Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-12
ECLI:NL:RBMNE:2024:3556
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,634 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10773210 \ UC EXPL 23-7405 / 61169 JvdB
Vonnis van 12 juni 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman van Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam " [handelsnaam] ",
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.F. de Jong van Van der Vorst Advocaten.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 5;
het proces-verbaal van de rolzitting van 6 december 2023, waarop [gedaagde] in persoon is verschenen;
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3;
de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
de brief van 22 maart 2024 van [eiseres] , met aanvullende producties 6 tot en met 8 en een toelichting daarop;
de brief van 2 mei 2024 van [gedaagde] , met aanvullende productie 4;
de mondelinge behandeling van 14 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.
Beoordeling
De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een financial leaseovereenkomst gesloten, op basis waarvan [gedaagde] een Audi A3 leaset en daarvoor maandelijks een kredietvergoeding betaalt aan [eiseres] . Omdat de auto total loss is geraakt, heeft [eiseres] het gehele krediet opgeëist. In deze procedure vordert [eiseres] betaling van de resterende kredietsom. [eiseres] is echter een betalingsregeling met [gedaagde] overeengekomen, en de kantonrechter vindt dat [eiseres] daar nog steeds aan gebonden is. Daarom krijgt [gedaagde] gelijk: zij hoeft het gehele krediet nu niet in één keer te betalen. Wel moet [gedaagde] zich strikt aan de betalingsregeling houden en kan die regeling worden herzien vanwege tijdsverloop en omdat [gedaagde] ’s financiële situatie is gewijzigd.
[gedaagde] is het resterende krediet aan [eiseres] verschuldigd
2.2.
Bij het sluiten van de financial leaseovereenkomst zijn [eiseres] en [gedaagde] overeengekomen dat het gehele krediet in één keer en per direct opeisbaar is als de auto total loss raakt. Het is niet zo dat [eiseres] de overeenkomt eerst zou moeten ontbinden, zoals [gedaagde] heeft betoogd. Artikel 5.1 van de algemene voorwaarden die van toepassing zijn zegt over de ontbinding: ‘In die situaties mogen wij het contract bovendien meteen ontbinden…’. Uit het woord ‘bovendien’ volgt dat ontbinden een aanvullende mogelijkheid is voor [eiseres] en geen voorwaarde voor de opeisbaarheid. Het resterende krediet is dus in principe opeisbaar.
Partijen hebben op 20 februari 2023 een betalingsregeling afgesproken
2.3.
Op 20 februari 2023 hebben [eiseres] en [gedaagde] een betalingsregeling afgesproken. Op basis daarvan betaalde [gedaagde] € 25,- per maand. In de brief van 20 februari 2023 van [eiseres] aan [gedaagde] over de betalingsregeling staat dat wanneer [gedaagde] termijnen niet stipt zou betaalt, de regeling komt te vervallen en de hoofdsom weer in zijn geheel opeisbaar wordt. Daarvoor is, zo staat in de brief, geen ingebrekestelling of nader bericht vanuit [eiseres] nodig.
[gedaagde] is de betalingsregeling niet stipt nagekomen
2.4.
De eerste termijn van € 25,- moest door [gedaagde] op 28 februari 2023 betaald zijn. Dit bedrag is echter pas op 1 maart 2023, dus één dag te laat, betaald. [gedaagde] heeft daarna een aantal maanden wel maandelijks betaald, maar door die eerste te late betaling waren ook de daaropvolgende termijnen steeds te laat. [gedaagde] liep in feite steeds een maand achter. Dit betekent dat, zoals in de betalingsregeling staat, de gehele hoofdsom weer ineens opeisbaar wordt. Dit is de reden dat [eiseres] in deze procedure betaling van de gehele resterende hoofdsom vordert.
Maar beëindiging van de betalingsregeling is in dit geval onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
2.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan [eiseres] in dit geval echter géén betaling van de gehele resterende hoofdsom vorderen, omdat zij zich niet kan beroepen op het vervallen van de betalingsregeling. Dat zou namelijk onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dat wordt hierna toegelicht.
2.6.
