Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-02
ECLI:NL:RBMNE:2024:6044
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,551 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/580545 / KG ZA 24-441
Vonnis in kort geding van 2 oktober 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. A.V. Mostert,
tegen
KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,
te Zeist,
gedaagde,
advocaat: mr. M.I. van Dijk.
Partijen worden hierna [eiser] en de KNVB genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 4 september 2024, met producties 1 tot en met 13;
de brief van 16 september 2024 van de KNVB, met producties 1 tot en met 8;
de brief van 16 september 2024 van [eiser] , met productie 14;
de mondelinge behandeling van 18 september 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
de pleitnota van de KNVB;
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden uitgesproken.
2De kern
2.1.
De KNVB heeft [eiser] een landelijk stadionverbod en een boete opgelegd, omdat een gegrond vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen. [eiser] vordert schorsing van dit stadionverbod, omdat hij van mening is dat de KNVB het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft genomen. Verder is de gevoerde beroepsprocedure niet met voldoende rechtswaarborgen omkleed en is hij dubbel gestraft voor hetzelfde feit. Dit alles maakt dat het besluit van de KNVB niet in stand kan blijven, aldus [eiser] . Als dat niet opgaat, dan vordert [eiser] schorsing van het stadionverbod per [per datum] 2025. [eiser] vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter oordeelt dat de KNVB het besluit tot het opleggen van het landelijk stadionverbod in redelijkheid kon nemen en wijst de vorderingen van [eiser] af.
3De achtergrond van de zaak
3.1.
Op 2 maart 2024 heeft [eiser] met zijn gezin de voetbalwedstrijd van [voetbalclub 1] (hierna: [voetbalclub 1] ) tegen [voetbalclub 2] (hierna: [voetbalclub 2] ) bijgewoond. Na het laatste fluitsignaal klommen supporters van beide clubs op de lexaanwand (een doorzichtige wand die vakken op een tribune van elkaar scheidt) tussen de supportersvakken. De dochter van [eiser] heeft dit gefilmd. Eén supporter stelde dit niet op prijs en trok de telefoon uit haar handen. Ook werd de dochter van [eiser] uitgescholden. Als reactie hierop heeft [eiser] deze supporter een duw gegeven. De supporter heeft [eiser] daarna geslagen en geschopt. Hierdoor is [eiser] naar de onderkant van de tribune gevallen. [eiser] is vervolgens opgestaan en heeft zich daarna naar de bovenkant van de tribune bewogen en maakte hierbij een (ongerichte) slaande beweging. Door de gehele toestand is er veel onrust met duw- en trekwerk tussen meerdere supporters ontstaan in het supportersvak.
3.2.
Enkele dagen na de wedstrijd heeft [voetbalclub 1] een melding gemaakt van deze gebeurtenis bij de KNVB. Op 22 april 2024 heeft de KNVB per deurwaardersexploot aan [eiser] een landelijk stadionverbod opgelegd voor de duur van 36 maanden met ingang van 26 april 2024 en een boete van € 450,00. De KNVB legt hieraan ten grondslag dat er een gegrond vermoeden bestaat dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan voetbalgerelateerd wangedrag, in het bijzonder aan openlijke geweldpleging tegen personen.
Beoordeling
Inleiding
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] bij dit vonnis een spoedeisend belang heeft. Als dat het geval is, moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
4.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. [eiser] wordt namelijk beperkt in zijn mogelijkheden om een stadion te bezoeken en gebruik te maken van zijn seizoenkaart. De KNVB voert aan dat een bodemprocedure kan worden gestart en er daarmee geen spoedeisend belang is, maar de uitkomst van een bodemprocedure kan niet worden afgewacht, omdat dan een groot deel van de tijd van het stadionverbod al voorbij is.
Geen schorsing van het stadionverbod
4.3.
[eiser] vordert onmiddellijke schorsing van het landelijk stadionverbod, of anders per [per datum] 2025, totdat daarop in een bodemprocedure is beslist. Dit op straffe van een dwangsom met veroordeling van de KNVB in de proceskosten.
4.4.
[eiser] betwist niet dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen, maar hij vindt het genomen besluit - kort gezegd - niet redelijk gelet op de omstandigheden. De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat [eiser] een beroep doet op schorsing van het stadionverbod vooruitlopend op een beslissing in de bodemprocedure die gegrond is op artikel 2:15 lid 1 sub b BW.
4.5.
In artikel 2:15 lid 1 sub b BW staat dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is als dat besluit wat betreft de wijze van totstandkoming of de inhoud in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals geëist door artikel 2:8 BW. Bij de beoordeling moet de voorzieningenrechter terughoudend zijn, omdat aan het orgaan dat het besluit heeft genomen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Het gaat dus om de vraag of de KNVB bij het opleggen van het stadionverbod zorgvuldig alle betrokken belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen.
4.6.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de KNVB het besluit tot het opleggen van een stadionverbod in redelijkheid heeft kunnen nemen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De wijze van totstandkoming van het besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid
4.7.
[eiser] is van mening dat de manier waarop het besluit tot stand is gekomen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de volgende redenen.
Geen sprake van onzorgvuldigheid
4.8.
Om te beginnen stelt [eiser] dat de KNVB alleen op basis van de melding van de voetbalclub [voetbalclub 1] is overgegaan tot het opleggen van het stadionverbod, zonder zelfstandig onderzoek te verrichten. Daarmee is de beslissing tot het opleggen van het stadionverbod niet met zorgvuldigheid genomen door de KNVB, aldus [eiser] . [eiser] krijgt hierin ongelijk.
