Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-30
ECLI:NL:RBMNE:2024:6235
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,172 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5134
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, verweerder (het college)
(gemachtigde: M. Buyse).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het besluit van het college van 27 juni 2024 (hierna: het bestreden besluit). In dit besluit heeft het college het bezwaar van eiser tegen het besluit van 20 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar volgens het college te laat is ingediend.
2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Beoordeling
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit aan de aanvrager is uitgereikt of verzonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, dan kan het college besluiten het bezwaar niet inhoudelijk te behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kon doen. In die situatie laat het college niet-ontvankelijkverklaring op grond van de te late indiening achterwege.
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. De rechtbank stelt vast dat het college het besluit van 20 december 2023 op dezelfde dag bekend heeft gemaakt door verzending daarvan aan de aanvrager. Dit betekent dat de bezwaartermijn aanving op 21 december 2023 en, zes weken later, eindigde op 1 februari 2024. Het college heeft het bezwaar gedateerd op 4 april 2024 op dezelfde dag ontvangen. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat het besluit op 23 februari 2024 in het Gemeenteblad is gepubliceerd en dat hij pas op dat moment kennis heeft kunnen nemen van het besluit. Eiser heeft vanaf dat moment zes weken nodig gehad om de bezwaargronden te formuleren. Door het bezwaar op 4 april 2024 in te dienen is hij dus, gerekend vanaf de datum van de publicatie van het besluit in het gemeenteblad, binnen de wettelijke termijn van zes weken gebleven.
6. De rechtbank stelt vast dat dat de publicatie van het besluit heeft plaatsgevonden nadat de bezwaartermijn is verstreken. Volgens vaste rechtspraak is een belanghebbende die met het nemen van een besluit niet bekend was en ook redelijkerwijs niet bekend kon zijn niet verwijtbaar te laat met het maken van bezwaar wanneer hij dit alsnog doet binnen zes weken nadat hij te weten is gekomen dat het besluit is genomen.
7. De rechtbank is van oordeel dat de late indiening van het bezwaarschrift door eiser niet verontschuldigbaar is. De rechtbank maakt uit het dossier op dat eiser op 22 januari 2024 per e-mail heeft gevraagd of het college een besluit heeft genomen. Aanleiding voor dit bericht waren bouwwerkzaamheden die op die dag plaatsvonden. Dat het college een besluit had genomen, kon eiser op dat moment naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs nog niet weten. Het college heeft namelijk pas op 20 februari 2024 een e-mail gestuurd dat eiser de stukken die aan het besluit van 20 december 2023 ten grondslag zijn gelegd, bij het college kan opvragen. Eiser had uit dit bericht redelijkerwijs kunnen opmaken dat het besluit van 20 december 2023 was genomen. Dat betekent dat de redelijke termijn van zes weken, waarbinnen eiser alsnog bezwaar diende te maken, op 20 februari 2024 aanving. Eiser had dan ook alsnog binnen zes weken hierna, dus uiterlijk op 2 april 2024, bezwaar moeten maken. Dat eiser met het bericht van 20 februari 2024 nog geen inzage had in het besluit van 20 december 2023 en de bijbehorende stukken maakt dat niet anders, omdat eiser de mogelijkheid had om een pro-forma bezwaarschrift in te dienen en de gronden later aan te vullen. De beslissing van het college om het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren was dus juist.
Conclusie
8. Het beroep daarom kennelijk ongegrond. Dit betekent dat het college het bezwaar van eiser niet in behandeling neemt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit staat in artikel 3:41, eerste lid van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1406, r.o. 4.6.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5134
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, verweerder (het college)
(gemachtigde: M. Buyse).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het besluit van het college van 27 juni 2024 (hierna: het bestreden besluit). In dit besluit heeft het college het bezwaar van eiser tegen het besluit van 20 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar volgens het college te laat is ingediend.
2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Beoordeling
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit aan de aanvrager is uitgereikt of verzonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, dan kan het college besluiten het bezwaar niet inhoudelijk te behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kon doen. In die situatie laat het college niet-ontvankelijkverklaring op grond van de te late indiening achterwege.
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. De rechtbank stelt vast dat het college het besluit van 20 december 2023 op dezelfde dag bekend heeft gemaakt door verzending daarvan aan de aanvrager. Dit betekent dat de bezwaartermijn aanving op 21 december 2023 en, zes weken later, eindigde op 1 februari 2024. Het college heeft het bezwaar gedateerd op 4 april 2024 op dezelfde dag ontvangen. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat het besluit op 23 februari 2024 in het Gemeenteblad is gepubliceerd en dat hij pas op dat moment kennis heeft kunnen nemen van het besluit. Eiser heeft vanaf dat moment zes weken nodig gehad om de bezwaargronden te formuleren. Door het bezwaar op 4 april 2024 in te dienen is hij dus, gerekend vanaf de datum van de publicatie van het besluit in het gemeenteblad, binnen de wettelijke termijn van zes weken gebleven.
6. De rechtbank stelt vast dat dat de publicatie van het besluit heeft plaatsgevonden nadat de bezwaartermijn is verstreken. Volgens vaste rechtspraak is een belanghebbende die met het nemen van een besluit niet bekend was en ook redelijkerwijs niet bekend kon zijn niet verwijtbaar te laat met het maken van bezwaar wanneer hij dit alsnog doet binnen zes weken nadat hij te weten is gekomen dat het besluit is genomen.
7. De rechtbank is van oordeel dat de late indiening van het bezwaarschrift door eiser niet verontschuldigbaar is. De rechtbank maakt uit het dossier op dat eiser op 22 januari 2024 per e-mail heeft gevraagd of het college een besluit heeft genomen. Aanleiding voor dit bericht waren bouwwerkzaamheden die op die dag plaatsvonden. Dat het college een besluit had genomen, kon eiser op dat moment naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs nog niet weten. Het college heeft namelijk pas op 20 februari 2024 een e-mail gestuurd dat eiser de stukken die aan het besluit van 20 december 2023 ten grondslag zijn gelegd, bij het college kan opvragen. Eiser had uit dit bericht redelijkerwijs kunnen opmaken dat het besluit van 20 december 2023 was genomen. Dat betekent dat de redelijke termijn van zes weken, waarbinnen eiser alsnog bezwaar diende te maken, op 20 februari 2024 aanving. Eiser had dan ook alsnog binnen zes weken hierna, dus uiterlijk op 2 april 2024, bezwaar moeten maken. Dat eiser met het bericht van 20 februari 2024 nog geen inzage had in het besluit van 20 december 2023 en de bijbehorende stukken maakt dat niet anders, omdat eiser de mogelijkheid had om een pro-forma bezwaarschrift in te dienen en de gronden later aan te vullen. De beslissing van het college om het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren was dus juist.
Conclusie
8. Het beroep daarom kennelijk ongegrond. Dit betekent dat het college het bezwaar van eiser niet in behandeling neemt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit staat in artikel 3:41, eerste lid van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1406, r.o. 4.6.