Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-14
ECLI:NL:RBMNE:2024:5451
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3058
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder
(gemachtigde: mr. W.M.M. Janssen).
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten af te zien van verdere invordering van de vordering met vorderingsnummer 207899 van (op dat moment)
€ 1.114,54. Verweerder heeft hierbij een overzicht opgenomen van drie andere nog openstaande vorderingen van verweerder op eiser.
Eiser is het niet eens met - voor zover relevant - het overzicht van openstaande vorderingen en heeft bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is het overzicht van de drie openstaande vorderingen niet aan te merken als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat geen bezwaar kan worden aangetekend tegen de mededeling dat eiser maar een keer per 12 maanden een individuele inkomenstoeslag kan aanvragen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2024. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [plaats] , [functie] bij verweerder.
Overwegingen
1. Eiser heeft in beroep - kort gezegd - aangevoerd dat hier sprake is van een toeslagenaffaire 2.0. Volgens eiser heeft hij een klacht ingediend en geen bezwaar gemaakt. Hij is nu wel in beroep gegaan, omdat de genoemde vorderingen feitelijk niet bestaan. En een niet bestaande vordering kan ook niet worden kwijtgescholden. Eiser heeft omgekeerd nog veel achterstallige vorderingen op verweerder. Volgens eiser heeft verweerder hem vanaf 1 april 2015 ten onrechte gezien als fraudeur en uitgesloten van de bijstand. Als gevolg daarvan heeft hij jaren geen geld gehad en moeten leven van de Voedselbank. Hij heeft verweerder gevraagd om inzage in zijn volledige dossier, om de verantwoordelijke ambtenaren te kunnen aanspreken en alsnog zijn recht te kunnen halen. Eiser wil extra tijd om deze dossierstukken te kunnen inbrengen en bespreken op een zitting.
2. De rechtbank beschouwt allereerst de vermelding van de individuele inkomenstoeslag in het bestreden besluit, zoals verweerder ter zitting heeft erkend, als een kennelijke misslag die abusievelijk door verweerder in het bestreden besluit is opgenomen, waaraan de rechtbank geen consequenties verbindt.
3. De vraag die de rechtbank hier moet beantwoorden is of verweerder het bezwaar van eiser met de gegeven motivering terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), volgt namelijk dat een schriftelijke mededeling over de hoogte van nog terug te betalen bedragen, waarover in het verleden al besluiten zijn genomen, niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waar bezwaar tegen gemaakt kan worden.
Deze rechtspraak geldt ook voor het overzicht van de drie nog openstaande vorderingen in het primaire besluit. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen aanknopingspunt om af te wijken van deze rechtspraak. De rechtbank heeft in deze procedure dan geen mogelijkheid om de overige stellingen van eiser (over de juistheid van de drie nog openstaande vorderingen) te beoordelen. Daarom laat de rechtbank deze stellingen van eiser onbesproken. Voor de door eiser gewenste extra tijd om dossierstukken in deze procedure in te brengen ziet de rechtbank geen aanknopingspunt.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:732