Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-14
ECLI:NL:RBMNE:2024:6161
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,880 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/578570 / JE RK 24-1209
Datum uitspraak: 14 oktober 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. van Harskamp,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
verblijvende in de [locatie] te [plaats] ,
advocaat mr. P.L.J. Woesthoff,
de heer en mevrouw [grootouders],
hierna te noemen de grootouders vaderszijde,
wonende in [woonplaats] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 27 augustus 2024;
het bericht en het verweerschrift van de moeder tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 2 oktober 2024;
het bericht van 3 oktober 2024 van de moeder met bijlagen;
het bericht van 4 oktober 2024 van de moeder met een bijlage;
het bericht van 4 oktober 2024 van de GI met bijlagen;
het bericht van 5 oktober 2024 van de moeder.
1.2.
De mondelinge behandeling (zitting) met gesloten deuren door de meervoudige kamer (drie rechters) heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- mevrouw [A] namens de GI;
de grootouders vaderszijde;
de heer [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna de Raad).
Hoewel de moeder bij bericht van 5 oktober 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwezigheid van mevrouw [C] , hierna [C] , werkzaam bij Levvel, op de zitting, heeft de rechtbank bijzondere toegang tot de zitting aan [C] verleend. De rechtbank vond het van belang de bezwaren van de moeder tegen het onderzoek van [C] te kunnen bespreken met [C] .
1.3.
De advocaat van de vader heeft tijdens de zitting pleitaantekeningen overgelegd.
1.4.
Op de zitting heeft de GI haar schriftelijke aanwijzing van 3 oktober 2024 ingetrokken, waarna de moeder op haar beurt het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI heeft ingetrokken. De rechtbank hoeft op deze verzoeken daarom niet meer te beslissen.
1.5.
De GI, de ouders en de Raad zijn op 14 oktober 2024 vanaf 10.00 uur in de gelegenheid gesteld om de beslissing telefonisch van de rechtbank te vernemen. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] staat sinds 20 december 2022 onder toezicht van de GI. Zij verblijft sinds 20 december 2022 met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders vaderszijde..
2.3.
De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 12 maart 2024 voor het laatst verlengd tot 17 maart 2025. Bij beschikking van 12 maart 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de grootouders vaderszijde verlengd tot 17 september 2024. Bij beschikking van 27 augustus 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de grootouders vaderszijde verlengd tot 17 oktober 2024 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden, in afwachting van de zitting op 10 oktober 2024.
2.4.
De vader is bij vonnis van 27 maart 2024 van deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren voor doodslag op de minderjarige dochter van de ouders, [minderjarige 2] (hierna [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2022 en overleden op [overlijdensdatum] 2022. De vader is gedetineerd. Het vonnis is onherroepelijk.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De GI voert het volgende aan. Volgens de GI ligt het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij de moeder. Voor alle betrokkenen is het van belang dat duidelijk wordt dat in het kader van de ondertoezichtstelling niet meer zal worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk om de stabiele opvoedsituatie van [minderjarige 1] te waarborgen. [minderjarige 1] heeft een stabiele, voorspelbare leefomgeving nodig, met opvoeders die sensitief en responsief zijn en hierin continuïteit laten zien. De moeder kan dit onvoldoende bieden. Zij heeft de ondersteuning nodig van de omgangsbegeleiders en het lukt haar onvoldoende om zich eigen te maken wat zij aangereikt krijgt.
3.3.
De rechtbank zal hierna, in navolging van de in de rechtspraak gehanteerde term, niet over ‘opvoedbesluit’ spreken, maar over ‘perspectiefbesluit.’
4De standpunten
4.1.
De moeder voert verweer. Zij is het oneens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en het perspectiefbesluit van de GI. Zij heeft hiertegen verweer gevoerd en daarbij zelfstandige verzoeken ingediend. Voor zover de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de moeder, heeft zij de rechtbank verzocht een onderzoek te gelasten door een onafhankelijke deskundige, bijvoorbeeld door het NIFP op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om te beoordelen waar [minderjarige 1] het beste kan opgroeien en hoe het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder er het beste uit kan zien. Ook heeft de moeder op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek verzocht om te bepalen dat de GI gehouden is om de moeder en [minderjarige 1] alsnog per direct aan te melden bij GGZ Drenthe of een soortgelijke instelling voor klinische intensieve ouderschapsbegeleiding.
