Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-12
ECLI:NL:RBMNE:2024:4370
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,684 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/4631 en UTR 24/4632
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2024 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Alberts),
en
de burgemeester van de gemeente Lelystad,
(gemachtigde: M. de Roode).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [de partner], uit [plaats] (de partner).
Inleiding
Aan eiser is bij besluit van 18 juni 2024 een tijdelijk huisverbod opgelegd. Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de burgemeester dit huisverbod verlengd met 18 dagen. Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het huisverbod geldt voor de woning op het adres [adres] in [plaats] .
De voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek op 12 juli 2024 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich niet laten vertegenwoordigen. De partner en [B] van [instelling] hebben via een digitale verbinding aan de zitting deelgenomen.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
1. De burgemeester kan aan een persoon een huisverbod opleggen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of als op grond van feiten en omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Een tijdelijk huisverbod kan worden verlengd als de dreiging van het gevaar of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester heeft kunnen vinden dat het gevaar voor de veiligheid van de partner en kinderen ten tijde van het opleggen van het huisverbod in het geding was en ten tijde van het besluit tot verlenging van het huisverbod nog voortduurde. Het huisverbod is opgelegd, omdat sprake was van ernstig verbaal en fysiek geweld, waar ook de kinderen slachtoffer en getuigen van waren. Dit blijkt voldoende uit het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld en het zorgadvies. Eiser herkent zich niet in deze stukken zegt hij, maar hij ontkent niet dat er sprake is geweest van zowel fysieke als mentale mishandeling, ook in het bijzijn van de kinderen. Dat is een zeer heftige situatie, die de oplegging van het huisverbod rechtvaardigde. Er was een time-out nodig en hulpverlening moest op gang worden gebracht en dat is waar het huisverbod voor is bedoeld.
3. Ook ten tijde van de verlenging bestond dit gevaar nog. Eiser heeft weliswaar stappen gezet richting hulpverlening en zegt daarvoor ook open te staan, maar er is nog geen reële start gemaakt met daadwerkelijke hulpverlening. De voorzieningenrechter begrijpt dat er enige tijd overheen kan gaan voordat hulp is opgestart, maar dat maakt niet dat de burgemeester niet tot verlenging kon besluiten. Dat de burgemeester aan de verlenging ten grondslag heeft gelegd dat tijdens de eerste 10 dagen dat het huisverbod van kracht was, is gebleken hoe de afgelopen 4 jaren zijn geweest voor het gezin, ziet de voorzieningenrechter – net als eiser – ook, maar dat is niet de enige reden voor de verlenging. Aan de verlenging heeft de burgemeester namelijk ook ten grondslag gelegd dat de hulpverlening nog onvoldoende concreet was geworden. Dat maakte de verlenging van het huisverbod noodzakelijk volgens de burgemeester en de voorzieningenrechter is het daarmee eens.
4. De voorzieningenrechter vindt het positief dat eiser niet teruggaat naar de woning en het huisverbod in die zin accepteert. Ook is het positief dat eiser alle hulp nu aangrijpt en dat hij ook vindt dat er rust en hulp moet komen voor de kinderen. De belangen van de kinderen wegen heel zwaar en het is belangrijk dat alles voor hen nu goed geregeld wordt.
5. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de oplegging en de verlenging van het huisverbod door de burgemeester terecht was. Het beroep is dan ook ongegrond. Dat betekent dat het huisverbod in stand blijft tot 16 juli 2024 om 17.25 uur. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2024 door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd dit proces-verbaal te ondertekenen.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth).
Artikel 9, eerste lid, van de Wth.