Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-02
ECLI:NL:RBMNE:2024:5534
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,926 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10913507 \ UC EXPL 24-831 WMB/61313
Vonnis van 2 oktober 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. D.A. Westra,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. K.S. Loilargosain.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 januari 2024 met producties; - de conclusie van antwoord met producties;
- de akte aanvullende producties van [eiseres] ,
1.2.
Partijen zijn in eerste instantie op 15 april 2024 opgeroepen om voor de mondelinge behandeling te verschijnen op 27 augustus 2024. Op 30 april 2024 heeft [eiseres] de kantonrechter verzocht een nieuwe datum te bepalen voor de mondelinge behandeling, omdat zowel [eiseres] als haar gemachtigde op die datum niet konden verschijnen vanwege een zitting in een andere procedure. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen dat verzoek. De kantonrechter heeft hierna besloten dat een nieuwe datum zou worden bepaald voor de mondelinge behandeling.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2024. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de zitting is besproken. [eiseres] is verschenen, vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer [A] , samen met haar gemachtigde mr. Westra. [gedaagde] is verschenen, vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer [B] , samen met haar gemachtigde, mr. Loilargosain.
1.4.
Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] stelt dat zij met [gedaagde] in 2017 een overeenkomst van opdracht heeft gesloten. In die overeenkomst is volgens [eiseres] afgesproken dat [gedaagde] [eiseres] zou bijstaan bij een kwestie tussen [eiseres] en ABN Amro over rentederivaten. Volgens [eiseres] is [gedaagde] tekortgeschoten bij het uitvoeren van haar werkzaamheden op grond van de overeenkomst, omdat zij zich niet genoeg heeft ingespannen om de opdracht tot een goed einde te brengen. [eiseres] wil daarom dat de kantonrechter de overeenkomst ontbindt en dat [gedaagde] het vooruitbetaalde honorarium van € 6.050,00 terugbetaalt.
2.2.
[gedaagde] weigert dat bedrag te betalen, omdat volgens haar:
i) [eiseres] niet haar opdrachtgever was en zij dus geen vordering op haar kan hebben op grond van de opdracht;
ii) [eiseres] haar (vermeende) vordering op [gedaagde] heeft gecedeerd aan een andere vennootschap;
iii) de (vermeende) vordering van [eiseres] is verjaard;
iv) de overeenkomst al in 2018 door [eiseres] is beëindigd en de overeenkomst dus niet meer kan worden ontbonden; en/of
v) zij wel aan haar verplichtingen op grond van de overeenkomst heeft voldaan.
2.3.
De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordeling
De formele verweren van [gedaagde] slagen niet
3.1.
Voordat de kantonrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiseres] , worden eerst de formele verweren van [gedaagde] besproken.
i. [eiseres] was de opdrachtgever bij de overeenkomst
3.2.
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten met een van de vennootschappen waar de heer [A] (hierna: [A] ) bestuurder van is, maar zij verschillen van mening over welke vennootschap dat is geweest. [eiseres] stelt dat zij de opdrachtgever was voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij de overeenkomst niet met [eiseres] heeft gesloten maar met een andere vennootschap, waardoor [eiseres] geen vordering op haar zou kunnen hebben. Het zou daarbij volgens [gedaagde] gaan om [onderneming 1] B.V., een dochtervennootschap van [eiseres] . Ter onderbouwing van haar standpunt wijst [gedaagde] op twee e-mails van haarzelf en ABN Amro, waarin [gedaagde] verwijst naar [onderneming 1] B.V. als de belanghebbende partij bij de kwestie over de rentederivaten. Volgens [gedaagde] volgt daaruit dat [onderneming 1] B.V. haar opdrachtgever was.
