Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:3848
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,428 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/178
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: E. Siemeling).
Procesverloop
Wat is er gebeurd?
Eiser heeft eerder per 25 april 2023 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag op 14 juli 2023 afgewezen, omdat eiser niet alle gevraagde informatie heeft overgelegd. Eiser heeft tegen deze afwijzing geen bezwaar gemaakt.
Op 10 augustus 2023 heeft eiser opnieuw per 25 april 2023 bijstand op grond van de Pw aangevraagd.
Bij besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser per 10 augustus 2023 bijstand toegekend. Voor een eerdere ingangsdatum per 25 april 2023 heeft verweerder geen redenen van overmacht of bijzondere omstandigheden gezien.
Eiser is het niet eens met de ingangsdatum en heeft bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 13 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2024. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Standpunten van partijen
1. Eiser stelt in beroep dat verweerder hem ten onrechte niet per 25 april 2023 bijstand heeft toegekend. Eiser stelt dat hij per die datum bijstandsbehoevend is geweest. Dat hij bij de eerdere aanvraag per 25 april 2023 niet alle informatie heeft ingeleverd, komt doordat hij een terugval heeft gehad in zijn alcoholverslaving. Zijn terugval was zodanig dat hij niet meer adequaat op berichten van verweerder kon reageren. En zijn begeleiders toentertijd hebben steken laten vallen. Volgens eiser is er hiermee sprake van bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht per 25 april 2023 bijstand toe te kennen.
Dat eiser in de periode vanaf 25 april 2023 € 15.397,61 op zijn rekening gestort heeft gekregen, heeft volgens hem geen invloed op zijn bijstandsbehoevendheid per die datum. Het geld was afkomstig van de zorgverzekering en bedoeld om de verslavingskliniek in Portugal te betalen. Door zijn terugval heeft eiser dit geld gebruikt om in zijn verslaving en levensonderhoud te voorzien, waardoor hij nu een grote schuld heeft bij de verslavingskliniek. Verweerder heeft deze verklaring geaccepteerd en hem per 10 augustus 2023 bijstand toegekend. Verweerder kan hem de ontvangst van dit bedrag dan niet alsnog tegenwerpen.
2. Volgens verweerder bestaat er geen aanleiding om eiser met terugwerkende kracht per 25 april 2023 bijstand toe te kennen. Verweerder ziet hiervoor enerzijds geen bijzondere omstandigheden en anderzijds geen bijstandsbehoevendheid gelet op het bedrag van
€ 15.397,61 dat eiser heeft gebruikt om in zijn onderhoud te voorzien.
Beoordeling
3. De te beoordelen periode loopt van 25 april 2023, de gewenste ingangsdatum van de bijstand, tot 10 augustus 2023, de datum met ingang waarvan bijstand is toegekend.
4. In artikel 44, eerste lid, van de Pw staat dat, als door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
5. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie.
6. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Eiser is kennelijk in staat geweest om zich op 25 april 2023 bij verweerder te melden en bijstand aan te vragen. Dat hij ná die datum, gedurende de eerste aanvraagprocedure, niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens in te dienen, maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor omschreven. Eiser had deze argumenten moeten aanwenden tegen het besluit tot afwijzing van zijn eerste aanvraag van 25 april 2023. Dat hij daar wel toe in staat was volgt uit het feit dat eiser binnen de bezwaartermijn opnieuw een bijstand aanvraag heeft ingediend.
7. Daarbij komt dat vaststaat dat eiser in de hier te beoordelen periode heeft kunnen beschikken over een bedrag van € 15.397,61. Dat het geld eigenlijk bedoeld was voor de betaling van de verslavingskliniek en eiser nu een schuld heeft aan de verslavingskliniek, betekent niet dat het bedrag van € 15.397,61 buiten beschouwing gelaten kan worden. Eiser heeft erkend dat hij dat bedrag heeft aangewend om in de te beoordelen periode te voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud. Daardoor heeft hij in de hier te beoordelen periode niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en heeft hij dus geen recht op bijstand over die periode.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Artikel 17, eerste lid, van de Pw
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209, en de uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1903
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2028 en de uitspraak van de CRvB van 4 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2720
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/178
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: E. Siemeling).
