Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:4392
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,077 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11180658 \ AV EXPL 24-23
Vonnis in kort geding van 24 juli 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. L. Holtrop,
tegen
[beschermingsbewindvoerder] B.V.,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [onderbewindgestelde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [beschermingsbewindvoerder] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
Procesverloop
1.1.
[eiseres] heeft een dagvaarding met producties ingediend.
1.2.
Vervolgens is een mondelinge behandeling op 10 juli 2024 bepaald. [gemachtigde] , als bewindvoerder werkzaam bij [beschermingsbewindvoerder] , heeft de kantonrechter bij brief van 28 juni 2024 laten weten dat het voor [beschermingsbewindvoerder] niet mogelijk is om op de zitting te verschijnen maar dat zij de heer [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde] ) erop heeft geattendeerd dat hij wel op de zitting aanwezig is. [beschermingsbewindvoerder] heeft in deze brief ook een reactie op de vordering tot ontruiming gegeven waarbij zij om een regeling heeft gevraagd, maar heeft de brief niet ook aan [eiseres] gestuurd. De kantonrechter heeft deze brief daarom niet als processtuk aangemerkt.
1.3.
Op de mondelinge behandeling zijn namens [eiseres] verschenen mevrouw [A] , medewerker vastgoedbeheer bij vastgoedbeheerder [bedrijf] , de heer [B] , eigenaar/directeur van [bedrijf] , en mr. L. Holtrop, gemachtigde van [eiseres] . [onderbewindgestelde] is ook op de mondelinge behandeling verschenen en heeft verklaard dat hij door de bewindvoerder gemachtigd is om het woord te voeren. De kantonrechter heeft op basis hiervan vastgesteld dat [onderbewindgestelde] namens [beschermingsbewindvoerder] is verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en hebben op elkaar kunnen reageren. Zij hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat op 24 juli 2024 uitspraak wordt gedaan.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
2.1.
[eiseres] heeft met [onderbewindgestelde] een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, op grond waarvan [eiseres] per 4 mei 2023 een woonruimte met parkeerplaats aan de [adres] in [plaats] aan [onderbewindgestelde] verhuurt (hierna ook: het gehuurde).
2.2.
[onderbewindgestelde] heeft vanaf 1 november 2023 geen huur meer betaald. De huur, die bij vooruitbetaling verschuldigd is, bedroeg toen € 912,00 per maand en bedraagt per 1 juli 2024 € 957,24 per maand. [onderbewindgestelde] heeft sindsdien, ondanks sommaties, alleen een bedrag van € 3,00 aan [eiseres] betaald, waardoor de huurachterstand tot en met juli 2024 inmiddels € 8.250,24 bedraagt. [onderbewindgestelde] en [eiseres] hebben een betalingsregeling getroffen, maar [onderbewindgestelde] is deze niet nagekomen.
2.3.
[onderbewindgestelde] is op 24 mei 2024 onder bewind gesteld.
De vordering en de onderbouwing daarvan
2.4.
[eiseres] vordert in deze procedure:
I. ontruiming van het gehuurde;
II. betaling van € 12.804,37 althans € 9.603,23;
III. betaling van de huur van € 957,24 per maand tot de ontruiming;
IV. betaling van de kosten van de procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
2.5.
[eiseres] stelt ter onderbouwing van haar vorderingen dat [onderbewindgestelde] jegens haar ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst doordat hij sinds november 2023 een huurachterstand heeft laten ontstaan die tot en met juli 2024 € 8.250,24 bedraagt en ondanks diverse aanmaningen niet tot betaling van deze huurachterstand is overgegaan. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat deze tekortkoming een ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure en daarop vooruitlopend ontruiming van de woning rechtvaardigt. Daarnaast vordert [eiseres] betaling van de achterstallige huur, contractuele boetes, buitengerechtelijke kosten en de toekomstige huurtermijnen tot de ontruiming.
Spoedeisendheid
2.6.
[eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, omdat [onderbewindgestelde] al sinds 1 november 2023 geen huur meer betaalt en zij het gehuurde aan een wél betalende huurder wil gaan verhuren.
Toetsingskader
2.7.
De door [eiseres] gevraagde voorziening strekt onder meer tot betaling van een geldsom en tot ontruiming. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is alleen dan aanleiding, als het bestaan (en de omvang) van de vordering voldoende aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat. Een vordering tot ontruiming is in kort geding slechts toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat hij of zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
De gevorderde hoofdsom
2.8.
[beschermingsbewindvoerder] heeft niet weersproken dat de huurachterstand tot en met juli 2024 € 8.250,24 bedraagt. De vordering tot betaling van de achterstallige huur staat daarom voldoende vast en zal worden toegewezen.
