Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:4617
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,377 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3582
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: M.S. van Muiswinkel).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 8 mei 2024 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Op 28 mei 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar verzoek ingediend op 12 december 2023. Dit verzoek is door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) doorgestuurd naar verweerder en ontvangen op 21 december 2023. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Op 23 januari 2024 heeft verweerder de beslistermijn verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus, naar eigen zeggen, uiterlijk op 2 februari 2024 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 21 februari 2024 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 8 mei 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek.
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat hij het besluit hoogstwaarschijnlijk niet eerder dan augustus 2024 kan nemen. De reden dat er nog geen besluit is genomen, is volgens verweerder onder meer gelegen in de nieuwe werkwijze die van invloed is geweest op de capaciteit die beschikbaar was om dergelijke verzoeken zorgvuldig af te handelen. Hiernaast zijn er veel omvangrijke en bewerkelijke verzoeken over andere onderwerpen die prioriteit hebben. Het grootste deel van de geïnventariseerde documenten moeten nog worden beoordeeld en waar nodig gelakt. Vervolgens zullen de zienswijzeprocedure en het interne accorderingsproces nog plaats moeten vinden.
6. Gelet op wat verweerder heeft aangevoerd, is naar oordeel van de rechtbank sprake van een bijzonder geval en ziet de rechtbank aanleiding om verweerder een langere beslistermijn toe te kennen. De rechtbank draagt verweerder op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op het verzoek van eiseres.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
9. Er zijn door eiseres geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.