Procesverloop
Wat is er gebeurd?
Eiser heeft eerder per 25 april 2023 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag op 14 juli 2023 afgewezen, omdat eiser niet alle gevraagde informatie heeft overgelegd. Eiser heeft tegen deze afwijzing geen bezwaar gemaakt.
Op 10 augustus 2023 heeft eiser opnieuw per 25 april 2023 bijstand op grond van de Pw aangevraagd.
Bij besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser per 10 augustus 2023 bijstand toegekend. Voor een eerdere ingangsdatum per 25 april 2023 heeft verweerder geen redenen van overmacht of bijzondere omstandigheden gezien.
Eiser is het niet eens met de ingangsdatum en heeft bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 13 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2024. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Standpunten van partijen
1. Eiser stelt in beroep dat verweerder hem ten onrechte niet per 25 april 2023 bijstand heeft toegekend. Eiser stelt dat hij per die datum bijstandsbehoevend is geweest. Dat hij bij de eerdere aanvraag per 25 april 2023 niet alle informatie heeft ingeleverd, komt doordat hij een terugval heeft gehad in zijn alcoholverslaving. Zijn terugval was zodanig dat hij niet meer adequaat op berichten van verweerder kon reageren. En zijn begeleiders toentertijd hebben steken laten vallen. Volgens eiser is er hiermee sprake van bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht per 25 april 2023 bijstand toe te kennen.
Dat eiser in de periode vanaf 25 april 2023 € 15.397,61 op zijn rekening gestort heeft gekregen, heeft volgens hem geen invloed op zijn bijstandsbehoevendheid per die datum. Het geld was afkomstig van de zorgverzekering en bedoeld om de verslavingskliniek in Portugal te betalen. Door zijn terugval heeft eiser dit geld gebruikt om in zijn verslaving en levensonderhoud te voorzien, waardoor hij nu een grote schuld heeft bij de verslavingskliniek. Verweerder heeft deze verklaring geaccepteerd en hem per 10 augustus 2023 bijstand toegekend. Verweerder kan hem de ontvangst van dit bedrag dan niet alsnog tegenwerpen.
2. Volgens verweerder bestaat er geen aanleiding om eiser met terugwerkende kracht per 25 april 2023 bijstand toe te kennen. Verweerder ziet hiervoor enerzijds geen bijzondere omstandigheden en anderzijds geen bijstandsbehoevendheid gelet op het bedrag van
€ 15.397,61 dat eiser heeft gebruikt om in zijn onderhoud te voorzien.
Beoordeling
3. De te beoordelen periode loopt van 25 april 2023, de gewenste ingangsdatum van de bijstand, tot 10 augustus 2023, de datum met ingang waarvan bijstand is toegekend.
4. In artikel 44, eerste lid, van de Pw staat dat, als door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
5. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie.
6. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Eiser is kennelijk in staat geweest om zich op 25 april 2023 bij verweerder te melden en bijstand aan te vragen. Dat hij ná die datum, gedurende de eerste aanvraagprocedure, niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens in te dienen, maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor omschreven. Eiser had deze argumenten moeten aanwenden tegen het besluit tot afwijzing van zijn eerste aanvraag van 25 april 2023. Dat hij daar wel toe in staat was volgt uit het feit dat eiser binnen de bezwaartermijn opnieuw een bijstand aanvraag heeft ingediend.
7. Daarbij komt dat vaststaat dat eiser in de hier te beoordelen periode heeft kunnen beschikken over een bedrag van € 15.397,61. Dat het geld eigenlijk bedoeld was voor de betaling van de verslavingskliniek en eiser nu een schuld heeft aan de verslavingskliniek, betekent niet dat het bedrag van € 15.397,61 buiten beschouwing gelaten kan worden. Eiser heeft erkend dat hij dat bedrag heeft aangewend om in de te beoordelen periode te voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud. Daardoor heeft hij in de hier te beoordelen periode niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en heeft hij dus geen recht op bijstand over die periode.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Artikel 17, eerste lid, van de Pw
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209, en de uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1903
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2028 en de uitspraak van de CRvB van 4 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2720