Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-01
ECLI:NL:RBMNE:2024:5778
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
595 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5487
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes (het college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende], uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de omgevingsvergunning die het college op 5 augustus 2024 heeft verleend aan vergunninghoudster voor het legaliseren van de lichtreclame op de gevel van het pand aan de [adres] in [plaats] .
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
2. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het besluit van 5 augustus 2024. Tegen dat besluit loopt geen bezwaar- of administratief-beroepsprocedure. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.
Conclusie
3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.