Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-12
ECLI:NL:RBMNE:2024:4528
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,122 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3384
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 10 oktober 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Op 4 juni 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. In het verweerschrift stelt verweerder dat er geen sprake is van niet tijdig beslissen. Eiser heeft op 10 oktober 2023 een verzoek gedaan om aanvullende schadevergoeding. De beslistermijn eindigde op 10 april 2024 en is door verweerder bij brief van 13 maart 2024 verdaagd met 6 maanden. Verweerder heeft dus nog tot 10 oktober 2024 de tijd om een beslissing te nemen. De ingebrekestelling is door verweerder ontvangen op 11 april 2024, dat is voor het einde van de beslistermijn.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de brief over de verdaging niet heeft ontvangen. Deze brief is niet-aangetekend verzonden. Deze omstandigheden leiden ertoe dat verweerder aannemelijk moet maken dat deze brief is voorzien van de juiste adressering, een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.
5. Bij brief van 12 juni 2024 heeft de rechtbank verweerder verzocht de verzending van de brief over de verdaging aannemelijk te maken. In dit verband heeft verweerder een uitdraai van de verzendadministratie overgelegd en daarbij verwezen naar de al eerder overgelegde kopie van de verdagingsbrief. Uit de verzendadministratie blijkt dat de verdagingsbrief met dagtekening 13 maart 2024 is aangemaakt en verzonden op 6 maart 2024. Dit is terug te vinden in het verzendsysteem onder het kopje “verzonden berichten”. Verweerder is op 22 mei 2024 door de gemeente op de hoogte gesteld dat eiser per 4 april 2024 is verhuisd. De rechtbank stelt vast dat de tenaamstelling en adressering ten tijde van de verzending van de brief juist is. Verweerder heeft met hetgeen hij heeft gesteld en met de overgelegde verzendadministratie aannemelijk gemaakt dat de brief op een juiste wijze is verzonden.
6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder op 11 april 2024 nog niet te laat was met beslissen en dus niet in gebreke was. De ingebrekestelling is niet geldig. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.