Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-25
ECLI:NL:RBMNE:2024:5618
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,380 tokens
Dictum
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.S. Wijling)
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder
(gemachtigde: mr. R.Z.J. Croset).
Inleiding
1. Verzoeker wil een verklaring van geen bezwaar voor het vervullen van een vertrouwensfunctie op [naam] . De minister heeft de verklaring van geen bezwaar geweigerd naar aanleiding van een veiligheidsonderzoek door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Dit besluit is genomen op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken.
2. Met het besluit van 26 maart 2024 heeft de minister het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en de beslissing om de verklaring van geen bezwaar te weigeren gehandhaafd. Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank en heeft daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij tijdens de beroepsprocedure wordt behandeld alsof hij beschikt over een verklaring van geen bezwaar.
3. De minister heeft de stukken overgelegd die betrekking hebben op het beroep en op het verzoek om voorlopige voorziening. Ten aanzien van een aantal stukken heeft de minister de rechtbank verzocht te bepalen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van die stukken. Deze beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank gaat over dit verzoek tot beperkte kennisneming. Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden daarna verder behandeld door de rechtbank en door de voorzieningenrechter.
Beoordeling
4. De minister heeft het verzoek tot beperkte kennisneming aanvankelijk gemotiveerd door te verwijzen naar artikel 87 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, waarin was bepaald dat de minister zelf kon beslissen tot beperkte kennisneming. Verzoeker heeft er terecht op gewezen en de minister heeft in een aanvullende onderbouwing van het verzoek ook onderkend dat de verwijzing naar deze bepaling niet juist is, omdat inmiddels de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) geldt. Met het oog op het fundamentele recht van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens is de oude bepaling daarin gewijzigd. In het nu geldende artikel 137 van de Wiv 2017 wordt verwezen naar de reguliere procedure bij de bestuursrechter voor beperkte kennisneming uit artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met dien verstande dat in aanvulling daarop is benadrukt dat de bestuursrechter de stukken terugzendt aan de minister als wordt geoordeeld dat de beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd is. De rechtbank beoordeelt het verzoek dus aan de hand van artikel 8:29 van de Awb. Op grond daarvan is beperkte kennisneming van de betreffende stukken gerechtvaardigd als daarvoor gewichtige redenen zijn.
Dictum
De standpunten van partijen
6. De minister heeft de gewichtige redenen die beperkte kennisneming zouden rechtvaardigen (aanvullend) als volgt onderbouwd. De betreffende stukken hebben betrekking op informatie van de AIVD. Deze stukken zijn afkomstig van derden en geven inzage in de werkwijze van de AIVD en de door hem gebruikte bronnen. De AIVD kan zijn wettelijke taken uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitvoeren en is voor een groot deel afhankelijk van zijn bronnen. Artikel 23 van de Wiv 2017 verplicht het hoofd van de AIVD tot geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens en bronnen waaruit die gegevens afkomstig zijn. Als deze gegevens worden vrijgegeven, kunnen zowel lopende als toekomstige veiligheidsonderzoeken worden gefrustreerd. Daardoor kan de nationale veiligheid in gevaar komen.
7. Verzoeker vindt dat het in strijd is met zijn recht op een eerlijk proces als hij geen kennis mag nemen van de betreffende stukken. De bijzondere geheimhoudingsregeling uit de Wiv 2017 is onvoldoende voor het aannemen van een gewichtige reden en er is onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van geheimhouding zwaarder moet wegen dan het belang van verzoeker.
Beoordeling
8. De rechtbank heeft kennisgenomen van de betreffende stukken en oordeelt dat de door de minister gegeven motivering geen gewichtige redenen oplevert die de beperkte kennisneming van die stukken rechtvaardigt.
