Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-16
ECLI:NL:RBMNE:2024:5050
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,062 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4409
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats]
(gemachtigde: B. Schras).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om te bepalen dat de heffingsambtenaar het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden en de door haar gemaakte reiskosten (inclusief parkeerkosten). Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 30 augustus 2023. Zij heeft het beroep ingetrokken, omdat de heffingsambtenaar de bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde van de woning heeft verminderd tot € 504.000,- en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig heeft verminderd.
1.1.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft hierop niet gereageerd.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Overwegingen
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepsschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dat staat in artikel 8:75a van de Awb.
2.1
Partijen hebben de rechtbank laten weten dat de bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde van de woning is verminderd. Hiermee is de heffingsambtenaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Reiskosten
3. Verzoekster verzoekt de rechtbank om de heffingsambtenaar te veroordelen in de reiskosten voor het bijwonen van de zitting op 11 april 2024. Zij vraagt om vergoeding van een bedrag van € 20,-.
3.1.
Reiskosten voor het bijwonen van de zitting, komen op grond van artikel 1 aanhef en onder d Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten komen op basis van het openbaarvervoertarief, tweede klas, tot een bedrag van € 4,70 (enkele reis) voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die de heffingsambtenaar moet betalen vast op een bedrag van € 9,40 (€ 4,70 + € 4,70).
4.1
De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 9,40 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zij bijlage.