Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-16
ECLI:NL:RBMNE:2024:5119
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,203 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4590
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 augustus 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen
(gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot).
Inleiding
1. Op 3 januari 2024 heeft verzoeker de gemeente De Ronde Venen (de gemeente) aansprakelijk gesteld voor de schade die op 21 december 2023 door een storm aan zijn boot is ontstaan. De boot lag afgemeerd aan de voormalige [locatie] in [plaats] , gemeente De Ronde Venen. Doordat het hek naar deze locatie door de gemeente met een slot was afgesloten, kon verzoeker niet op tijd zijn boot bereiken om deze voor de storm met extra lijnen vast te zetten. Verzoeker stelt dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door het recht van verzoeker op toegang tot zijn eigendom te schenden en niet tijdig te reageren op zijn meldingen en zijn verzoek om het hek voor de storm open te maken.
1.1.
De gemeente heeft deze aansprakelijkstelling via een bericht van zijn verzekering op 13 juni 2024 afgewezen. Daarop heeft verzoeker de rechtbank verzocht de gemeente De Ronde Venen te veroordelen tot vergoeding van de door hem gelede schade. De rechtbank doet vandaag uitspraak in die zaak met zaaknummer: UTR 24/4601.
1.2.
Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op dat verzoek.
1.3.
Het college heeft schriftelijk op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Hieronder zal de voorzieningenrechter haar beslissing uitleggen.
Beoordeling
2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 187,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
4. Verzoeker heeft met een mail van 1 augustus 2024 erkend dat hij het griffierecht door een missverstand niet op tijd heeft betaald. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om het griffierecht op 26 augustus 2024 – als hij weer over voldoende financiële middelen beschikt – alsnog te mogen voldoen.
5. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek tot het alsnog mogen voldoen van het griffierecht in het belang van verzoeker af. In de uitspraak van vandaag op het verzoek om schadevergoeding, verklaart de rechtbank zich kennelijk onbevoegd om op dit verzoek te beslissen. Dit heeft tot gevolg dat als de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening – wat hiermee verbonden is – inhoudelijk zou beoordelen, hij dit verzoek zou moeten afwijzen. Op voorhand is dus al duidelijk dat ook als verzoeker alsnog het griffierecht betaalt, hij niet kan bereiken dat de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening zal toewijzen. Door het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht, is verzoeker in deze zaak niet langer griffierecht verschuldigd. Het wel betalen van het griffierecht had niet tot een andere uitkomst geleid.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.