3.3.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [onderneming 1] B.V. haar opdrachtgever was en niet [eiseres] . Er is in dit geval geen getekende overeenkomst van opdracht, waardoor de kantonrechter op basis van de overige door partijen overgelegde stukken en hun stellingen tijdens de zitting moet vaststellen welke vennootschap de opdrachtgever is geweest. Het enkele feit dat [gedaagde] richting ABN Amro namens [onderneming 1] B.V. heeft gecommuniceerd, is onvoldoende om zonder meer aan te nemen dat [onderneming 1] B.V. ook haar opdrachtgever was. Ten eerste zou de overeenkomst van opdracht namelijk evengoed met [eiseres] ten behoeve van haar dochtervennootschap kunnen zijn gesloten en ten tweede blijkt uit de e-mailberichten van ABN Amro dat ABN Amro meent dat (ook) [eiseres] de belanghebbende partij was in de kwestie over de rentederivaten. In de onderwerpregel van de e-mails tussen [gedaagde] en ABN Amro staat namelijk “rentederivaten- [eiseres] B.V. / [onderneming 1] B.V.” Uit de e-mails tussen [gedaagde] en ABN Amro is niet persé op te maken dat [onderneming 1] B.V. de opdrachtgever was van [gedaagde] .
3.4.
De kantonrechter acht het daarom in dit geval doorslaggevend dat [gedaagde] zelf in verband met deze kwestie twee facturen op naam van [eiseres] heeft opgemaakt. Daarmee staat vast dat [eiseres] de opdrachtgever voor [gedaagde] is. Dat de facturen zijn betaald door weer een andere vennootschap van [onderneming 2] B.V., is, anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, onvoldoende voor een ander oordeel. Een factuur kan namelijk door (en voor) een ander worden betaald.
ii. [gedaagde] heeft haar verweer dat sprake is van cessie niet gehandhaafd
3.5.
In eerste instantie heeft [gedaagde] gesteld dat [eiseres] haar vordering op [gedaagde] heeft gecedeerd aan een (andere) dochtervennootschap. [eiseres] zou in dat geval geen vordering meer op [gedaagde] hebben. Op de zitting heeft [gedaagde] aangegeven dat zij dat verweer niet langer handhaaft, omdat [eiseres] een akte heeft overgelegd waaruit blijkt dat de vordering aan haar is (terug)gecedeerd. De kantonrechter laat dat verweer daarom verder onbesproken.
iii. De vordering van [eiseres] is niet verjaard
3.6.
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op verjaring. Daarbij heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt op welke grondslag haar beroep op verjaring berust. Omdat [eiseres] een vordering tot ontbinding heeft ingesteld, begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] zich beroept op artikel 3:311 van het Burgerlijk wetboek. Uit dat artikel volgt namelijk dat een vordering tot ontbinding verjaart na verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop de schuldeiser bekend wordt met de daarvoor relevante tekortkoming.
3.7.
Het beroep op verjaring gaat niet op. [gedaagde] heeft weliswaar gewezen op het feit dat de betaling van het honorarium en de laatste werkzaamheden al meer dan vijf jaar geleden zijn uitgevoerd, maar die feiten zijn voor haar beroep op verjaring niet relevant. De verjaringstermijn begint immers pas te lopen vanaf het moment dat [eiseres] bekend was geworden met de tekortkoming waarop zij zich nu beroept. Volgens [eiseres] was dat tijdens deze procedure, omdat [gedaagde] daarvóór nooit een toelichting en/of onderbouwing heeft willen geven over de werkzaamheden die zij heeft verricht. Pas toen [gedaagde] dat wel deed tijdens deze procedure, kon zij daarom volgens haar vaststellen dat [gedaagde] zich niet voldoende had ingespannen. Dat [eiseres] pas tijdens deze procedure op de hoogte werd van de tekortkoming, heeft [gedaagde] niet weersproken, waardoor dat vast is komen te staan. Daaruit volgt dat de vordering van [eiseres] tot ontbinding niet is verjaard.
iv. De overeenkomst is niet door opzegging in 2018 geëindigd
3.8.
[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat een beroep op ontbinding niet meer mogelijk is, omdat de overeenkomst al in juni 2018 is geëindigd door opzegging van [eiseres] . Volgens [gedaagde] heeft [A] destijds, na een afwijzende reactie vanuit ABN Amro, laten weten dat hij de zaak verder zelf op zou pakken. [A] ontkent, namens [eiseres] , dat het zo zou zijn gelopen, omdat [eiseres] volgens hem juist zou vertrouwen op de expertise van [gedaagde] in het afhandelen van de kwestie.
