiten en omstandigheden daarvoor aanleiding geven. Het CIZ beoordeelt aan de hand van het Beoordelingskader de intensieve zorgbehoefte aan de hand van verschillende items, deze items staan genoemd in artikel 3 van de Regeling uitvoering dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (Regeling). De zorgbehoefte wordt zo beoordeeld op twee terreinen: verzorging en oppassing. Als het CIZ oordeelt dat er sprake is van een zware zorgbehoefte op een item, wordt daarvoor één punt toegekend. Een kind van tussen de tien en zeventien jaar oud heeft intensieve zorg nodig als hij drie of meer punten scoort. In het Beoordelingskader is uitgewerkt wanneer er wel en geen punt wordt toegekend voor een bepaald item. Het advies dat het CIZ uitbrengt wordt verder aangemerkt als deskundigenadvies. Bij de besluitvorming mag de SVB daarom uitgaan van de juistheid en volledigheid van het advies, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn om daaraan te twijfelen.
7. De rechtbank oordeelt dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de zorgvuldige totstandkoming van het advies van het CIZ. De rechtbank betrekt daarbij dat het CIZ bij zijn beoordeling van de zorgbehoefte van [minderjarige] , het door eiser ingevulde vragenformulier heeft betrokken en ook de beschikbare medisch informatie van het UMC Utrecht van 7 april 2023 en 23 juni 2023 heeft meegenomen in de beoordeling. Verder is van belang dat het CIZ in de beroepsfase opnieuw naar de situatie van eiser heeft gekeken en dit niet tot een ander advies heeft geleid. Hiermee heeft het CIZ zorgvuldig gehandeld en zijn de adviezen op de juiste manier tot stand gekomen. Eiser heeft verder geen medische informatie overgelegd die het advies van het CIZ weerspreken of specifieke beroepsgronden gericht tegen de door het CIZ gegeven zorgscores op de verschillende items. De stelling van eiser dat [minderjarige] nu meer dagelijkse zorg nodig heeft dan voorheen, betekent namelijk niet zonder meer dat er sprake is van een intensieve zorgbehoefte. Door enkel te stellen dat [minderjarige] meer zorg nodig heeft, heeft eiser niet aannemelijk is gemaakt dat de conclusies van het CIZ onjuist zijn. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de adviezen van het CIZ. De SVB kon zich daarom baseren op de adviezen van het CIZ van 3 juli 2023, 19 september 2023 en van 28 mei 2024.
Gelijkheidsbeginsel
Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel door te stellen dat hij wederom gedupeerde is, omdat hij ook gedupeerde was van de kindertoeslag kan die beroepsgrond niet slagen. Kindertoeslag en kinderbijslag verschillen van elkaar, omdat deze onder meer beide in een andere wet zijn vastgelegd. Dat eiser gedupeerde is geweest van de kindertoeslag, betekent daarom niet automatisch dat hij ook in dit geval gedupeerde is. Eiser heef niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen voor wat betreft een aanvraag om dubbele kinderbijslag. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. De rechtbank oordeelt dat de SVB zich mocht baseren op de adviezen van het CIZ, waaruit volgt dat in de situatie van [minderjarige] niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 7a, eerste lid, van de AKW. De aanvraag is ook op goede gronden afgewezen.
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom zijn betaalde griffierecht niet terug. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2024.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit is gebaseerd op artikel 11 en 12 van het Besluit uitvoering kinderbijslag.
Zie artikel 3, tweede lid van de Regeling.
Zie artikel 3, derde lid, aanhef en onder b van de Regeling.
ECLI:NL:CRVB:2012:BX8145.