4.2.
De vader voert geen verweer tegen de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Hij is het daarmee eens. Dit geldt ook voor het perspectiefbesluit van de GI.
Beoordeling
5.1.
De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin en/of een accommodatie voor 24-uurs jeugdhulp tot 17 maart 2025 verlengen. De rechtbank zal verder bepalen dat de GI de moeder en [minderjarige 1] zo spoedig mogelijk dient aan te melden bij GGZ Drenthe voor het traject Ouderschap beoordeling of voor een vergelijkbaar traject, dan wel bij een soortgelijke instelling voor een vergelijkbaar traject. De rechtbank zal daarbij uitleggen dat zij het perspectiefbesluit dat door de GI is genomen, niet onderschrijft. De rechtbank zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren en het meer of anders verzochte afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.2.
Uit de stukken en het gesprek tijdens de zitting is voldoende gebleken dat het nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd (artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
5.3.
Om te beginnen is de rechtbank het niet eens met de moeder dat er geen gronden zijn om [minderjarige 1] nog langer uit huis te plaatsen. Weliswaar komt uit het diagnostisch onderzoek van Levvel Hecht naar voren dat [minderjarige 1] geen duidelijke traumagerelateerde klachten laat zien en dat het relatief goed gaat met haar, maar het staat op dit moment onvoldoende vast dat de moeder de voor [minderjarige 1] benodigde stabiliteit en continuïteit kan bieden. [minderjarige 1] laat namelijk een achterstand zien op verschillende ontwikkelingsgebieden en zal goed gevolgd moeten worden. Hoewel uit de stukken van de GI volgt dat de band tussen [minderjarige 1] en de moeder de afgelopen maanden is gegroeid en dat de moeder [minderjarige 1] steeds beter kan geruststellen of troosten, zijn er nog steeds zoveel zorgen dat er nog geen sprake van kan zijn dat [minderjarige 1] weer thuis bij de moeder kan wonen. De moeder vindt het volgens de GI namelijk lastig om sociaal-emotioneel aan te sluiten bij [minderjarige 1] . De moeder heeft daarbij nog sturing nodig, maar volgens de GI roept de moeder niet haar ondersteuning in op momenten dat dit juist nodig is. Daarnaast vindt de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] sinds april 2024 weer onder begeleiding plaats omdat er tijdens het onbegeleide deel van de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder een incident heeft plaatsgevonden, waarbij [minderjarige 1] niet in de auto van de moeder wilde stappen. Dit incident heeft volgens de GI veel impact op [minderjarige 1] gehad. [minderjarige 1] vertelde achteraf aan oma vaderszijde dat de moeder haar had geschopt omdat zij niet luisterde en ze sliep in de dagen daarna onrustig en ze was emotioneel. De GI benadrukt dat de moeder de GI niet over het incident heeft ingelicht. Voor de rechtbank is niet duidelijk geworden wat er precies is gebeurd en of het voor de moeder duidelijk had behoren te zijn dat [minderjarige 1] uit haar evenwicht kon raken. Maar het is nu niet voldoende zeker dat de moeder adequaat op signalen van [minderjarige 1] kan reageren.
5.4.
Verder is de rechtbank het niet eens met het perspectiefbesluit van de GI. De rechtbank is er namelijk, anders dan de GI en de vader, op grond van wat de rechtbank nu weet, niet van overtuigd dat [minderjarige 1] niet bij de moeder kan opgroeien. GI heeft het perspectiefbesluit kennelijk genomen na het omgangsincident tussen [minderjarige 1] en de moeder op 17 april 2024. Op de zitting hebben de vertegenwoordigers van de GI en van Levvel onder verwijzing naar het ‘Eind adviesverslag terug naar huis onderzoek’ van Levvel (verder aan te duiden als: het Eindadvies van Levvel) gezegd dat zij hierin een herhaling zagen van eerdere kindsignalen van [minderjarige 1] en dat zij hieruit de conclusie hebben getrokken dat de moeder onvoldoende vooruitgang maakte. In het Eindadvies van Levvel zijn de betreffende eerdere kindsignalen die samen zouden hangen met de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] echter niet concreet beschreven. Wel noemt de peuterspeelzaal een aantal specifieke kindsignalen van [minderjarige 1] maar het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat deze kindsignalen met het handelen (of niet-handelen) van de moeder te maken hebben. Dit maakt dat de rechtbank vindt dat het Eindadvies van Levvel onvoldoende grondslag biedt om zo’n verstrekkend besluit te nemen.