3.9.
De kantonrechter oordeelt dat niet vast is komen te staan dat de overeenkomst al is geëindigd door opzegging. Omdat [gedaagde] zich op de opzegging beroept, is het aan haar om hard te maken dat de opzegging heeft plaatsgevonden. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiseres] , heeft [gedaagde] dat onvoldoende gedaan. [gedaagde] heeft namelijk niets overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt en heeft ook tijdens de zitting niet duidelijk gemaakt hoe de opzegging dan precies zou zijn verlopen en hoe die is gecommuniceerd door [eiseres] .
Het is niet vast komen te staan dat [gedaagde] tekort is geschoten
3.10.
Om te kunnen beoordelen of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, moet eerst worden vastgesteld wat die overeenkomst precies inhield. Duidelijk is dat [eiseres] (mogelijk gezamenlijk met [onderneming 1] B.V.) eigenaar was van rentederivaten bij ABN Amro, waardoor zij eventueel in aanmerking kwam voor een vergoeding van ABN Amro op basis van een herstelkader dat de bank daarvoor hanteerde. [gedaagde] werd door [eiseres] ingeschakeld op het moment dat de bank zowel haar eerste verzoek tot vergoeding, als haar verzoek tot herbeoordeling had afgewezen. Tijdens de zitting heeft [eiseres] verklaard dat de opdracht voor [gedaagde] een inspanningsverplichting inhield om ABN Amro te bewegen tot een nieuwe herbeoordeling.
3.11.
De tekortkoming van [gedaagde] bestaat er volgens [eiseres] uit dat zij onvoldoende inspanningen heeft verricht om die nieuwe herbeoordeling te laten plaatsvinden. [eiseres] baseert dit op een e-mail die ABN Amro op 25 juni 2018 aan [gedaagde] heeft gestuurd. Hierin staat:
“In uw afsluitende alinea verzoekt u ABN AMRO haar beoordeling te herzien. Op basis van bovenstaande punten en eerdere beoordeling zien wij hier geen aanleiding toe.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024.
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10913507 \ UC EXPL 24-831 WMB/61313
Vonnis van 2 oktober 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. D.A. Westra,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. K.S. Loilargosain.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 januari 2024 met producties; - de conclusie van antwoord met producties;
- de akte aanvullende producties van [eiseres] ,
1.2.
Partijen zijn in eerste instantie op 15 april 2024 opgeroepen om voor de mondelinge behandeling te verschijnen op 27 augustus 2024. Op 30 april 2024 heeft [eiseres] de kantonrechter verzocht een nieuwe datum te bepalen voor de mondelinge behandeling, omdat zowel [eiseres] als haar gemachtigde op die datum niet konden verschijnen vanwege een zitting in een andere procedure. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen dat verzoek. De kantonrechter heeft hierna besloten dat een nieuwe datum zou worden bepaald voor de mondelinge behandeling.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2024. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de zitting is besproken. [eiseres] is verschenen, vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer [A] , samen met haar gemachtigde mr. Westra. [gedaagde] is verschenen, vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer [B] , samen met haar gemachtigde, mr. Loilargosain.
1.4.
Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] stelt dat zij met [gedaagde] in 2017 een overeenkomst van opdracht heeft gesloten. In die overeenkomst is volgens [eiseres] afgesproken dat [gedaagde] [eiseres] zou bijstaan bij een kwestie tussen [eiseres] en ABN Amro over rentederivaten. Volgens [eiseres] is [gedaagde] tekortgeschoten bij het uitvoeren van haar werkzaamheden op grond van de overeenkomst, omdat zij zich niet genoeg heeft ingespannen om de opdracht tot een goed einde te brengen. [eiseres] wil daarom dat de kantonrechter de overeenkomst ontbindt en dat [gedaagde] het vooruitbetaalde honorarium van € 6.050,00 terugbetaalt.
2.2.
