Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-06
ECLI:NL:RBMNE:2024:5306
Civiel recht
Kort geding
3,117 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
zaaknummer: 11216097 LV EXPL 24-41 BS/43497
Kort geding vonnis van 6 september 2024
inzake
de stichting
STICHTING OOST FLEVOLAND WOONDIENSTEN,
gevestigd te Dronten,
verder ook te noemen OFW,
eisende partij,
gemachtigde: mr. R.M. Goeman,
tegen:
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. L.L. Metselaar.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 6 augustus 2024, met 18 producties;
de akte van OFW met een aanvullende productie 19;
de akte van [gedaagde] met 5 producties.
1.2.
Op 20 augustus 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in het gebouw van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad. Namens OFW waren de heer [A] (woonconsulent) en mevrouw [B] (klantmanager bij OFW) aanwezig. OFW werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. R.M. Goeman, werkzaam bij VBTM Advocaten. [gedaagde] was ook aanwezig en werd bijgestaan door mr. L.L. Metselaar, werkzaam bij Cleerdin & Hamer Advocaten. De gemachtigde van [gedaagde] heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder op de zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
De kern van de zaak
2.1.
Op 14 maart 2023 is [gedaagde] met Kwintes een begeleidingsovereenkomst aangegaan. Er is vervolgens een persoonlijk begeleidingsplan opgesteld, welke door [gedaagde] op 11 september 2024 is ondertekend. Ingaande 15 november 2023 is een driepartijenhuurovereenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan [gedaagde] van OFW de woning aan het adres [adres] te [woonplaats] huurt en Kwintes de (verplichte) begeleiding en zorg aan [gedaagde] verleent. Kwintes heeft per 22 april 2024 de zorgovereenkomst beëindigd. OFW stelt dat sprake is van een gemengde overeenkomst. De beëindiging van de zorgovereenkomst leidt volgens OFW dan ook tot beëindiging van de huurovereenkomst. OFW stelt verder dat [gedaagde] ernstige overlast veroorzaakt voor omwonenden. OFW wil daarom dat [gedaagde] de woning verlaat en ontruimt. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] betwist dat er sprake is van een gemengde huurovereenkomst. Daarnaast vindt hij dat de beëindiging van de zorgovereenkomst niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De huurovereenkomst moet daarom in stand blijven. [gedaagde] voert verder aan dat hij al een tijd geen overlast meer veroorzaakt. Hij vindt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
Wat oordeelt de kantonrechter?
2.2.
De kantonrechter stelt OFW in het gelijk. Dit betekent dat [gedaagde] niet in de woning mag blijven wonen en hij de woning moet ontruimen.
Beoordeling
2.3.
In dit kort geding moet de kantonrechter allereerst beoordelen of OFW een spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming heeft. Van een spoedeisend belang is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening nodig is en van OFW niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat OFW een spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot ontruiming gelet op de beëindiging van de zorgovereenkomst en de gestelde ernstige overlast die [gedaagde] veroorzaakt, waardoor volgens OFW de situatie voor omwonenden onhoudbaar is geworden en de woning naast de woning van [gedaagde] niet opnieuw verhuurd kan worden. Van OFW kan dan ook niet worden verlangd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht om duidelijkheid te krijgen over de beschikbaarheid van de woning.
2.5.
Vervolgens moet de kantonrechter beoordelen of de kans dat de vordering van OFW in een bodemprocedure wordt toegewezen zo groot is dat zij nu al de ontruiming kan toewijzen. Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met het feit dat een ontruiming zeer ingrijpend is en meestal niet kan worden teruggedraaid.
Overlast
2.6.
OFW legt onder meer aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] is tekortgeschoten in zijn verplichting om zich als een goed huurder te gedragen. [gedaagde] veroorzaakt ernstige (geluids)overlast, doet racistische uitlatingen en gedraagt zich agressief naar omwonenden. Bovendien is de woning naast de woning van [gedaagde] ( [adres] ) door zijn gedragingen onverhuurbaar. OFW wil daarom dat [gedaagde] de woning verlaat en ontruimt.
2.7.
[gedaagde] voert aan dat hij in eerste instantie niet de (intensieve) begeleiding heeft gekregen die voor hem gepast en noodzakelijk was. Op dit moment wordt hij begeleid door mevrouw [C] (Stichting Cliënten Perspectief GGZ). Het gaat nu aanzienlijk beter met hem. [gedaagde] veroorzaakt al een tijd geen overlast meer in de woning. Dat blijkt ook uit het feit dat de laatste melding bij OFW is gedaan op 8 juni 2024. [gedaagde] voert verder aan dat hij geen andere plek heeft om te verblijven. Bij een ontruiming zal hij opnieuw op straat komen te staan.
2.8.
De kantonrechter overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de huurder op grond van artikel 7:213 BW verplicht is zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als een goed huurder te gedragen. Dit betekent niet alleen dat de huurder voor de zaak zelf goed heeft te zorgen, maar ook dat hij zich zodanig gedraagt dat aan derden die zich in de omgeving van het gehuurde bevinden geen overlast wordt bezorgd. Een dergelijke tekortkoming van de huurder kan op zichzelf tot ontbinding van de huurovereenkomst leiden.
