Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-14
ECLI:NL:RBMNE:2024:3768
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,208 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/3731 en UTR 23/4480
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Heek),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Staarthof).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvragen om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) (UTR 23/4480) en een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) (UTR 23/3731).
Procesverloop
1.1.
Eiseres heeft zich op 8 november 2022 bij het Uwv ziekgemeld. Het Uwv heeft vervolgens gekeken of eiseres in aanmerking komt voor ZW-uitkering of WIA-uitkering. Het Uwv heeft op 15 februari 2023 besloten dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat zij geschikt is voor haar eigen werk (het primaire besluit 1). Daarnaast heeft hij op 23 februari 2023 besloten dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat de beperkingen niet zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere WIA-aanvraag in 2021, die destijds is afgewezen (het primaire besluit 2). Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten.
1.2.
Met het besluit van 10 augustus 2023 (het bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard. Met het besluit van 11 augustus 2023 (het bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.
1.4.
Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
1.5.
De beroepen zijn gelijktijdig op de zitting van 26 maart 2024 behandeld. Daarbij waren eiseres samen met haar gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv aanwezig.
Wat ging er aan deze zaken vooraf?
2. Eiseres heeft op 13 december 2018 een ongeluk met een paard gehad. Zij is daardoor uitgevallen voor haar werk, als medewerker receptie, dat zij gemiddeld 23,51 uur per week deed. Op 5 februari 2021 heeft het Uwv haar aanvraag voor een WIA-uitkering afgewezen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv vond eiseres namelijk in staat de functies van medewerker postverzorging (intern), assemblagemedewerker elektrotechnische producten en machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) te verrichten. Daarmee kon zij een inkomen verdienen dat hoger was dan 65% van het inkomen dat zij als medewerker receptie verdiende. Eiseres maakte bezwaar tegen dat besluit en dat werd op 15 oktober 2021 ongegrond verklaard. Op 17 november 2022 meldde eiseres zich met toegenomen klachten per 8 november 2022 ziek bij het Uwv. Dit heeft geleid tot de besluiten zoals onder het kopje ‘Procesverloop’ genoemd.
Waar gaan de zaken over?
3. Het Uwv heeft besloten dat eiseres per 8 november 2022 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Haar aanvraag voor een WIA-uitkering is ook afgewezen. Het Uwv stelt dat eiseres ondanks haar klachten in staat is om de voorbeeldfuncties te verrichten die geselecteerd zijn bij de WIA-beoordeling in 2021. Daarom komt eiseres niet voor een ZW-uitkering in aanmerking. Verder stelt het Uwv zich op het standpunt dat de beperkingen van eiseres per 8 november 2022 niet zijn gewijzigd sinds de WIA-beoordeling in 2021. Daarom heeft zij ook geen recht op een WIA-uitkering.
4. Eiseres is het daar niet mee eens. In beroep voert eiseres aan dat zij verdergaand beperkt is dan is aangenomen en dat haar medische situatie ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling in 2021 is verslechterd. Daar betrekt eiseres bij dat zij sinds oktober 2022 dubbel ziet. Daarvoor is volgens eiseres onvoldoende aandacht geweest. Zij ziet een voorwerp zowel recht voor zich als rechts in haar gezichtsveld, waardoor het zicht om haar heen minder is. Daarbij stelt eiseres dingen te zien die er niet zijn of dingen voor iets anders aan te zien. Daarom had in de FML een aanscherping op item 2.1. moeten worden aangenomen. Eiseres geeft aan door het verminderde zicht niet in staat te zijn de functies van assemblagemedewerker elektrotechnische producten en machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) te verrichten die bij de eerdere WIA-beoordeling zijn geselecteerd. Eiseres vindt daarnaast dat een arbeidsdeskundige beoordeling had moeten plaatsvinden.
Wat is het beoordelingskader?
ZW-uitkering
5. Als iemand ‘zijn arbeid’ niet kan verrichten als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, dan heeft hij of zij recht op een ZW-uitkering. Dat is geregeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW. ‘Zijn arbeid’ is het werk dat iemand feitelijk deed voordat hij ziek werd. Daar wordt een uitzondering op gemaakt als iemand na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor dat werk en geen ander werk heeft. In dat geval wordt gekeken naar de functies die zijn geselecteerd bij de laatste WIA-beoordeling. Als iemand geschikt is voor de drie destijds geselecteerde functies, dan heeft hij geen recht op een ZW-uitkering. Stelt de verzekeringsarts naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding vast dat de medische beperkingen van een betrokkene sinds de eerdere WIA-beoordeling niet zijn toegenomen, dan is daarmee gegeven dat de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding voor betrokkene geschikt zijn. Dan hoeft een arbeidsdeskundige de geschiktheid van de functies dus niet meer te beoordelen.