Ontruiming
2.9.
[eiseres] vordert in deze procedure ontruiming van het gehuurde. Een huurachterstand van € 8.250,24 komt overeen met een huurbetalingsverplichting van bijna negen maanden. Volgens vaste rechtspraak leidt een betalingsachterstand van drie maanden in het algemeen al tot een ontbinding van de huurovereenkomst. Dit betekent dat voldoende aannemelijk is dat de kantonrechter in een bodemprocedure zal overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming. Dit brengt mee dat de vordering tot ontruiming toewijsbaar is. Van [eiseres] kan in de gegeven omstandigheden niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De kantonrechter heeft [onderbewindgestelde] tijdens de mondelinge behandeling al meegedeeld dat dit betekent dat hij het gehuurde op 7 augustus 2024 zal moeten ontruimen. Dit wordt hierna ook in de beslissing vermeld.
Toekomstige huurtermijnen
2.10.
De vordering om [beschermingsbewindvoerder] te veroordelen de nog openvallende huurtermijnen te voldoen tot aan de dag van de ontruiming is ook toewijsbaar.
Contractuele boete
2.11.
[eiseres] vordert vanwege de huurachterstand op grond van artikel 11.2 van de huurovereenkomst betaling van een bedrag van € 3.660,00 aan contractuele boetes.
2.12.
Omdat [onderbewindgestelde] als huurder een consument is en [eiseres] als verhuurder wordt aangemerkt als handelaar, moet de rechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en de algemene bepalingen die op de huurovereenkomst van toepassing zijn oneerlijke bepalingen staan zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG.
2.13.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen. Irrelevant voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg. Verder moet rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen geen regeling zouden hebben getroffen.
2.14.
In de huurovereenkomst is in artikel 11.2 een boetebepaling opgenomen, op grond waarvan [onderbewindgestelde] een direct opeisbare boete van € 15,00 per kalenderdag aan [eiseres] verschuldigd is met een maximum van € 5.000,00 indien hij niet, niet tijdig en/of niet volledig aan zijn betalingsverplichting uit de huurovereenkomst voldoet, onverminderd de gehoudenheid van [onderbewindgestelde] om alsnog aan zijn betalingsverplichting te voldoen en onverminderd het recht van [eiseres] om (aanvullende) schadevergoeding te vragen.
2.15.
De kantonrechter is van oordeel dat dit beding oneerlijk is. Als [onderbewindgestelde] de huur niet (tijdig) betaalt kan [eiseres] op grond van dit beding aanspraak maken op een boete van € 15,00 per kalenderdag, naast schadevergoeding. Een dergelijke boete van € 15,00 per dag is veel hoger dan de verschuldigde wettelijke rente (per 1 juli 2023 6% en per 1 januari 2024 7%) over het niet tijdig betalen van een geldsom. Weliswaar is de boete gemaximeerd tot € 5.000,00, maar in verhouding tot de verschuldigde wettelijke rente over het niet tijdig betalen van de huur is het bedrag van € 5.000,00 buitenproportioneel hoog. Deze omstandigheid maakt dat het evenwicht tussen partijen aanzienlijk is verstoord in het nadeel van [onderbewindgestelde] . Omdat het boetebeding oneerlijk is, moet het beding volledig buiten toepassing worden gelaten. Dit betekent dat de vordering tot betaling van de contractuele boetes wordt afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.16.
[eiseres] vordert betaling van een bedrag van € 894,12 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [beschermingsbewindvoerder] het gehuurde (de woonruimte met parkeerplaats aan de [adres] te [postcode] [plaats] ) op 7 augustus 2024 met medeneming van alle personen en zaken die daardoor of wegens [onderbewindgestelde] aanwezig zijn, te ontruimen en ontruimd te houden en het gehuurde onder afgifte van de sleutels in nette staat, zonder gebreken, overeenkomstig het bepaalde in de huurovereenkomst, weer aan [eiseres] ter beschikking te stellen;
3.2.
veroordeelt [beschermingsbewindvoerder] om binnen 14 dagen te betalen aan [eiseres] :
a. a) € 8.250,24 aan achterstallige huur tot en met juli 2024,
b) € 957,24 (naar rato) per maand vanaf augustus 2024 tot aan de dag waarop de ontruiming van het gehuurde zal plaatsvinden,
c) € 787,51 aan buitengerechtelijke kosten;
3.3.
veroordeelt [beschermingsbewindvoerder] in de proceskosten van € 1.586,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [beschermingsbewindvoerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.4.
veroordeelt [beschermingsbewindvoerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2024.