5.5.
Aan de andere kant zijn er verschillende verslagen van positief verlopen omgangsmomenten tussen [minderjarige 1] en de moeder, die als bijlage bij het Eindadvies van Levvel gevoegd zijn. Met name als de moeder een “kalm brein” heeft, is zij goed in staat om adequaat op [minderjarige 1] te reageren. Dit betekent dat de rechtbank vindt dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling nog steeds moet toewerken naar thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder. Uit de verslagen volgt dat de moeder goed kan structureren en een meewerkende houding heeft. Ook de rapportage over de video-interactiebegeleiding-gehechtheid (VIB-G) is positief.
5.6.
Verder geldt dat er in deze zaak rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de moeder zoals de Raad in zijn rapport van 8 maart 2023 van het beschermingsonderzoek heeft gesteld. [minderjarige 1] is destijds niet uithuisgeplaatst vanwege onvoldoende opvoedershandelen van de moeder, maar omdat haar andere dochter [minderjarige 2] was overleden onder verdachte omstandigheden en er uit de sectie naar voren was gekomen dat er sprake was van ernstig letsel. Veilig Thuis heeft destijds met de ouders afgesproken dat zij niet alleen met [minderjarige 1] mochten zijn en [minderjarige 1] is naar de grootouders vaderszijde gebracht. Maar inmiddels is duidelijk dat de vader, en niet de moeder, het letsel heeft veroorzaakt waaraan [minderjarige 2] is overleden. De moeder heeft in heel korte tijd uitzonderlijk grote verliezen geleden: haar drie weken oude baby is overleden, kort daarvoor was haar eigen moeder overleden, haar partner werd gedetineerd, zij verloor ook haar relatie met hem en [minderjarige 1] is uit huis geplaatst. De rechtbank kan uit het Eindadvies van Levvel niet afleiden in hoeverre er in het “Terug naar huis” traject met die bijzondere omstandigheden rekening is gehouden.
5.7.
Gelet op het bovenstaande kan de rechtbank de moeder goed volgen in haar standpunt dat het perspectiefbesluit te vroeg is genomen. De moeder komt persoonlijk meer en meer in rustiger vaarwater. De strafprocedure van de vader is inmiddels afgerond. Uit de stukken blijkt dat de moeder haar traumabehandeling bij Sinaï positief heeft afgerond en dat zij, als zij er behoefte aan heeft, terecht kan bij de POH-GGz met wie zij een goed contact heeft. Ook op andere vlakken is de moeder met zichzelf aan het werk. Zo heeft zij van haar budgetcoach te horen gekregen dat zij eraan toe is om binnen nu en een jaar haar financiën weer zelf te beheren.
De aanmelding GGZ Drenthe voor het traject Ouderschap beoordeling
5.8.
De moeder heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de GI gehouden is om de moeder en [minderjarige 1] alsnog per direct aan te melden bij GGZ Drenthe of een soortgelijke instelling voor klinische intensieve ouderschapsbegeleiding. De moeder heeft gesteld dat zij openstaat voor dergelijke intensieve ouderschapsbegeleiding, zodat [minderjarige 1] en zij 24 uur per dag intensief begeleid en gemonitord kunnen worden in alle facetten van de opvoeding. Toen er zicht was op een dergelijke plaatsing, is dat toch niet ingezet, omdat dit de inmiddels lopende hulpverlening vanuit Levvel en de GI zou doorkruisen. Deze trajecten zijn inmiddels afgesloten.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin en/of een accommodatie voor 24-uurs jeugdhulp tot 17 maart 2025;
6.2.