WIA-uitkering
6. Als iemand aan het einde van de wachttijd van 104 weken geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en hij binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd meer dan 35% arbeidsongeschikt wordt als gevolg van dezelfde oorzaak, dan ontstaat alsnog recht op een WIA-uitkering met ingang van de dag waarop hij meer dan 35% arbeidsongeschikt is. Dat is geregeld in artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA.
7. In de rechtspraak wordt de vraag of alsnog een recht op een WIA-uitkering ontstaat beoordeeld aan de hand van de volgende stappen:
1. Is er sprake van toegenomen beperkingen?
2. Zo ja, vloeien deze voort uit dezelfde ziekteoorzaak?
3. Zo ja, heeft de toename van deze beperkingen uit dezelfde oorzaak plaatsgevonden binnen vijf jaar na weigering?
4. Is ook deze vraag bevestigend beantwoord dan moet - ten slotte - aan de hand van een arbeidskundige beoordeling de vraag worden beantwoord of er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
De datum in geding
8. Eiseres heeft zich (op 17 november 2022) met ingang van 8 november 2022 ziekgemeld. Daarom moet de rechtbank in de ZW-zaak kijken naar de medisch situatie van eiseres op 8 november 2022. In de WIA-zaak, waarin eiseres zich heeft gemeld met toegenomen beperkingen, moet worden gekeken naar de medische situatie in de periode tussen de datum waarop iemand aangeeft toegenomen beperkingen te hebben tot de datum waarop diegene de toename van beperkingen meldt bij het Uwv. Omdat er in het geval van eisers slechts 9 dagen zitten tussen de gestelde toename en de melding van eiseres, kan de rechtbank het Uwv erin volgen dat in de WIA-zaak is beoordeeld of sprake is van toegenomen beperkingen op 8 november 2022. De rechtbank beoordeelt dan ook beide zaken op basis van de medische situatie van eiseres op 8 november 2022, de datum in geding.
Voorwaarden aan rapporten van de verzekeringsartsen
9. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv besluiten over arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapportages van verzekeringsartsen, wanneer deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapportages en de daarop gebaseerde besluitvorming in beroep onaantastbaar zijn. Het is aan eiseres om aan te voeren en, zo nodig, aannemelijk te maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, onvoldoende begrijpelijk zijn, of dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een arts nodig. Dit betekent dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, niet voldoende is om een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aan te nemen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
10.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2814.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/3731 en UTR 23/4480
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Heek),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Staarthof).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvragen om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) (UTR 23/4480) en een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) (UTR 23/3731).
Procesverloop
1.1.
Eiseres heeft zich op 8 november 2022 bij het Uwv ziekgemeld. Het Uwv heeft vervolgens gekeken of eiseres in aanmerking komt voor ZW-uitkering of WIA-uitkering. Het Uwv heeft op 15 februari 2023 besloten dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat zij geschikt is voor haar eigen werk (het primaire besluit 1). Daarnaast heeft hij op 23 februari 2023 besloten dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat de beperkingen niet zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere WIA-aanvraag in 2021, die destijds is afgewezen (het primaire besluit 2). Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten.
1.2.
Met het besluit van 10 augustus 2023 (het bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard. Met het besluit van 11 augustus 2023 (het bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.
1.4.
Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
1.5.
De beroepen zijn gelijktijdig op de zitting van 26 maart 2024 behandeld. Daarbij waren eiseres samen met haar gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv aanwezig.
Wat ging er aan deze zaken vooraf?
2. Eiseres heeft op 13 december 2018 een ongeluk met een paard gehad. Zij is daardoor uitgevallen voor haar werk, als medewerker receptie, dat zij gemiddeld 23,51 uur per week deed. Op 5 februari 2021 heeft het Uwv haar aanvraag voor een WIA-uitkering afgewezen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv vond eiseres namelijk in staat de functies van medewerker postverzorging (intern), assemblagemedewerker elektrotechnische producten en machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) te verrichten. Daarmee kon zij een inkomen verdienen dat hoger was dan 65% van het inkomen dat zij als medewerker receptie verdiende. Eiseres maakte bezwaar tegen dat besluit en dat werd op 15 oktober 2021 ongegrond verklaard. Op 17 november 2022 meldde eiseres zich met toegenomen klachten per 8 november 2022 ziek bij het Uwv. Dit heeft geleid tot de besluiten zoals onder het kopje ‘Procesverloop’ genoemd.
Waar gaan de zaken over?