[gedaagde] weigert dat bedrag te betalen, omdat volgens haar:
i) [eiseres] niet haar opdrachtgever was en zij dus geen vordering op haar kan hebben op grond van de opdracht;
ii) [eiseres] haar (vermeende) vordering op [gedaagde] heeft gecedeerd aan een andere vennootschap;
iii) de (vermeende) vordering van [eiseres] is verjaard;
iv) de overeenkomst al in 2018 door [eiseres] is beëindigd en de overeenkomst dus niet meer kan worden ontbonden; en/of
v) zij wel aan haar verplichtingen op grond van de overeenkomst heeft voldaan.
2.3.
De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordeling
De formele verweren van [gedaagde] slagen niet
3.1.
Voordat de kantonrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiseres] , worden eerst de formele verweren van [gedaagde] besproken.
i. [eiseres] was de opdrachtgever bij de overeenkomst
3.2.
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten met een van de vennootschappen waar de heer [A] (hierna: [A] ) bestuurder van is, maar zij verschillen van mening over welke vennootschap dat is geweest. [eiseres] stelt dat zij de opdrachtgever was voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij de overeenkomst niet met [eiseres] heeft gesloten maar met een andere vennootschap, waardoor [eiseres] geen vordering op haar zou kunnen hebben. Het zou daarbij volgens [gedaagde] gaan om [onderneming 1] B.V., een dochtervennootschap van [eiseres] . Ter onderbouwing van haar standpunt wijst [gedaagde] op twee e-mails van haarzelf en ABN Amro, waarin [gedaagde] verwijst naar [onderneming 1] B.V. als de belanghebbende partij bij de kwestie over de rentederivaten. Volgens [gedaagde] volgt daaruit dat [onderneming 1] B.V. haar opdrachtgever was.
3.3.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [onderneming 1] B.V. haar opdrachtgever was en niet [eiseres] . Er is in dit geval geen getekende overeenkomst van opdracht, waardoor de kantonrechter op basis van de overige door partijen overgelegde stukken en hun stellingen tijdens de zitting moet vaststellen welke vennootschap de opdrachtgever is geweest. Het enkele feit dat [gedaagde] richting ABN Amro namens [onderneming 1] B.V. heeft gecommuniceerd, is onvoldoende om zonder meer aan te nemen dat [onderneming 1] B.V. ook haar opdrachtgever was. Ten eerste zou de overeenkomst van opdracht namelijk evengoed met [eiseres] ten behoeve van haar dochtervennootschap kunnen zijn gesloten en ten tweede blijkt uit de e-mailberichten van ABN Amro dat ABN Amro meent dat (ook) [eiseres] de belanghebbende partij was in de kwestie over de rentederivaten. In de onderwerpregel van de e-mails tussen [gedaagde] en ABN Amro staat namelijk “rentederivaten- [eiseres] B.V. / [onderneming 1] B.V.” Uit de e-mails tussen [gedaagde] en ABN Amro is niet persé op te maken dat [onderneming 1] B.V. de opdrachtgever was van [gedaagde] .
3.4.
De kantonrechter acht het daarom in dit geval doorslaggevend dat [gedaagde] zelf in verband met deze kwestie twee facturen op naam van [eiseres] heeft opgemaakt. Daarmee staat vast dat [eiseres] de opdrachtgever voor [gedaagde] is. Dat de facturen zijn betaald door weer een andere vennootschap van [onderneming 2] B.V., is, anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, onvoldoende voor een ander oordeel. Een factuur kan namelijk door (en voor) een ander worden betaald.
ii. [gedaagde] heeft haar verweer dat sprake is van cessie niet gehandhaafd
3.5.
In eerste instantie heeft [gedaagde] gesteld dat [eiseres] haar vordering op [gedaagde] heeft gecedeerd aan een (andere) dochtervennootschap. [eiseres] zou in dat geval geen vordering meer op [gedaagde] hebben. Op de zitting heeft [gedaagde] aangegeven dat zij dat verweer niet langer handhaaft, omdat [eiseres] een akte heeft overgelegd waaruit blijkt dat de vordering aan haar is (terug)gecedeerd. De kantonrechter laat dat verweer daarom verder onbesproken.
iii. De vordering van [eiseres] is niet verjaard
3.6.