4.9.
Uit artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden KNVB (productie 8 bij dagvaarding) volgt dat de KNVB de bevoegdheid heeft om op basis van een melding van een club een stadionverbod op te leggen. Het meldingsformulier van [voetbalclub 1] (productie 3 bij dagvaarding) bevat foto’s van de camerabeelden waarop [eiser] te zien is. Dat de KNVB op basis van deze melding een stadionverbod aan [eiser] heeft opgelegd, vindt de voorzieningenrechter gerechtvaardigd. De KNVB heeft namelijk de maatschappelijke taak om supportersgeweld aan te pakken. Dit brengt mee dat er actie op korte termijn is vereist bij incidenten. In geval van openlijke geweldpleging tegen personen is het opleggen van een landelijk stadionverbod dan ook een passende maatregel, waartegen [eiser] overigens in beroep kan gaan. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om het bovengenoemde besluitvormingsproces onzorgvuldig te achten.
De gevoerde beroepsprocedure is met voldoende rechtswaarborgen omkleed
4.10.
Daarnaast stelt [eiser] zich op het standpunt dat de gevoerde beroepsprocedure niet met voldoende rechtswaarborgen is omkleed. Zo heeft hij niet de mogelijkheid gehad om zich op behoorlijke wijze te verdedigen, omdat in het deurwaardersexploot (waarin het stadionverbod is aangezegd) de verweten gedraging onvoldoende is toegelicht. Verder heeft er geen hoor en wederhoor plaatsgevonden, aldus [eiser] . De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het voor [eiser] duidelijk geweest wat de aanleiding was voor het opleggen van het stadionverbod en heeft hij zich daarom op behoorlijke wijze kunnen verdedigen, terwijl ook hoor en wederhoor is toegepast. De voorzieningenrechter licht dit hierna toe.
4.11.
Op 25 april 2024 heeft [eiser] beroep aangetekend tegen het besluit bij de Commissie Stadionverboden van de KNVB (hierna: de commissie) en hij heeft op 17 mei 2024 het beroepsschrift ingediend. In de beslissing van 31 mei 2024 heeft de commissie het stadionverbod in stand gehouden. Niet gebleken is dat [eiser] in de gevoerde beroepsprocedure in zijn verweermogelijkheden is geschaad. [eiser] is namelijk bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Daarnaast heeft de commissie op 26 april 2024, één dag nadat het beroep is aangetekend, het bewijsdossier naar (de rechtsbijstandverlener van) [eiser] verstuurd. Ook is meegedeeld dat er camerabeelden beschikbaar zijn en dat die op aanvraag kunnen worden ingezien (productie 7 van de KNVB). Dat [eiser] zelf de camerabeelden niet heeft bekeken, maakt niet dat hij is geschaad in zijn verweermogelijkheden. De rechtsbijstandsverlener van [eiser] heeft namelijk de camerabeelden namens hem bekeken. [eiser] heeft dus de gelegenheid gehad om in het beroepschrift te reageren op alle informatie die de basis heeft gevormd voor het besluit.
4.12.
Ook is op deze manier het beginsel van hoor en wederhoor voldoende toegepast. Een beroepsprocedure biedt de mogelijkheid tot het voeren van verweer en [eiser] heeft hiervan gebruik gemaakt. Dat de KNVB [eiser] niet heeft uitgenodigd voor een hoorzitting, maakt niet dat er geen of onvoldoende invulling is gegeven aan het beginsel hoor en wederhoor. Volgens [eiser] heeft de KNVB de verplichting om [eiser] uit te nodigen voor een hoorzitting, ongeacht of [eiser] hier uitdrukkelijk om heeft gevraagd of niet. Ter onderbouwing heeft [eiser] een uitspraak van 6 oktober 2022 van de rechtbank Oost-Brabant aangehaald. De voorzieningenrechter volgt [eiser] hierin niet. In de aangehaalde zaak beschikte de supporter niet over alle informatie die aan het besluit ten grondslag lag. Daardoor heeft hij zich in het beroepschrift niet op behoorlijke wijze kunnen verdedigen. Zo’n situatie doet zich echter niet voor in deze zaak. Zoals hiervoor overwogen was het voor [eiser] duidelijk wat de aanleiding was voor het besluit en heeft hij zich op behoorlijke wijze kunnen verdedigen. Er bestond dan ook geen verplichting voor de KNVB om [eiser] uit te nodigen voor een hoorzitting. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat de KNVB voldoende invulling heeft gegeven aan het beginsel hoor en wederhoor.
4.13.
De voorzieningenrechter komt dus tot het oordeel dat de manier waarop de beroepsprocedure is gevoerd met voldoende rechtswaarborgen is omkleed.
Conclusie
4.18.
De conclusie is dat de KNVB in alle redelijkheid tot het besluit tot opleggen van het landelijk stadionverbod heeft kunnen komen. Het besluit is namelijk naar de wijze van totstandkoming en de inhoud niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het stadionverbod blijft dus in stand en de voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] afwijzen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
4.19.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de KNVB worden begroot op:
- griffierecht
€
688,00
- salaris advocaat
€
715,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.581,00
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.581,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024.
5315
Rb. Oost-Brabant 6 oktober 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4423.