2.9.
Het is de kantonrechter gebleken dat [gedaagde] kampt met psychische problemen en een drankverslaving en dat hij (hoogstwaarschijnlijk mede als gevolg van deze problemen) ontoelaatbare overlast veroorzaakt. Dat sprake is van ernstige overlast blijkt ook uit het omvangrijke overlastdossier dat OFW bij dagvaarding heeft overgelegd (zie daarvoor ook productie 6, 7, 9, 10 (rapport van een geluidsmeting), 11, 12, 14 en 16 bij dagvaarding). [gedaagde] heeft op de zitting de door OFW gestelde overlastgevende gedragingen (grotendeels) erkend.
2.10.
Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken – zeker in onderling verband bezien – staat dan ook vast dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen en dat hij daardoor ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen als huurder.
Op grond van artikel 6:265 BW rechtvaardigt iedere tekortkoming ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Van die uitzondering is naar het oordeel van de kantonrechter – ook wanneer het woonbelang van [gedaagde] in aanmerking wordt genomen – geen sprake. Daarbij weegt ten nadele van [gedaagde] mee het structurele karakter van de overlast gedurende een lange periode, de omstandigheid dat [gedaagde] daarmee is blijven doorgaan ondanks meerdere waarschuwingen en gesprekken met OFW, de gemeente en de politie en [gedaagde] zich niet begeleidbaar heeft opgesteld, waardoor de zorgovereenkomst door Kwintes is beëindigd. Bovendien heeft [gedaagde] zich zeer onberekenbaar getoond. Hij heeft op enig moment de buurman bedreigd met een kapmes en heeft later bij diezelfde buurman twee ramen ingegooid. De buurman heeft, omwille van zijn veiligheid, noodgedwongen zijn woning moeten verlaten. OFW kan de woning vanwege de gedragingen van [gedaagde] ook niet aan een ander verhuren. Goed voorstelbaar is dan ook dat omwonenden van [gedaagde] zich niet veilig voelen zolang hij daar woont. Het is daarom niet houdbaar dat [gedaagde] in de woning blijft wonen.
2.11.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter voorshands derhalve van oordeel dat het zeer waarschijnlijk is dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Van OFW kan niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. OFW heeft er namelijk belang bij dat de woning naast de woning van [gedaagde] spoedig kan worden verhuurd en dat omwonenden niet langer overlast hoeven te ondervinden van [gedaagde] . OFW dient immers zoveel mogelijk te zorgen voor rustig huurgenot van omwonenden en de toekomstige huurder van de woning aan [adres] . [gedaagde] heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie zal verbeteren. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij nog steeds kampt met een alcoholverslaving en 10 biertjes per dag drinkt. Gebleken is dat [gedaagde] dan niet altijd meer goed weet wat hij doet. Daarnaast heeft OFW melding gekregen dat [gedaagde] op 15 augustus 2024 op een locatie van Kwintes ( [activiteitencentrum] ) alcohol heeft geconsumeerd en het personeel heeft bedreigd. Hij is daarop het activiteitencentrum uitgezet. De omstandigheid dat het laatste incident in een activiteitencentrum van Kwintes plaatsvond en niet bij de woning, doet niets af aan de ernst van de situatie. Dit incident draagt immers niet bij aan het vertrouwen dat het beter gaat met [gedaagde] en hij zich beter gedraagt.
2.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot ontruiming van de woning vooruitlopend op de bodemprocedure, toewijsbaar is. De kantonrechter realiseert zich dat dit ingrijpende gevolgen heeft voor [gedaagde] . Daar staat echter tegenover dat sprake is van ernstige tekortkomingen van [gedaagde] en van zwaarwegende belangen van OFW (en haar andere huurders/omwonenden). De ontruiming is daarom gerechtvaardigd, ondanks de gevolgen daarvan voor [gedaagde] .
2.13.
Nu de vordering tot ontruiming op deze grond wordt toegewezen kan onbesproken blijven of de beëindiging van de zorgovereenkomst door Kwintes (ook) moet leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst.
Ontruimingstermijn
2.14.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft OFW verklaard dat er een gesprek met onder meer de gemeente is geweest over alternatieve huisvesting voor [gedaagde] en dat de gemeente bij een ontruimingsvonnis een Wlz-indicatie zal aanvragen. De ontruimingstermijn zal daarom worden gesteld op één maand na betekening van het vonnis. Met deze termijn wordt [gedaagde] een redelijke termijn gegund om de ontruiming te realiseren, alternatieve woonruimte te vinden en eventueel daarbij hulp te accepteren. Op deze manier is het voor [gedaagde] hopelijk mogelijk door te stromen naar een andere meer passende woonvorm.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
OFW heeft de kantonrechter gevraagd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan [adres] te [woonplaats] binnen één maand na betekening van het vonnis, te ontruimen en te verlaten, met al het zijne en al de personen die zijdens [gedaagde] in voormelde woning verblijven en deze woning ter vrije en algehele beschikking van OFW te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.194,71 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 september 2024.