9. De rechtbank stelt voorop dat sprake kán zijn van situaties waarin het prijsgeven van de door de AIVD gebruikte bronnen en werkwijze leidt tot het schaden van de veiligheid van de staat. De AIVD kan zijn wettelijke taak uitsluitend met een zekere mate van geheimhouding effectief uitvoeren. Daarvoor kan het nodig zijn dat de AIVD zijn actuele kennisniveau, zijn bronnen en zijn werkwijze geheim moet kunnen houden om de veiligheid van de daarbij betrokken personen en de veiligheid van de staat te kunnen waarborgen en onderzoeken niet in gevaar te brengen. Het belang van het geheim houden van bronnen is niet alleen gelegen in het waarborgen van de veiligheid van in het bijzonder menselijke bronnen maar, in het verlengde daarvan, ook in het voorkomen dat bronnen geen informatie aan de AIVD meer willen verstrekken. Dat zou immers het goed functioneren van die dienst belemmeren, waardoor de nationale veiligheid wordt geschaad. De rechtbank verwijst naar de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zowel over beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van de Awb als over het verstrekken van persoonsgegevens van AIVD-stukken door een betrokkene.
10. In dit geval zijn de betreffende documenten allemaal afkomstig van dezelfde bron. De rechtbank kan die bron in deze beslissing niet noemen, omdat de minister ervoor kan kiezen om de betreffende stukken niet te verstrekken (zie hierna). Wat wel kan worden gezegd, is dat deze bron een publiekrechtelijke instantie is en dat het zeer voor de hand ligt dat de AIVD bij veiligheidsonderzoeken de werkwijze hanteert dat zij deze bron benadert voor informatie. De rechtbank ziet niet in waarom het prijsgeven van deze werkwijze en van deze bron de veiligheid van de staat zou schaden. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat menselijke bronnen in gevaar komen en ook niet dat de betreffende publiekrechtelijke instantie geen informatie meer aan de AIVD zou willen verstrekken als bekend wordt dat zij dat doet.
11. De rechtbank oordeelt dus dat de onderbouwing van de minister over het belang van de veiligheid van de staat onvoldoende is. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan het wegen van dat belang tegenover de belangen van eiser. Het verzoek tot beperkte kennisneming moet alleen al om deze reden worden afgewezen.
Hoe gaat het verder
12. De rechtbank zal de minister in de gelegenheid stellen om de betreffende stukken alsnog zonder beperkte kennisneming te verstrekken en zal de stukken terugsturen als de minister daarvan geen gebruik maakt (artikel 137, eerste lid, van de Wiv 2017). Als de minister de stukken niet zonder beperkte kennisneming wil verstrekken, dan zullen de rechtbank en de voorzieningenrechter in de hoofdzaken daaruit de gevolgtrekkingen maken die hen geraden voorkomen (artikel 8:31 van de Awb).
13. Met het oog op het vervolg van de procedure wil (de geheimhoudingskamer van) de rechtbank in deze beslissing nog het volgende meegeven aan partijen. Het geschil dat verzoeker met de minister heeft, lijkt niet zozeer te gaan over de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde feiten, maar veel meer over de vraag of de besluitvorming van de minister tegen de achtergrond van die feiten evenredig uitpakt. Die evenredigheidstoetsing heeft de minister zelfstandig verricht en staat los van de stukken waar deze beslissing over gaat. De stukken van de AIVD zien naar hun aard immers eerder op de feiten. Het is daarom de vraag of eiser het nodig vindt om over de betreffende op de zaken betrekking hebbende stukken te beschikken. De rechtbank geeft verzoeker en de minister in overweging om te bezien of zij samen tot overeenstemming kunnen komen over de stukken. Als de minister aan verzoeker bijvoorbeeld iets meer zou vertellen over de aard en de herkomst van de stukken, dan zou verzoeker de inschatting kunnen maken of hij zich nog langer wil verzetten tegen het geheimhouden of tegen het niet verstrekken daarvan. Als de uitkomst hiervan is dat de stukken niet worden verstrekt, dan is de inschatting van de geheimhoudingskamer dat de rechtbank en de voorzieningenrechter daaruit geen verdere gevolgtrekkingen hoeven te maken, omdat de wel verstrekte stukken genoeg informatie lijken te geven om op de zaken te kunnen beslissen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om beperkte kennisneming af.
Deze beslissing is genomen op 25 september 2024 door mr. K. de Meulder rechter, en door deze en mr. L.E. Mollerus, griffier, ondertekend.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
U kunt alleen hoger beroep tegen deze beslissing instellen tegelijk met een hoger beroep tegen de (eventuele) uitspraak in deze zaak.
Bijvoorbeeld de uitspraken van 19 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4915, overweging 2.8.3 en van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2635, overweging 11.2.