bepaalt dat de GI de moeder en [minderjarige 1] zo spoedig mogelijk dient aan te melden bij GGZ Drenthe voor het traject Ouderschap beoordeling of voor een vergelijkbaar traject, dan wel bij een soortgelijke instelling voor een vergelijkbaar traject;
6.3.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2024 door mr. G.L.M. Urbanus, mr. R.M. Maliepaard en mr. A.M.J. van der Weide, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. A. Sie als griffier. De beschikking is op schrift gesteld op 8 november 2024 en ondertekend door mr. G.L.M. Urbanus.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/578570 / JE RK 24-1209
Datum uitspraak: 14 oktober 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. van Harskamp,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
verblijvende in de [locatie] te [plaats] ,
advocaat mr. P.L.J. Woesthoff,
de heer en mevrouw [grootouders],
hierna te noemen de grootouders vaderszijde,
wonende in [woonplaats] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 27 augustus 2024;
het bericht en het verweerschrift van de moeder tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 2 oktober 2024;
het bericht van 3 oktober 2024 van de moeder met bijlagen;
het bericht van 4 oktober 2024 van de moeder met een bijlage;
het bericht van 4 oktober 2024 van de GI met bijlagen;
het bericht van 5 oktober 2024 van de moeder.
1.2.
De mondelinge behandeling (zitting) met gesloten deuren door de meervoudige kamer (drie rechters) heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- mevrouw [A] namens de GI;
de grootouders vaderszijde;
de heer [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna de Raad).
Hoewel de moeder bij bericht van 5 oktober 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwezigheid van mevrouw [C] , hierna [C] , werkzaam bij Levvel, op de zitting, heeft de rechtbank bijzondere toegang tot de zitting aan [C] verleend. De rechtbank vond het van belang de bezwaren van de moeder tegen het onderzoek van [C] te kunnen bespreken met [C] .
1.3.
De advocaat van de vader heeft tijdens de zitting pleitaantekeningen overgelegd.
1.4.
Op de zitting heeft de GI haar schriftelijke aanwijzing van 3 oktober 2024 ingetrokken, waarna de moeder op haar beurt het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI heeft ingetrokken. De rechtbank hoeft op deze verzoeken daarom niet meer te beslissen.
1.5.
De GI, de ouders en de Raad zijn op 14 oktober 2024 vanaf 10.00 uur in de gelegenheid gesteld om de beslissing telefonisch van de rechtbank te vernemen. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] staat sinds 20 december 2022 onder toezicht van de GI. Zij verblijft sinds 20 december 2022 met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders vaderszijde..
2.3.
De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 12 maart 2024 voor het laatst verlengd tot 17 maart 2025. Bij beschikking van 12 maart 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de grootouders vaderszijde verlengd tot 17 september 2024. Bij beschikking van 27 augustus 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de grootouders vaderszijde verlengd tot 17 oktober 2024 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden, in afwachting van de zitting op 10 oktober 2024.
2.4.
De vader is bij vonnis van 27 maart 2024 van deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren voor doodslag op de minderjarige dochter van de ouders, [minderjarige 2] (hierna [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2022 en overleden op [overlijdensdatum] 2022. De vader is gedetineerd. Het vonnis is onherroepelijk.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De GI voert het volgende aan. Volgens de GI ligt het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij de moeder. Voor alle betrokkenen is het van belang dat duidelijk wordt dat in het kader van de ondertoezichtstelling niet meer zal worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk om de stabiele opvoedsituatie van [minderjarige 1] te waarborgen. [minderjarige 1] heeft een stabiele, voorspelbare leefomgeving nodig, met opvoeders die sensitief en responsief zijn en hierin continuïteit laten zien. De moeder kan dit onvoldoende bieden. Zij heeft de ondersteuning nodig van de omgangsbegeleiders en het lukt haar onvoldoende om zich eigen te maken wat zij aangereikt krijgt.
3.3.
De rechtbank zal hierna, in navolging van de in de rechtspraak gehanteerde term, niet over ‘opvoedbesluit’ spreken, maar over ‘perspectiefbesluit.’
4De standpunten
4.1.
De moeder voert verweer. Zij is het oneens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en het perspectiefbesluit van de GI. Zij heeft hiertegen verweer gevoerd en daarbij zelfstandige verzoeken ingediend. Voor zover de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de moeder, heeft zij de rechtbank verzocht een onderzoek te gelasten door een onafhankelijke deskundige, bijvoorbeeld door het NIFP op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om te beoordelen waar [minderjarige 1] het beste kan opgroeien en hoe het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder er het beste uit kan zien. Ook heeft de moeder op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek verzocht om te bepalen dat de GI gehouden is om de moeder en [minderjarige 1] alsnog per direct aan te melden bij GGZ Drenthe of een soortgelijke instelling voor klinische intensieve ouderschapsbegeleiding.
