Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-14
ECLI:NL:RBMNE:2024:4417
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,106 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5358
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. J.M.M. Pater)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak op dit verzoek van verzoekster.
2. Met het primaire besluit van 22 september 2021 heeft het Uwv medegedeeld dat verzoekster vanaf 24 december 2021 recht heeft op een loonaanvullingsuitkering. Tegen dit besluit is door de (ex)werkgever van verzoekster bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar van 10 oktober 2023 heeft het Uwv het bezwaar van (ex)werkgever gegrond verklaard, waarna de loonaanvullingsuitkering van verzoekster is beëindigd. Het bezwaar is gegrond verklaard omdat de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd is naar minder dan 35%. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster beroep ingesteld.
3. Met het besluit van 20 februari 2024 heeft het Uwv de beslissing op bezwaar van 10 oktober 2023 gewijzigd en aan verzoekster alsnog per 10 december 2023 een WIA-IVA-uitkering toegekend. De geplande zitting van 29 februari 2024 is niet doorgegaan.
4. Verzoekster heeft hierna het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Uwv heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
5. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75 van de Awb.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv met het besluit van 20 februari 2024 tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Met dit besluit heeft het Uwv immers alsnog per 10 december 2023 een WIA-IVA-uitkering aan verzoekster toegekend. Dit betekent dat het verzoek van verzoekster om vergoeding van het Uwv in de proceskosten wordt toegewezen.
7. De rechtbank stelt deze kosten vast op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
8. Voor het door verzoekster betaalde griffierecht geldt dat deze kosten op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb door het Uwv moeten worden vergoed. Verzoekster moet zich voor de vergoeding van deze kosten daarom rechtstreeks tot het Uwv wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 875,-, te betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es- de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5358
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. J.M.M. Pater)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak op dit verzoek van verzoekster.
2. Met het primaire besluit van 22 september 2021 heeft het Uwv medegedeeld dat verzoekster vanaf 24 december 2021 recht heeft op een loonaanvullingsuitkering. Tegen dit besluit is door de (ex)werkgever van verzoekster bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar van 10 oktober 2023 heeft het Uwv het bezwaar van (ex)werkgever gegrond verklaard, waarna de loonaanvullingsuitkering van verzoekster is beëindigd. Het bezwaar is gegrond verklaard omdat de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd is naar minder dan 35%. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster beroep ingesteld.
3. Met het besluit van 20 februari 2024 heeft het Uwv de beslissing op bezwaar van 10 oktober 2023 gewijzigd en aan verzoekster alsnog per 10 december 2023 een WIA-IVA-uitkering toegekend. De geplande zitting van 29 februari 2024 is niet doorgegaan.
4. Verzoekster heeft hierna het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Uwv heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
5. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75 van de Awb.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv met het besluit van 20 februari 2024 tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Met dit besluit heeft het Uwv immers alsnog per 10 december 2023 een WIA-IVA-uitkering aan verzoekster toegekend. Dit betekent dat het verzoek van verzoekster om vergoeding van het Uwv in de proceskosten wordt toegewezen.
7. De rechtbank stelt deze kosten vast op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
8. Voor het door verzoekster betaalde griffierecht geldt dat deze kosten op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb door het Uwv moeten worden vergoed. Verzoekster moet zich voor de vergoeding van deze kosten daarom rechtstreeks tot het Uwv wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 875,-, te betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es- de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.