Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-14
ECLI:NL:RBMNE:2024:6078
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
826 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/5580, 23/5581 en 23/5582
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2024 in de zaken tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 27 oktober 2023 beslissingen op bezwaar genomen, inzake de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen (BghU kenmerken: [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] ). Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 7 mei 2024 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op de besluiten van 27 oktober 2023 en dat hij de besluiten intrekt. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna de beroepen ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verzoeker heeft gevraagd om een vergoeding van totaal € 930,- verletkosten (een bedrag van € 310,- per zaak). De berekening van verzoeker is gebaseerd op zijn eigen uurtarief als zelfstandig accountant en eisers tijdsinvestering van circa tweeënhalf uur per zaak.
4. Verweerder heeft gereageerd op de verzoeken tot proceskostenvergoeding en heeft deze verzoeken afgewezen. Verweerder is van mening dat het aangevoerde door verzoeker niet valt onder de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen volgens het Bpb.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Het is de rechtbank niet gebleken dat verzoeker in beroep proceskosten heeft gemaakt die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Naar het oordeel van de rechtbank komen de voorbereidende handelingen, zoals het indienen van beroepschriften, het betalen van het griffierecht en het bellen over de voortgang van het ingediende beroep, niet voor vergoeding in aanmerking. Daarom dienen de verzoeken om vergoeding van verletkosten afgewezen te worden.
6. Verweerder moet wel eenmaal het griffierecht van € 50,- aan verzoeker betalen, dit volgt rechtstreeks uit de wet (artikel 8:41 Awb). Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Dictum
De rechtbank wijst de verzoeken af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.