Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-19
ECLI:NL:RBMNE:2024:4080
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
867 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3610
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college tot oplegging van een last onder dwangsom.
1.1.
Met het besluit van 27 maart 2024 heeft het college verzoeker gelast om de bewoning van de woning aan de [adres] in [plaats] in strijd met het Omgevingsplan te beëindigen en beëindigd te houden. Als niet aan de last wordt voldaan verbeurt verzoeker een dwangsom van € 10.000,- per overtreding, met een maximum van € 50.000,-. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling
Toetsingskader
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
3. Het college heeft op 24 mei 2024 de begunstigingstermijn, die aan de last onder dwangsom is verbonden, opgeschort tot zes weken na de datum van de beslissing op het bezwaarschrift.
4. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het treffen van een voorlopige voorziening mogelijk als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet hierop heeft de rechtbank verzoeker bij brief van 31 mei 2024 gevraagd om aan te geven wat op dit moment nog het spoedeisende belang is bij het treffen van een voorziening hangende de bezwaarprocedure. In zijn reactie die door de rechtbank is ontvangen op 5 juni 2024 geeft verzoeker aan dat hij een termijn van zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift te kort vindt, omdat het onmogelijk is binnen deze termijn passende huisvesting te vinden voor de (mede)bewoners.
5. De voorzieningenrechter oordeelt dat er op dit moment géén sprake is van onverwijlde spoed op grond waarvan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening zou moeten treffen. Tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift kunnen er geen dwangsommen verbeuren. Er is daarom op dit moment geen sprake van een spoedsituatie.
6. Omdat een spoedeisend belang ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.