4.2.
De vader voert geen verweer tegen de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Hij is het daarmee eens. Dit geldt ook voor het perspectiefbesluit van de GI.
Beoordeling
5.1.
De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin en/of een accommodatie voor 24-uurs jeugdhulp tot 17 maart 2025 verlengen. De rechtbank zal verder bepalen dat de GI de moeder en [minderjarige 1] zo spoedig mogelijk dient aan te melden bij GGZ Drenthe voor het traject Ouderschap beoordeling of voor een vergelijkbaar traject, dan wel bij een soortgelijke instelling voor een vergelijkbaar traject. De rechtbank zal daarbij uitleggen dat zij het perspectiefbesluit dat door de GI is genomen, niet onderschrijft. De rechtbank zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren en het meer of anders verzochte afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.2.
Uit de stukken en het gesprek tijdens de zitting is voldoende gebleken dat het nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd (artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
5.3.
Om te beginnen is de rechtbank het niet eens met de moeder dat er geen gronden zijn om [minderjarige 1] nog langer uit huis te plaatsen. Weliswaar komt uit het diagnostisch onderzoek van Levvel Hecht naar voren dat [minderjarige 1] geen duidelijke traumagerelateerde klachten laat zien en dat het relatief goed gaat met haar, maar het staat op dit moment onvoldoende vast dat de moeder de voor [minderjarige 1] benodigde stabiliteit en continuïteit kan bieden. [minderjarige 1] laat namelijk een achterstand zien op verschillende ontwikkelingsgebieden en zal goed gevolgd moeten worden. Hoewel uit de stukken van de GI volgt dat de band tussen [minderjarige 1] en de moeder de afgelopen maanden is gegroeid en dat de moeder [minderjarige 1] steeds beter kan geruststellen of troosten, zijn er nog steeds zoveel zorgen dat er nog geen sprake van kan zijn dat [minderjarige 1] weer thuis bij de moeder kan wonen. De moeder vindt het volgens de GI namelijk lastig om sociaal-emotioneel aan te sluiten bij [minderjarige 1] . De moeder heeft daarbij nog sturing nodig, maar volgens de GI roept de moeder niet haar ondersteuning in op momenten dat dit juist nodig is. Daarnaast vindt de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] sinds april 2024 weer onder begeleiding plaats omdat er tijdens het onbegeleide deel van de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder een incident heeft plaatsgevonden, waarbij [minderjarige 1] niet in de auto van de moeder wilde stappen. Dit incident heeft volgens de GI veel impact op [minderjarige 1] gehad. [minderjarige 1] vertelde achteraf aan oma vaderszijde dat de moeder haar had geschopt omdat zij niet luisterde en ze sliep in de dagen daarna onrustig en ze was emotioneel. De GI benadrukt dat de moeder de GI niet over het incident heeft ingelicht. Voor de rechtbank is niet duidelijk geworden wat er precies is gebeurd en of het voor de moeder duidelijk had behoren te zijn dat [minderjarige 1] uit haar evenwicht kon raken. Maar het is nu niet voldoende zeker dat de moeder adequaat op signalen van [minderjarige 1] kan reageren.
5.4.
Verder is de rechtbank het niet eens met het perspectiefbesluit van de GI. De rechtbank is er namelijk, anders dan de GI en de vader, op grond van wat de rechtbank nu weet, niet van overtuigd dat [minderjarige 1] niet bij de moeder kan opgroeien. GI heeft het perspectiefbesluit kennelijk genomen na het omgangsincident tussen [minderjarige 1] en de moeder op 17 april 2024. Op de zitting hebben de vertegenwoordigers van de GI en van Levvel onder verwijzing naar het ‘Eind adviesverslag terug naar huis onderzoek’ van Levvel (verder aan te duiden als: het Eindadvies van Levvel) gezegd dat zij hierin een herhaling zagen van eerdere kindsignalen van [minderjarige 1] en dat zij hieruit de conclusie hebben getrokken dat de moeder onvoldoende vooruitgang maakte. In het Eindadvies van Levvel zijn de betreffende eerdere kindsignalen die samen zouden hangen met de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] echter niet concreet beschreven. Wel noemt de peuterspeelzaal een aantal specifieke kindsignalen van [minderjarige 1] maar het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat deze kindsignalen met het handelen (of niet-handelen) van de moeder te maken hebben. Dit maakt dat de rechtbank vindt dat het Eindadvies van Levvel onvoldoende grondslag biedt om zo’n verstrekkend besluit te nemen.