3. Het Uwv heeft besloten dat eiseres per 8 november 2022 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Haar aanvraag voor een WIA-uitkering is ook afgewezen. Het Uwv stelt dat eiseres ondanks haar klachten in staat is om de voorbeeldfuncties te verrichten die geselecteerd zijn bij de WIA-beoordeling in 2021. Daarom komt eiseres niet voor een ZW-uitkering in aanmerking. Verder stelt het Uwv zich op het standpunt dat de beperkingen van eiseres per 8 november 2022 niet zijn gewijzigd sinds de WIA-beoordeling in 2021. Daarom heeft zij ook geen recht op een WIA-uitkering.
4. Eiseres is het daar niet mee eens. In beroep voert eiseres aan dat zij verdergaand beperkt is dan is aangenomen en dat haar medische situatie ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling in 2021 is verslechterd. Daar betrekt eiseres bij dat zij sinds oktober 2022 dubbel ziet. Daarvoor is volgens eiseres onvoldoende aandacht geweest. Zij ziet een voorwerp zowel recht voor zich als rechts in haar gezichtsveld, waardoor het zicht om haar heen minder is. Daarbij stelt eiseres dingen te zien die er niet zijn of dingen voor iets anders aan te zien. Daarom had in de FML een aanscherping op item 2.1. moeten worden aangenomen. Eiseres geeft aan door het verminderde zicht niet in staat te zijn de functies van assemblagemedewerker elektrotechnische producten en machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) te verrichten die bij de eerdere WIA-beoordeling zijn geselecteerd. Eiseres vindt daarnaast dat een arbeidsdeskundige beoordeling had moeten plaatsvinden.
Wat is het beoordelingskader?
ZW-uitkering
5. Als iemand ‘zijn arbeid’ niet kan verrichten als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, dan heeft hij of zij recht op een ZW-uitkering. Dat is geregeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW. ‘Zijn arbeid’ is het werk dat iemand feitelijk deed voordat hij ziek werd. Daar wordt een uitzondering op gemaakt als iemand na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor dat werk en geen ander werk heeft. In dat geval wordt gekeken naar de functies die zijn geselecteerd bij de laatste WIA-beoordeling. Als iemand geschikt is voor de drie destijds geselecteerde functies, dan heeft hij geen recht op een ZW-uitkering. Stelt de verzekeringsarts naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding vast dat de medische beperkingen van een betrokkene sinds de eerdere WIA-beoordeling niet zijn toegenomen, dan is daarmee gegeven dat de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding voor betrokkene geschikt zijn. Dan hoeft een arbeidsdeskundige de geschiktheid van de functies dus niet meer te beoordelen.
WIA-uitkering
6. Als iemand aan het einde van de wachttijd van 104 weken geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en hij binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd meer dan 35% arbeidsongeschikt wordt als gevolg van dezelfde oorzaak, dan ontstaat alsnog recht op een WIA-uitkering met ingang van de dag waarop hij meer dan 35% arbeidsongeschikt is. Dat is geregeld in artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA.
7. In de rechtspraak wordt de vraag of alsnog een recht op een WIA-uitkering ontstaat beoordeeld aan de hand van de volgende stappen:
1. Is er sprake van toegenomen beperkingen?
2. Zo ja, vloeien deze voort uit dezelfde ziekteoorzaak?
3. Zo ja, heeft de toename van deze beperkingen uit dezelfde oorzaak plaatsgevonden binnen vijf jaar na weigering?
4. Is ook deze vraag bevestigend beantwoord dan moet - ten slotte - aan de hand van een arbeidskundige beoordeling de vraag worden beantwoord of er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
De datum in geding
8. Eiseres heeft zich (op 17 november 2022) met ingang van 8 november 2022 ziekgemeld. Daarom moet de rechtbank in de ZW-zaak kijken naar de medisch situatie van eiseres op 8 november 2022. In de WIA-zaak, waarin eiseres zich heeft gemeld met toegenomen beperkingen, moet worden gekeken naar de medische situatie in de periode tussen de datum waarop iemand aangeeft toegenomen beperkingen te hebben tot de datum waarop diegene de toename van beperkingen meldt bij het Uwv. Omdat er in het geval van eisers slechts 9 dagen zitten tussen de gestelde toename en de melding van eiseres, kan de rechtbank het Uwv erin volgen dat in de WIA-zaak is beoordeeld of sprake is van toegenomen beperkingen op 8 november 2022. De rechtbank beoordeelt dan ook beide zaken op basis van de medische situatie van eiseres op 8 november 2022, de datum in geding.
Voorwaarden aan rapporten van de verzekeringsartsen
9. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv besluiten over arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapportages van verzekeringsartsen, wanneer deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapportages en de daarop gebaseerde besluitvorming in beroep onaantastbaar zijn. Het is aan eiseres om aan te voeren en, zo nodig, aannemelijk te maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, onvoldoende begrijpelijk zijn, of dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een arts nodig. Dit betekent dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, niet voldoende is om een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aan te nemen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
10.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2814.