Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-27
ECLI:NL:RBMNE:2024:5027
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,942 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3333
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, het college
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de voorzieningenrechter moet regelen dat verzoekster direct voorrang krijgt op de wachtlijst voor een sociale huurwoning, zodat zij op korte termijn naar een eigen woning kan verhuizen.
2. Verzoekster woont samen met haar inmiddels meerderjarige dochter bij haar ouders. Verzoekster en haar dochter delen een slaapkamer. De ouders zijn bijna 80 jaar en verlenen mantelzorg aan verzoekster. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een urgentie op grond van langdurige inwoning, echtscheiding en wegens medische gronden. Het college heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 20 november 2023. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard met het bestreden besluit van 27 maart 2024.
3. Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend en daarbij vermeld dat dit tevens een bezwaar is tegen het bestreden besluit van het college. De rechtbank heeft dit laatste opgevat als dat verzoekster bedoeld heeft naast haar verzoek om voorlopige voorziening ook beroep in te stellen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er een connex beroep is, zodat zij het verzoek om voorlopige voorziening kan beoordelen.
4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om haar - door het treffen van een voorlopige voorziening - een urgentieverklaring te verlenen. Verzoekster vindt dat de voorzieningenrechter deze maatregel moet nemen, omdat zij zo spoedig mogelijk een eigen plek wenst met haar kind om haar ouders te ontlasten.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter vindt dat er geen sprake is van een zodanig spoedeisende situatie dat verzoekster belang heeft bij een woningurgentie als voorlopige voorziening. Het is duidelijk dat de woonsituatie van verzoekster verre van ideaal is, maar zij heeft in ieder geval een dak boven haar hoofd. Hierbij speelt een rol dat in de regio Gooi- en Vechtstreek de woningmarkt erg krap is en er veel mensen zijn die al lang wachten op een sociale huurwoning. Er moet echt iets heel spoedeisends aan de hand zijn, voordat de voorzieningenrechter zelf gaat ingrijpen in de wachtlijst en in het systeem van urgentieverklaringen. Dat is nu niet aan de hand.
6. De voorzieningenrechter heeft de afwijzing van de aanvraag door het college en het bezwaarschrift van verzoekster bekeken en ziet op voorhand geen evidente fouten in het bestreden besluit.
Conclusie
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen, omdat er geen spoedeisend belang is. Een zitting bij de voorzieningenrechter is daarom niet nodig. Het college hoeft geen proceskosten of griffierecht te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De rechtbank kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen in behandeling nemen als er ook beroep is ingesteld.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3333
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, het college
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de voorzieningenrechter moet regelen dat verzoekster direct voorrang krijgt op de wachtlijst voor een sociale huurwoning, zodat zij op korte termijn naar een eigen woning kan verhuizen.
2. Verzoekster woont samen met haar inmiddels meerderjarige dochter bij haar ouders. Verzoekster en haar dochter delen een slaapkamer. De ouders zijn bijna 80 jaar en verlenen mantelzorg aan verzoekster. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een urgentie op grond van langdurige inwoning, echtscheiding en wegens medische gronden. Het college heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 20 november 2023. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard met het bestreden besluit van 27 maart 2024.
3. Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend en daarbij vermeld dat dit tevens een bezwaar is tegen het bestreden besluit van het college. De rechtbank heeft dit laatste opgevat als dat verzoekster bedoeld heeft naast haar verzoek om voorlopige voorziening ook beroep in te stellen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er een connex beroep is, zodat zij het verzoek om voorlopige voorziening kan beoordelen.
4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om haar - door het treffen van een voorlopige voorziening - een urgentieverklaring te verlenen. Verzoekster vindt dat de voorzieningenrechter deze maatregel moet nemen, omdat zij zo spoedig mogelijk een eigen plek wenst met haar kind om haar ouders te ontlasten.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter vindt dat er geen sprake is van een zodanig spoedeisende situatie dat verzoekster belang heeft bij een woningurgentie als voorlopige voorziening. Het is duidelijk dat de woonsituatie van verzoekster verre van ideaal is, maar zij heeft in ieder geval een dak boven haar hoofd. Hierbij speelt een rol dat in de regio Gooi- en Vechtstreek de woningmarkt erg krap is en er veel mensen zijn die al lang wachten op een sociale huurwoning. Er moet echt iets heel spoedeisends aan de hand zijn, voordat de voorzieningenrechter zelf gaat ingrijpen in de wachtlijst en in het systeem van urgentieverklaringen. Dat is nu niet aan de hand.
6. De voorzieningenrechter heeft de afwijzing van de aanvraag door het college en het bezwaarschrift van verzoekster bekeken en ziet op voorhand geen evidente fouten in het bestreden besluit.
Conclusie
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen, omdat er geen spoedeisend belang is. Een zitting bij de voorzieningenrechter is daarom niet nodig. Het college hoeft geen proceskosten of griffierecht te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De rechtbank kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen in behandeling nemen als er ook beroep is ingesteld.