5.5.
Aan de andere kant zijn er verschillende verslagen van positief verlopen omgangsmomenten tussen [minderjarige 1] en de moeder, die als bijlage bij het Eindadvies van Levvel gevoegd zijn. Met name als de moeder een “kalm brein” heeft, is zij goed in staat om adequaat op [minderjarige 1] te reageren. Dit betekent dat de rechtbank vindt dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling nog steeds moet toewerken naar thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder. Uit de verslagen volgt dat de moeder goed kan structureren en een meewerkende houding heeft. Ook de rapportage over de video-interactiebegeleiding-gehechtheid (VIB-G) is positief.
5.6.
Verder geldt dat er in deze zaak rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de moeder zoals de Raad in zijn rapport van 8 maart 2023 van het beschermingsonderzoek heeft gesteld. [minderjarige 1] is destijds niet uithuisgeplaatst vanwege onvoldoende opvoedershandelen van de moeder, maar omdat haar andere dochter [minderjarige 2] was overleden onder verdachte omstandigheden en er uit de sectie naar voren was gekomen dat er sprake was van ernstig letsel. Veilig Thuis heeft destijds met de ouders afgesproken dat zij niet alleen met [minderjarige 1] mochten zijn en [minderjarige 1] is naar de grootouders vaderszijde gebracht. Maar inmiddels is duidelijk dat de vader, en niet de moeder, het letsel heeft veroorzaakt waaraan [minderjarige 2] is overleden. De moeder heeft in heel korte tijd uitzonderlijk grote verliezen geleden: haar drie weken oude baby is overleden, kort daarvoor was haar eigen moeder overleden, haar partner werd gedetineerd, zij verloor ook haar relatie met hem en [minderjarige 1] is uit huis geplaatst. De rechtbank kan uit het Eindadvies van Levvel niet afleiden in hoeverre er in het “Terug naar huis” traject met die bijzondere omstandigheden rekening is gehouden.
5.7.
Gelet op het bovenstaande kan de rechtbank de moeder goed volgen in haar standpunt dat het perspectiefbesluit te vroeg is genomen. De moeder komt persoonlijk meer en meer in rustiger vaarwater. De strafprocedure van de vader is inmiddels afgerond. Uit de stukken blijkt dat de moeder haar traumabehandeling bij Sinaï positief heeft afgerond en dat zij, als zij er behoefte aan heeft, terecht kan bij de POH-GGz met wie zij een goed contact heeft. Ook op andere vlakken is de moeder met zichzelf aan het werk. Zo heeft zij van haar budgetcoach te horen gekregen dat zij eraan toe is om binnen nu en een jaar haar financiën weer zelf te beheren.
De aanmelding GGZ Drenthe voor het traject Ouderschap beoordeling
5.8.
De moeder heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de GI gehouden is om de moeder en [minderjarige 1] alsnog per direct aan te melden bij GGZ Drenthe of een soortgelijke instelling voor klinische intensieve ouderschapsbegeleiding. De moeder heeft gesteld dat zij openstaat voor dergelijke intensieve ouderschapsbegeleiding, zodat [minderjarige 1] en zij 24 uur per dag intensief begeleid en gemonitord kunnen worden in alle facetten van de opvoeding. Toen er zicht was op een dergelijke plaatsing, is dat toch niet ingezet, omdat dit de inmiddels lopende hulpverlening vanuit Levvel en de GI zou doorkruisen. Deze trajecten zijn inmiddels afgesloten.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin en/of een accommodatie voor 24-uurs jeugdhulp tot 17 maart 2025;
6.2.
bepaalt dat de GI de moeder en [minderjarige 1] zo spoedig mogelijk dient aan te melden bij GGZ Drenthe voor het traject Ouderschap beoordeling of voor een vergelijkbaar traject, dan wel bij een soortgelijke instelling voor een vergelijkbaar traject;
6.3.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2024 door mr. G.L.M. Urbanus, mr. R.M. Maliepaard en mr. A.M.J. van der Weide, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. A. Sie als griffier. De beschikking is op schrift gesteld op 8 november 2024 en ondertekend door mr. G.L.M. Urbanus.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.