Een tussen partijen geldende regel kan buiten toepassing blijven als het onverkort gelden van die regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De kantonrechter mag niet te snel zeggen dat er sprake is van zulke ‘onaanvaardbaarheid’, want het uitgangspunt is dat partijen zelf gaan over wat zij willen afspreken. In deze zaak is de kantonrechter het met [gedaagde] eens dat deze hoge drempel wordt gehaald. Hiervoor zijn de volgende omstandigheden relevant:
[eiseres] heeft bij [gedaagde] het vertrouwen gewekt dat de betalingsregeling nog gold, en zij de hoofdsom niet zou opeisen, want:
o [gedaagde] heeft [eiseres] op 24 september 2023 gebeld om te vragen of zij de termijn van september later mocht betalen. Zij heeft ter onderbouwing ook haar telefoongegevens laten zien, waaruit een gesprek van vier minuten met (de gemachtigde van) [eiseres] blijkt. [eiseres] heeft betwist dat dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden, en gezegd dat [gedaagde] mogelijk ‘in de wacht stond’, maar heeft dat niet onderbouwd (bijvoorbeeld met het logboek dat [eiseres] naar eigen zeggen bijhoudt over contactmomenten);
o [gedaagde] heeft per e-mail van 25 oktober 2023 de afspraak over het later betalen van de termijn van september bevestigd en in die e-mail ook naar het telefoongesprek daarover verwezen. Dat [eiseres] die e-mail heeft ontvangen, staat vast, want dat heeft [eiseres] niet betwist;
o In het telefoongesprek heeft [eiseres] niet gezegd dat er wat haar betreft geen betalingsregeling meer van kracht was, omdat [gedaagde] te laat had betaald. Ook heeft [eiseres] niet op de e-mail van [gedaagde] gereageerd. Het is daarom begrijpelijk dat [gedaagde] ervanuit ging dat het later betalen van de termijn van september akkoord was, en dat de regeling nog gewoon doorliep. Pas in deze procedure heeft [eiseres] , in haar akte van 22 maart 2024, expliciet het standpunt ingenomen dat de betalingsregeling naar haar mening vervallen was;
o [eiseres] heeft [gedaagde] op 29 augustus 2023 wel een brief gestuurd over de betalingsregeling. Anders dan [eiseres] heeft gesuggereerd, gaat die brief echter niet over opeising wegens te late betaling. De brief gaat over herziening van de betalingsregeling. Als de regeling toen al vervallen was in de ogen van [eiseres] , vanwege de eerste te late betaling, viel er ook niets te herzien;
o [eiseres] heeft met deze brief en ook enkele eerdere brieven over herziening verwarring gecreëerd. In de afspraken over de betalingsregeling staat namelijk dat een herziening pas na zes maanden aan de orde zou zijn. [gedaagde] meende dus dat de brieven onterecht waren verzonden. Weliswaar was het beter geweest als [gedaagde] hierover toen zelf aan de bel had getrokken bij [eiseres] , maar de onduidelijkheid is ontstaan door het handelen van [eiseres] . In het hiervoor genoemde telefoongesprek van 24 september 2023 is deze brief ook niet ter sprake gebracht door [eiseres] ;
Hoewel in de betalingsregeling staat dat het krediet zonder bericht opeisbaar is als er niet stipt wordt betaald, had in dit specifieke geval van [eiseres] verwacht mogen worden dat zij [gedaagde] had geattendeerd op de eerste te late betaling en de grote gevolgen daarvan. Die eerste betaling was namelijk slechts één dag te laat. Het heeft er alle schijn van dat [gedaagde] zich van die termijnoverschrijding niet bewust was. Daarop wijst het feit dat zij, toen zij in september 2023 wél aan zag komen dat haar termijnbetaling te laat zou komen, direct naar [eiseres] gebeld heeft voor overleg. Als de termijnoverschrijding van slechts één dag voor [eiseres] al een reden voor directe opeising was, had van haar verwacht mogen worden dat zij [gedaagde] daarop had gewezen. Dat heeft [eiseres] niet gedaan;
De hoedanigheid van partijen weegt hier tot slot ook mee. [gedaagde] is een kleine ondernemer die weinig ervaring heeft met leasecontracten. [eiseres] is een financial leasemaatschappij, oftewel een professionele verstrekker van (goederen)krediet. Dat betekent dat zij heel veel met schuldenaren te maken heeft en ook regelmatig schuldenaren treft die niet betalen – zij duidt zichzelf niet voor niets aan als ‘repeat player’ in de processtukken. Juist van zo’n partij mag verwacht worden dat zij in haar communicatie met schuldenaren zorgvuldig en duidelijk is.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 3.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Atema en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.
Dat staat in artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX6052.