Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-03
ECLI:NL:RBMNE:2024:6298
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,312 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Openbaar Ministerie Limburg, verweerder
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 9 oktober 2023 om binnen 14 dagen zijn persoonsgegevens te noteren in de administratie en hem daarvan een bevestiging te sturen.
Vervolgens stuurt eiser op 23 oktober 2023 een brief om verweerder in gebreke te stellen en zijn verzoek alsnog uit te voeren.
Op 6 november 2023 stelt eiser beroep in tegen het niet tijdig beslissen door verweerder. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser.
Beoordeling
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of verweerder daadwerkelijk in gebreke is om tijdig een besluit te nemen op het verzoek van eiser van 9 oktober 2023, dient de rechtbank eerst antwoord te geven op de vraag of dat verzoek een aanvraag is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, om een besluit te nemen. In het eerste lid van dit artikel staat uitgelegd wat onder een besluit wordt verstaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
3. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder terecht dat het verzoek van eiser van 9 oktober 2023 niet is aan te merken als een aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het is namelijk niet gebleken dat er een publiekrechtelijke grondslag bestaat op basis waarvan verweerder gehouden is om aan verzoeken zoals het verzoek van eiser gehoor te geven en zijn persoonsgegevens in hun administratie op te nemen. Verweerder heeft bovendien toegelicht dat wanneer de gegevens van eiser nodig zijn, zij de Brp raadplegen.
4. Omdat er geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is verweerder niet gehouden tot het nemen van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Er staat dan ook geen beroep open tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Conclusie
De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om van het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennis te nemen. Omdat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde beroep, zal het door eiser betaalde griffierecht worden teruggestort. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Openbaar Ministerie Limburg, verweerder
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 9 oktober 2023 om binnen 14 dagen zijn persoonsgegevens te noteren in de administratie en hem daarvan een bevestiging te sturen.
Vervolgens stuurt eiser op 23 oktober 2023 een brief om verweerder in gebreke te stellen en zijn verzoek alsnog uit te voeren.
Op 6 november 2023 stelt eiser beroep in tegen het niet tijdig beslissen door verweerder. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser.
Beoordeling
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of verweerder daadwerkelijk in gebreke is om tijdig een besluit te nemen op het verzoek van eiser van 9 oktober 2023, dient de rechtbank eerst antwoord te geven op de vraag of dat verzoek een aanvraag is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, om een besluit te nemen. In het eerste lid van dit artikel staat uitgelegd wat onder een besluit wordt verstaan. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
3. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder terecht dat het verzoek van eiser van 9 oktober 2023 niet is aan te merken als een aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het is namelijk niet gebleken dat er een publiekrechtelijke grondslag bestaat op basis waarvan verweerder gehouden is om aan verzoeken zoals het verzoek van eiser gehoor te geven en zijn persoonsgegevens in hun administratie op te nemen. Verweerder heeft bovendien toegelicht dat wanneer de gegevens van eiser nodig zijn, zij de Brp raadplegen.
4. Omdat er geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is verweerder niet gehouden tot het nemen van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Er staat dan ook geen beroep open tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Conclusie
De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om van het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennis te nemen. Omdat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde beroep, zal het door eiser betaalde griffierecht worden teruggestort. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).