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op verjaring. Daarbij heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt op welke grondslag haar beroep op verjaring berust. Omdat [eiseres] een vordering tot ontbinding heeft ingesteld, begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] zich beroept op artikel 3:311 van het Burgerlijk wetboek. Uit dat artikel volgt namelijk dat een vordering tot ontbinding verjaart na verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop de schuldeiser bekend wordt met de daarvoor relevante tekortkoming.
3.7.
Het beroep op verjaring gaat niet op. [gedaagde] heeft weliswaar gewezen op het feit dat de betaling van het honorarium en de laatste werkzaamheden al meer dan vijf jaar geleden zijn uitgevoerd, maar die feiten zijn voor haar beroep op verjaring niet relevant. De verjaringstermijn begint immers pas te lopen vanaf het moment dat [eiseres] bekend was geworden met de tekortkoming waarop zij zich nu beroept. Volgens [eiseres] was dat tijdens deze procedure, omdat [gedaagde] daarvóór nooit een toelichting en/of onderbouwing heeft willen geven over de werkzaamheden die zij heeft verricht. Pas toen [gedaagde] dat wel deed tijdens deze procedure, kon zij daarom volgens haar vaststellen dat [gedaagde] zich niet voldoende had ingespannen. Dat [eiseres] pas tijdens deze procedure op de hoogte werd van de tekortkoming, heeft [gedaagde] niet weersproken, waardoor dat vast is komen te staan. Daaruit volgt dat de vordering van [eiseres] tot ontbinding niet is verjaard.
iv. De overeenkomst is niet door opzegging in 2018 geëindigd
3.8.
[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat een beroep op ontbinding niet meer mogelijk is, omdat de overeenkomst al in juni 2018 is geëindigd door opzegging van [eiseres] . Volgens [gedaagde] heeft [A] destijds, na een afwijzende reactie vanuit ABN Amro, laten weten dat hij de zaak verder zelf op zou pakken. [A] ontkent, namens [eiseres] , dat het zo zou zijn gelopen, omdat [eiseres] volgens hem juist zou vertrouwen op de expertise van [gedaagde] in het afhandelen van de kwestie.
3.9.
De kantonrechter oordeelt dat niet vast is komen te staan dat de overeenkomst al is geëindigd door opzegging. Omdat [gedaagde] zich op de opzegging beroept, is het aan haar om hard te maken dat de opzegging heeft plaatsgevonden. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiseres] , heeft [gedaagde] dat onvoldoende gedaan. [gedaagde] heeft namelijk niets overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt en heeft ook tijdens de zitting niet duidelijk gemaakt hoe de opzegging dan precies zou zijn verlopen en hoe die is gecommuniceerd door [eiseres] .
Het is niet vast komen te staan dat [gedaagde] tekort is geschoten
3.10.
Om te kunnen beoordelen of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, moet eerst worden vastgesteld wat die overeenkomst precies inhield. Duidelijk is dat [eiseres] (mogelijk gezamenlijk met [onderneming 1] B.V.) eigenaar was van rentederivaten bij ABN Amro, waardoor zij eventueel in aanmerking kwam voor een vergoeding van ABN Amro op basis van een herstelkader dat de bank daarvoor hanteerde. [gedaagde] werd door [eiseres] ingeschakeld op het moment dat de bank zowel haar eerste verzoek tot vergoeding, als haar verzoek tot herbeoordeling had afgewezen. Tijdens de zitting heeft [eiseres] verklaard dat de opdracht voor [gedaagde] een inspanningsverplichting inhield om ABN Amro te bewegen tot een nieuwe herbeoordeling.
3.11.
De tekortkoming van [gedaagde] bestaat er volgens [eiseres] uit dat zij onvoldoende inspanningen heeft verricht om die nieuwe herbeoordeling te laten plaatsvinden. [eiseres] baseert dit op een e-mail die ABN Amro op 25 juni 2018 aan [gedaagde] heeft gestuurd. Hierin staat:
“In uw afsluitende alinea verzoekt u ABN AMRO haar beoordeling te herzien. Op basis van bovenstaande punten en eerdere beoordeling zien wij hier geen aanleiding toe.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024.