Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-05-16
ECLI:NL:RBMNE:2024:6307
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,110 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1665
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
16 mei 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A. Yandere),
en
Stichting Openbaar Basisonderwijs Hilversum, STIP
(gemachtigde: A. Boogaard).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het bericht van STIP van 8 januari 2024 waarin staat dat voor [zoon] (verzoekers zoon) een passende school is gevonden en dat daarmee de zorgplicht van de [school 1] vervalt.
Verzoeker is het daar niet mee eens en wil dat [zoon] op de [school 1] wordt toegelaten.
De voorzieningenrechter heeft op 6 mei 2024 vragen gesteld aan STIP en deze zijn door STIP op 8 mei 2024 beantwoord. Ook zijn er op 14 en 15 mei 2024 nog enkele stukken van partijen ontvangen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, T. Yilihamu als tolk en de gemachtigde van STIP. Ook zijn aanwezig: [A] ( [functie 1] STIP),
[B] (Unita), [C] (intern begeleider [school 1] ) en [D] ( [functie 2] STIP en voorheen directeur van de [school 1] ).
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen omdat de e-mail van 8 januari 2024 van STIP niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In deze e-mal staat onder andere: “Op zoek naar een passende school voor [zoon] hebben we, samen met het samenwerkingsverband Unita, de [school 2] gevonden als een passende plek voor [zoon] . Met het vinden van deze passende plek vervalt de zorgplicht van de [school 1] ." Er is geen sprake van een rechtsgevolg – ondanks de onhandige passage dat de zorgplicht vervalt – omdat niet is bedoeld om [zoon] te verwijderen van de [school 1] . Hij staat daar dan ook nog ingeschreven. De voorzieningenrechter leidt uit het dossier af, en ook op de zitting is dat gebleken, dat STIP erg betrokken is bij de ontwikkeling van [zoon] en dat er actief wordt gezocht naar een geschikte plek voor hem. De voorzieningenrechter wijst daarbij op de voorstellen die in april en mei 2024 zijn gedaan. De e-mail is een onderdeel van dat proces en heeft in zoverre een informerend karakter.
3. De voorzieningenrechter kan dus niet beslissen dat [zoon] een reguliere plek moet krijgen op de [school 1] . Maar de voorzieningenrechter hoopt dat het gesprek op zitting eraan bijdraagt dat [zoon] zo spoedig mogelijk weer naar school gaat, omdat dit in zijn belang is.
Conclusie
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024 door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.