Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-14
ECLI:NL:RBMNE:2024:6336
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,302 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bewindsbureau
locatie Almere
zaaknummer: 11393757 MT VERZ 24-5746
BM nummer : [BM nummer]
Beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind d.d. 14 november 2024
Op verzoek van:
[verzoekster]
wonende [adres 1]
[postcode 1] [woonplaats 1]
hierna te noemen: bewindvoerder
over het vermogen van:
[rechthebbende]
wonende [adres 2]
[postcode 2] [woonplaats 2]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978
hierna te noemen: rechthebbende.
Procesverloop
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- de vijfjaarlijkse evaluatie, ter griffie ingekomen op 22 augustus 2024.
De evaluatie met daarin het verzoek tot opheffing van het bewind is behandeld ter zitting van 1 november 2024. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.
Beoordeling
Het verzoek strekt tot opheffing van het door de kantonrechter te Hilversum op 10 november 1999 ingestelde bewind over de goederen van rechthebbende. Nu is [verzoekster] , voornoemd, bewindvoerder. Tot zijn overlijden was ook de vader van rechthebbende bewindvoerder.
Naast bewindvoerder is mevrouw [verzoekster] ook de moeder van rechthebbende en testamentair bewindvoerder. Deze laatste hoedanigheid vloeit voort uit – zo is de kantonrechter bekend uit het bewindsdossier - de nalatenschap van de vader van rechthebbende. Vader heeft aan rechthebbende het vruchtgebruik van een bedrag gelegateerd ter hoogte van – kort gezegd - de legitieme. De zus van rechthebbende is bloot eigenaar. Dit gelegateerde vruchtgebruik is onder testamentair bewind gesteld, waarbij de bewindvoerder tot testamentair bewindvoerder is benoemd. De testamentair bewindvoerder heeft de vrijheid om het vruchtgebruik te beheren zoals het haar goeddunkt en te beslissen of en – zo ja – wanneer het testamentair bewind zal worden beëindigd.
De testamentair bewindvoerder heeft het bedrag vervolgens middels een hypothecaire geldlening uitgeleend aan [onderneming] B.V. tegen een rente van 2,5% op jaarbasis. De bewindvoerder en de zus van rechthebbende zijn de bestuurders van [onderneming] B.V., die zich bezighoudt met beleggingen in onroerend goed. De bewindvoerder houdt de certificaten van de aandelen in deze vennootschap. De rente-ontvangsten worden door de bewindvoerder verantwoord in de jaarlijkse rekening en verantwoording ter zake het beschermingsbewind.
Rechthebbende en de bewindvoerder willen graag dat het bewind wordt opgeheven. De kantonrechter dient te toetsen of rechthebbende inmiddels in staat is om ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Ter zitting is gebleken dat rechthebbende al veel zaken zelfstandig kan en doet, maar de bovengenoemde constructie niet volledig kan overzien. Bovendien heeft verzoeker kenbaar gemaakt dat de reden voor het verzoek mede ligt in het opstellen van de jaarlijkse rekening en verantwoording, wat werk en kosten met zich meebrengt. Rechthebbende is dit met zijn moeder eens en wil haar op dit vlak graag ontzien.
De kantonrechter zal het verzoek echter afwijzen, nu hij van oordeel is dat rechthebbende zijn vermogensrechtelijke belangen niet ten volle behoorlijk kan waarnemen. Dit geldt met name ten aanzien van de ingewikkelde constructie rondom het vruchtgebruik. Desgevraagd op zitting kon rechthebbende de kantonrechter niet goed uitleggen wat de constructie precies inhield. Daar komt bij dat de moeder (en in mindere mate zijn zus) zoveel petten op hebben dat voor rechthebbende de te volgen stappen niet te overzien zullen zijn als - bijvoorbeeld – in een onverhoopt geval de verschuldigde rente niet meer wordt voldaan. In de huidige constellatie is er in ieder geval nog de kantonrechter die toezicht uitvoert op het beschermingsbewind. Dit toezicht ontbreekt geheel in het testamentaire bewind. Daarmee is de grond voor het bewind nog steeds aanwezig en heeft voorzetting van het bewind nog wel degelijk zin.
Dictum
De kantonrechter:
- wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G. van de Streek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.